RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: 14/7945 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. A. van den Os), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Amsterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 3 september 2014 heeft verweerder de vrijwillige verzekering van eiser voor de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 3 maart 2014 beëindigd. Bij besluit van 10 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni
- Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is, eveneens met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 25 juni 2015 en verweerder in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te zenden. Verweerder heeft reacties ingezonden op 29 juni 2015 en 29 juli 2015, eiser heeft op 27 juli 2015 gereageerd. De rechtbank heeft verweerder op 9 september 2015 een aantal nadere vragen gesteld. Verweerder heeft gereageerd op 11 september 2015 en 29 oktober 2015, eiser heeft op 2 oktober 2015 een reactie ingezonden. Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen is het onderzoek gesloten. Overwegingen
- De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is sinds april 1996 bij verweerder vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De voor deze verzekeringen verschuldigde premie werd door verweerder geïnd door middel van een automatische incasso. Met ingang van 20 december 2013 heeft verweerder de mogelijkheid van het betalen van premie door middel van automatische incasso of acceptgirokaart beëindigd. Vanaf deze datum ontvangen de verzekerden maandelijks een overzicht van de verschuldigde premie en zijn de verzekerden vervolgens zelf verantwoordelijk voor tijdige betaling van de premie. Nadat een achterstand in de te betalen premie is ontstaan van ten minste twee maanden heeft verweerder de vrijwillige verzekeringen van eiser met ingang van 3 maart 2014 beëindigd.
- Eiser heeft de volgende gronden aangevoerd: - Verweerder heeft ten onrechte geen telefonisch contact met hem opgenomen naar aanleiding van de premieachterstand en evenmin een aangetekende brief gestuurd. - Verweerder interpreteert de wetsartikelen onjuist, aangezien deze artikelen bedoeld zijn om de verzekering te kunnen beëindigen bij bewuste wanbetaling. Bij eiser is van dit laatste geen sprake. - Door geen automatische incasso meer toe te passen heeft verweerder de problemen in de hand gewerkt. - Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. - Het is onduidelijk welke belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb is gemaakt. - Tot 15 maart 2014 was de polis in verband met ziekte premievrij. Omdat er tot 15 maart 2014 geen premieachterstand was, kan de verzekering niet eerder dan met ingang van 15 maart 2014 worden beëindigd.
- Verweerder heeft met betrekking tot de gronden van het beroep de volgende standpunten ingenomen: - Er zijn diverse herinneringsbrieven gestuurd aan eiser. De gevolgen van het ongeopend wegleggen van brieven komen voor rekening van eiser. - De van toepassing zijnde artikelen 67a, aanhef en onder e van de ZW en 20, aanhef en onder e van de Wet WIA zijn dwingendrechtelijk van aard, zodat verweerder geen discretionaire bevoegdheid toekomt ter zake van de uitoefening van de in die bepalingen gegeven bevoegdheden. - Eiser is er in de maanden oktober tot en met december 2013 schriftelijk op gewezen dat het automatische incassosysteem zal worden verlaten, omdat de premies per maand kunnen wijzigen. - Er is een belangenafweging gemaakt in die zin dat de vrijwillige verzekering met ingang van 3 maart 2014 is beëindigd, terwijl verweerder wel tot 3 september 2014 risico heeft gelopen. - Omdat eiser de premie over de maand maart 2014 niet heeft betaald is de vrijwillige verzekering terecht met ingang van 3 maart 2014 beëindigd. Daarbij komt dat een beëindiging per 3 of 15 maart 2014 materieel geen verschil maakt, omdat er tot 15 maart 2014 geen premie was verschuldigd in verband met ziekte.
- Met de heropeningsbeslissing van 25 juni 2015 heeft de rechtbank verweerder verzocht om door middel van een gespecificeerd overzicht inzichtelijk te maken dat eiser op 3 maart 2014 tenminste twee volle kalendermaanden de verschuldigde premie niet, niet volledig of niet tijdig heeft betaald. Op 29 juni 2015 heeft verweerder bericht dat eiser tot en met 14 maart 2014 vrijgesteld was van het betalen van premie op grond van het feit dat hij ziekengeld ontving. De correctienota over de maand maart 2014, alsmede de nota’s over de maanden april tot en met augustus 2014, zijn door eiser niet betaald. Eiser heeft aldus vanaf 17 maart 2014 geen premie meer betaald. Artikel 67a ZW en artikel 20 Wet WIA verzetten zich volgens verweerder bij een betalingsachterstand van twee maanden niet tegen een beëindiging per een eerdere datum. Beëindiging met ingang van 3 maart 2014 is volgens verweerder niet in het nadeel van eiser, aangezien eiser anders alsnog de premies vanaf 17 maart 2014 zou moeten voldoen. Eiser heeft op 27 juli 2015 laten weten dat hij van mening blijft dat de vrijwillige verzekeringen ten onrechte zijn beëindigd. Bovendien is van zijn zijde direct aangeboden de achterstallige premies alsnog te voldoen op het moment dat hij bekend is geworden met de vordering. Verweerder heeft zijn standpunt bij brief van 29 juli 2015 herhaald en wederom benadrukt dat de artikelen 67a ZW en 20 WIA niet dermate strak zijn geformuleerd dat de beëindiging twee maanden na 17 maart 2014 zou moeten plaatsvinden.
- Op 9 september 2015 heeft de rechtbank verweerder gevraagd of hij bekend is met het aanbod van eiser om de achterstallige premies te voldoen en voorts om zijn standpunt met betrekking van de minder strakke formulering van de betreffende artikelen nader toe te lichten. Verweerder heeft bij brief van 11 september 2015 bericht dat eisers echtgenote drie maal telefonisch contact heeft gehad met verweerder, namelijk op 15 september 2014, 6 oktober 2014 en 10 oktober
- Haar is geadviseerd om bezwaar te maken. Vaststaat dat het eerste telefonische contact pas heeft plaatsgevonden, nadat het primaire besluit op 3 september 2014 was afgegeven. Of er is aangeboden om de achterstallige premies alsnog te betalen is dan niet meer van belang. Uit de gespreksverslagen kan niet worden opgemaakt dat een dergelijk aanbod is gedaan. Met betrekking tot de toepassing van artikel 67a, aanhef en onder onder e ZW en 20, aanhef en onder e Wet WIA hanteert verweerder een klantvriendelijke werkwijze om te voorkomen dat er alsnog premie moet worden betaald. Eiser heeft op 2 oktober 2015 laten weten dat er wel degelijk is aangeboden om de achterstallige premies alsnog te betalen. Hij was er niet van op de hoogte dat de premie niet langer automatisch werd afgeschreven. Verweerder verwees echter direct naar de bezwaarprocedure, zonder op het aanbod in te gaan. Verweerder heeft op 29 oktober 2015 gereageerd dat het beroep op onwetendheid omtrent de staking van de automatische afschrijving faalt, aangezien eiser zelf brieven ongeopend terzijde heeft gelegd. Het alsnog betalen van premies zou in strijd zijn met de verzekeringsgedachte.
- De rechtbank stelt, evenals verweerder, vast dat artikel 67a van de ZW en 20 van de Wet WIA dwingendrechtelijk van aard zijn, zodat verweerder geen discretionaire bevoegdheid toekomt ter zake van de uitoefening van de daarin gegeven bevoegdheden. Uit de door verweerder overgelegde aanmaningsbrieven blijkt dat eiser de verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig heeft betaald, zodat verweerder gehouden was om de vrijwillige verzekeringen te beëindigen. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verweerder is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting jegens eiser. De rechtbank kan zich niet verenigen met het betoog van eiser dat van verweerder een nog verdergaande informatieverstrekking verlangd had mogen worden. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser met het ongeopend terzijde leggen van brieven van verweerder het risico heeft aanvaard niet op de hoogte te geraken van belangrijke post, waaronder de door verweerder gezonden premienota’s en aanmaningen. De vraag of verweerder de vrijwillige verzekeringen op 3 september 2014 met terugwerkende kracht tot 3 maart 2014 heeft kunnen beëindigen beantwoordt de rechtbank evenwel ontkennend. Uit het dossier blijkt dat eiser, na een periode van premievrijstelling op grond van het ontvangen van ziekengeld, met ingang van 17 maart 2014 weer premieplichtig was. Eiser heeft vanaf deze datum, in ieder geval tot en met augustus 2014, geen premie betaald. Uit artikel 67a, aanhef en onder e van de ZW, alsmede artikel 20, aanhef en onder e van de Wet WIA volgt dat de vrijwillige verzekering wordt beëindigd, indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet volledig of niet tijdig wordt betaald. Pas achteraf kan worden vastgesteld of zich een dergelijke situatie voordoet. De eerste datum waarop, uitgaande van twee volle kalendermaanden, de vrijwillige verzekering kan worden beëindigd is zodoende 1 juni
- Beëindiging kan echter niet eerder plaatsvinden dan nadat eiser hiervan in kennis is gesteld. De redactie van de bedoelde onderdelen van de artikelen in geding gaat immers niet uit van een specifieke datum, anders dan enkele andere onderdelen van deze artikelen. De rechtbank leidt hieruit a contrario af dat de hoofdregel van het bestuursrecht van toepassing is op de onderhavige aangelegenheid, welke inhoudt dat een besluit niet eerder in werking mag treden dan na bekendmaking. De vroegste datum voor een dergelijk besluit was, gezien het voorgaande, weliswaar 1 juni 2014 – en zeker niet eerder – maar de rechtbank stelt vast dat in dit geval de besluitvorming door verweerder pas is bekendgemaakt bij beschikking van 3 september 2014, zodat eiser pas op 4 september 2014 bekend was met de beëindiging van de vrijwillige verzekeringen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verweerder de vrijwillige verzekeringen niet eerder dan per 4 september 2014 had mogen beëindigen.
- De rechtbank ziet aanleiding om, gelet op artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de vrijwillige verzekering voor de ZW en de WIA wordt beëindigd met ingang van 4 september
- Het beroep is gegrond. Verweerder zal worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De rechtbank stelt deze kosten vast op een bedrag van € 490 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). De rechtbank bepaalt met inachtneming van artikel 8:74 Awb dat verweerder het griffierecht aan eiseres vergoedt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - herroept het primaire besluit van 3 september 2014, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat deze uitspraak voor het vernietigde besluit in de plaats treedt; - voorziet zelf in de zaak door de einddatum van de vrijwillige verzekeringen voor de ZW en de Wet WIA te bepalen op 4 september 2014; - gelast dat verweerder eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van J. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. De rechtbank Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van J. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.