beschikking RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 4401356 \ HA VERZ 15-323 \ 474 / 450 uitspraak van 11 november 2015 beschikking in de zaak van [verwerende partij] wonende te [woonplaats] verwerende partij gemachtigde mr. R. Boogers en de besloten vennootschap 't College B.V. statutair gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem verzoekende partij gemachtigde mr. H.W.M. Vos 1De procedure 1.1 Op 27 augustus 2015 is het namens [verwerende partij] ingediende verzoekschrift tot betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 sub a BW, tevens houdende zelfstandige nevenverzoeken ingekomen. De gemachtigde van [verwerende partij] is mr. R.T. Boogers van eerlijkmetrecht B.V., kantoorhoudende te Utrecht aan de Maliesingel 39-40. 1.2 Namens verweerster, het College B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem, heeft gemachtigde mr. H.W.M. Vos (RV Advocatuur, postbus 42, 5360 AA Grave) een verweerschrift ingediend. 1.3 Ter zitting d.d. 26 oktober 2015 zijn beide partijen voor de kantonrechter verschenen, [verwerende partij] in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Boogers, het College B.V. vertegenwoordigd door [persoon A] , chef-kok, bijgestaan door mr. Vos. Beide gemachtigden hebben pleitnota’s overgelegd. Verwezen wordt naar de aantekeningen die de griffier van de mondelinge behandeling heeft gemaakt. De pleitnota’s zijn aan deze aantekeningen gehecht. 1.4 De uitspraak is bepaald op heden. 2Het verzoek, het verweer en de beoordeling daarvan 2.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende betwist: a. [verwerende partij] (geboren op [dag en maand] 1963) is per 1 april 2015 bij het College in dienst getreden als manager op basis van een voor de duur van één jaar aangegane arbeidsovereenkomst. Het overeengekomen loon bedraagt € 2.860,00 bruto per maand op basis van een 40-urige werkweek. De arbeidsovereenkomst is als productie 2 aan het inleidende verzoekschrift gehecht. b. Het College exploiteert in Arnhem een restaurant dat op 15 mei 2015 officieel is geopend. c. [verwerende partij] heeft het sollicitatiegesprek gevoerd met mevrouw [persoon B] , directeur van het College. d. In productie 1, gehecht aan het verzoekschrift, wordt een beschrijving gemaakt van de werkzaamheden/taken van [verwerende partij] als manager. e. [verwerende partij] heeft zich op 16 juni 2015 ziek gemeld bij het College. De bedrijfsarts constateert dat er sprake is van een arbeidsconflict tussen partijen. Hij adviseert [verwerende partij] en het College met elkaar in gesprek te gaan. Het College laat [verwerende partij] weten dat zij geen vertrouwen meer heeft in [verwerende partij] en dat zij tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wil komen. Er wordt een beëindigingsvoorstel gedaan door het College, welk voorstel door [verwerende partij] niet is geaccepteerd. f. Tussentijds geeft [verwerende partij] aan dat hij zijn werkzaamheden als manager wil hervatten. Het college draagt [verwerende partij] onder meer op schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. g. [verwerende partij] meldt zich op 7 juli 2015 wederom ziek bij het College. De bedrijfsarts constateert andermaal dat de klachten van [verwerende partij] verband houden met de werksituatie. Hij adviseert partijen wederom het conflict op te lossen. h. Bij brief d.d. 14 juli 2015 wordt [verwerende partij] door het College op staande voet ontslagen. De ontslagbrief luidt als volgt: Geachte heer [verwerende partij] , In de bovengenoemde zaak behartig ik, zoals bij u bekend, de belangen van uw werkgever Het College. Tussen u en cliënte is op of omstreeks 1 april 2015 een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, op basis waarvan u als manager bent aangesteld in het restaurant van cliënte. Ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst was het restaurant nog niet geopend. Het restaurant is op 15 mei 2015 geopend. Cliënte heeft u reeds bij uw sollicitatiegesprek verzocht om uw diploma’s aan haar te overhandigen, waaruit blijkt dat u beschikt over de gevraagde kwalificaties om als manager van het restaurant van cliënte te functioneren. Ondanks herhaald verzoek van cliënte heeft u uw diploma’s niet ingeleverd. Eerst nadat ik middels een brief aan uw raadsman nogmaals heb verzocht uw diploma’s aan cliënte te overhandigen, heeft u aan het verzoek gehoor gegeven. U heeft aan cliënte enkel een verklaring Sociale hygiëne ter beschikking gesteld. De overige diploma’s die u stelde in het bezit te hebben, heeft u niet aan cliënte overhandigd. Cliënte is dan ook van mening dat u cliënte bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst onjuist heeft geïnformeerd over uw opleidingsniveau en ervaring. U heeft hiermee het vertrouwen van cliënte onherstelbaar geschaad. Inmiddels is ook wel duidelijk geworden dat u niet geschikt bent om de functie als manager van cliënte te vervullen. Al een maand na de opening, op 16 juni 2015, heeft u zich bij cliënte ziek gemeld. U zou overspannen zijn. Cliënte vond dit opmerkelijk, gelet op uw functie en zo kort na de opening van het restaurant. U bent vervolgens op 17 juni 2015 opgeroepen door uw bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat er geen medische beperkingen zijn die u beletten om uw werkzaamheden te verrichten. Er was dus geen sprake van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Het oordeel van de bedrijfsarts is als bijlage 1 aan deze brief gehecht. Ondanks het feit dat u het oordeel van de bedrijfsarts eveneens hebt ontvangen, bent u niet direct weer op het werk verschenen. Tussen partijen is de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst te beëindigen besproken. Nadat duidelijk werd dat partijen hier geen overeenstemming over konden bereiken heeft cliënte u opgeroepen uw werkzaamheden te hervatten. Aan deze oproep heeft u gehoor gegeven. Echter heeft u zich op 7 juli 2015 wederom ziek gemeld bij cliënte met nagenoeg dezelfde klachten. U bent op 10 juli 2015 wederom opgeroepen door de bedrijfsarts. Het oordeel van de bedrijfsarts was hetzelfde als na uw eerste ziektemelding, namelijk dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek. Het oordeel van de bedrijfsarts d.d. 10 juli 2015 is als bijlage 2 aan deze brief gehecht. Kortom u heeft zich in een korte tijd tweemaal ziek gemeld, terwijl er geen sprake was van ziekte. Ondanks het duidelijke oordeel van de bedrijfsarts dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek, ben u vandaag zonder opgave van reden niet op uw werk verschenen. Dit terwijl u volgens het bij u bekende rooster vandaag op het werk had dienen te verschijnen. U bent derhalve wederom ongeoorloofd afwezig. Het aantal dagen dat u ongeoorloofd afwezig bent geweest is voor cliënte onacceptabel. Er is sprake van herhaalde werkweigering. Als gevolg van de ernstige vertrouwensbreuk als gevolg van uw onjuiste mededeling over uw diploma’s alsmede van herhaaldelijke werkweigering, zijn er dringende redenen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Hierbij deel ik u mede dat cliënte de arbeidsovereenkomst met u per vandaag met onmiddellijke ingang heeft beëindigd. U dient eventuele eigendommen van cliënte die u nog in uw bezit heeft terstond bij cliënte in te leveren. Een kopie van deze brief zond ik eveneens aan mr. R. Boogers. Erop vertrouwende u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd. (…) 2.2 De gemachtigde van [verwerende partij] maakt bij brief d.d. 20 juli 2015 bezwaar tegen het aan [verwerende partij] gegeven ontslag op staande voet. De aangevoerde redenen worden betwist. [verwerende partij] laat het College weten bereid te zijn de overeengekomen werkzaamheden te verrichten zodra hij hersteld is. Op het verzoek van [verwerende partij] het ontslag in te trekken gaat het College niet in. 2.3 [verwerende partij] verzoekt de kantonrechter op de in het verzoekschrift omschreven gronden hem een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 onder a BW toe te kennen ten bedrage van € 26.254,80 bruto (ter grootte van het loon over de periode 14 juli 2015 tot 1 april 2016, de rechtsgeldige beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met het over dat bedrag verschuldigde vakantietoeslag). [verwerende partij] doet tevens een aantal nevenverzoeken. Hij verzoekt toekenning van een vergoeding ex artikel 7:672 lid 9 BW ten bedrage van € 26.254,80 bruto, veroordeling van het College tot betaling van het loon over de periode 1 tot en met 14 juli 2015 ten bedrage van € 1.430,00 bruto, een bedrag van € 2.165,97 bruto ter zake van 131.75 overuren, betaling van de vakantietoeslag over de periode juni en de eerste twee weken van juli ten bedrage van € 342,60 bruto en betaling van niet-genoten vakantiedagen ten bedrage van € 921,62 bruto, een en ander vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Ten slotte vordert hij afgifte van de loonstrook over de maand juli alsmede een getuigschrift met veroordeling van het College in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. 2.4 Het College betwist de vorderingen van [verwerende partij] en concludeert tot afwijzing daarvan met veroordeling van [verwerende partij] in de proceskosten. 2.5 Met de gemachtigde van [verwerende partij] is de kantonrechter van oordeel dat het College met de ontslagbrief d.d. 14 juli 2015 de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Evenmin is sprake van een regelmatige opzegging. Met name kunnen de in de ontslagbrief genoemde redenen niet als dringende redenen in de betekenis van artikel 7:677 lid 1 BW kunnen worden aangemerkt. In hoofdlijnen zijn de ontslagredenen terug te brengen tot (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.