RECHTBANK GELDERLAND Team jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Kantonrechter Parketnummer : 05/820058-15 Datum zitting : 06 november 2015 Datum uitspraak: 20 november 2015 TEGENSPRAAK In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland tegen naam : [verdachte] geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] adres : [adres] plaats : [woonplaats] 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 september 2014 tot en met 01 december 2014 te Doetinchem, in de gemeente Doetinchem, meermalen, althans eenmaal, (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], althans zich (telkens) met de feitelijke verzorging van de jongere had belast, (telkens) niet - hoewel zij daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht - heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969,te zorgen dat die jongere als leerling van een school was ingeschreven. 2Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 6 november 2015 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Als gemachtigden van verdachte zijn verschenen drs. P.J. van Zuidam en [naam] (partner van verdachte). Tevens is verschenen mw. T.J.C. Senhorst, leerplichtambtenaar van de gemeente Doetinchem. 3De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Namens de verdachte is gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Hiertoe word aangevoerd dat de leerplichtambtenaar geen objectief waarneembare feiten gepresenteerd heeft op grond waarvan een redelijke verdenking van schoolverzuim zou kunnen ontstaan. Hierdoor is het proces-verbaal op oneigenlijke gronden opgemaakt. Voorts is gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is omdat in strijd met het terughoudend vervolgingsbeleid, opgesteld door het College van Procureurs-Generaal, is gedagvaard. Daarin is bepaald dat alleen tot vervolging wordt overgegaan als ouders motieven aangeven die niet verbonden zijn met hun levensovertuiging. Hiervan is in casu geen sprake en daarnaast heeft de verdachte in de loop van de correspondentie geen enkele aanleiding gegeven om een dergelijke vermoeden van misbruik op te wekken. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie in samenwerking met de leerplichtambtenaar en de gemeente bij de vervolging een onherstelbare vormfout gemaakt omdat de levensovertuiging van de verdachte is vastgelegd in correspondentie onderling en in het proces-verbaal. De officier van justitie verzoekt het Openbaar Ministerie ontvankelijk te verklaren. Zij voert hiertoe aan dat verdachte niet voldoet aan de wettelijke vereisten om voor een vrijstelling in aanmerking te komen. De leerplichtambtenaar heeft daarom een proces-verbaal opgemaakt en het Openbaar Ministerie heeft besloten de zaak voor te leggen aan de kantonrechter. De kantonrechter overweegt als volgt. Ieder kind - dat volgens de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) leerplichtig is - dient ingeschreven te zijn op een school. Vast staat dat het minderjarige kind, [naam], van verdachte niet staat ingeschreven op een school en daarom is er sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging. Ten slotte treft ook het verweer dat de officier van justitie in strijd met het vervolgingsbeleid heeft gehandeld geen doel. Immers, het oordeel over de opportuniteit van vervolging berust bij het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie kan slechts dan niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer zich omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat ten tijde van het instellen van de vervolging zodanig is gehandeld in strijd met algemene beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling in zijn zaak is tekortgedaan. Uit de stukken blijkt dat hiervan geen sprake is en verdachte heeft zijn standpunt ook niet nader toegelicht. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat niet is gehandeld in strijd met algemene beginselen van een behoorlijke procesorde. Het verweer wordt verworpen. Ter zake het verweer dat het Openbaar Ministerie in samenwerking met de leerplichtambtenaar en de gemeente bij de vervolging een onherstelbare vormfout gemaakt, omdat de levensovertuiging van de verdachte is vastgelegd in correspondentie onderling en in het proces-verbaal, is de kantonrechter van oordeel dat dit verweer evenmin doel treft. Niet valt in te zien waarom de officier van justitie hier een vormfout heeft gemaakt die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de officier van justitie kan worden ontvangen in de vordering. 4De beslissing inzake het bewijs De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen en voert hiertoe aan dat hoewel holisme een richting is in de zin van artikel 5 aanhef onder b van de Lpw, de bedenkingen van verdachte niet de richting van het onderwijs betreffen, maar eerder zien op bedenkingen tegen het soort onderwijs. Verdachte heeft zich daarom niet op goede gronden beroepen op de vrijstelling van artikel 5 sub b van de Lpw en aldus is niet van rechtswege een vrijstelling verkregen. Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt dat er schoolbezwaren zijn tegen de richtingen van alle scholen op redelijke afstand van verdachtes woning. Ook heeft verdachte de bezwaren tegen openbaar onderwijs verduidelijkt. Het beroep op artikel 5 sub Lpw is tijdig gedaan en voldoet aan de wettelijke vereisten. De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten. Verdachte is de vader van [naam], geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] en hij heeft het gezag over haar. Op 20 juli 2014 heeft de verdachte een brief gestuurd naar het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Doetinchem, waarin hij kennis geeft op grond van artikel 5 sub b, van de Lpw aanspraak te maken op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van de minderjarige als leerling. De verdachte heeft overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van zijn woning gelegen scholen/instellingen waarop de minderjarige geplaatst zou kunnen worden. De gemeente Doetinchem heeft bij brief van 15 oktober 2014 aan de verdachte kenbaar gemaakt dat zijn beroep niet voldoet aan de eisen van de Lpw. Voorts wordt medegedeeld dat de verdachte binnen twee weken kenbaar dient te maken waar hij zijn kind heeft ingeschreven. Wanneer dit bericht achterwege blijft zal een proces-verbaal worden opgemaakt. Op 14 september 2014 hebben de ouders bij brief een overzicht gegeven van algemene bezwaren tegen de verschillende richtingen van onderwijs. Naar aanleiding van dit bericht heeft de leerplichtambtenaar medegedeeld dat nog onvoldoende antwoord is gegeven op de vraag of hier sprake kan zijn van richtingsbezwaar en de ouders worden uitgenodigd voor een gesprek. In reactie daarop is nog een brief van verdachte ontvangen van 5 oktober 2015 met nog een uitgebreide versie van richtingsbezwaren. Wettelijk kader Voor de beoordeling van het verweer zijn de volgende bepalingen van de Lpw, zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde, van belang. “(…) - Artikel 2, eerste lid: "Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt (...). - Artikel 5, aanhef en onder b: "De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang (...) b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben. - Artikel 6, eerste en tweede lid, Lpw:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.