vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/276278 / HA ZA 15-17 Vonnis van 3 februari 2016 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE GROESBEEK, zetelend te Groesbeek, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaten mrs. T.E.P.A. Lam en A.E. Klomp, beiden te Nijmegen, tegen
(4)tot slot hebben partijen afspraken gemaakt over de door villapark/GGZ te verstrekken zekerheden. U dient aan de gemeente opgave te doen van de zekerheden die u wenst te verstrekken”. 2.16 Bij brief aan de Gemeente van 12 december 2013 heeft GGZ de samenwerkingsovereenkomst (en daarmee samenhangende overeenkomsten) opgezegd, primair op grond van artikel 12.1, subsidiair op grond van artikel 12.3 van de overeenkomst. Zij heeft daarover het volgende geschreven: “(…) Opzegging Zoals vanochtend 12 december 2013 reeds telefonisch besproken (…) informeren wij u door middel van deze brief met teleurstelling over de actuele ontwikkelingen die maken dat GGZ OB/CPH als partij bij de op 24 augustus 2011 met uw gemeente gesloten samenwerkingsovereenkomst heeft moeten besluiten een beroep te doen op primair de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging door opzegging van de overeenkomst (voor zover noodzakelijk met een beroep op artikel 6:265 BW) als bedoeld in artikel 12.1 van bedoelde samenwerkingsovereenkomst dan wel subsidiair de opzeggingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 12.3 van deze samenwerkingsovereenkomst, nu tijdens de nog lopende ontwikkelfase is gebleken van onvoorziene omstandigheden die onder meer maken dat het plan voor GGZ OB/CPH financieel niet haalbaar is. Wij lichten dat als volgt toe (…)”. 2.17 Bij brief van 12 december 2013 heeft Resort naar aanleiding van de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door GGZ aan de Gemeente geschreven dat zij een kans ziet om toch de exploitatie van Zwembad De Lubert per 1 januari 2014 over te nemen, inclusief zwembadpersoneel en inclusief de gevraagde garanties. 2.18 De notaris, aan wie opdracht was verleend de overdracht van de gronden te realiseren en het recht van opstal te vestigen, heeft Resort/CPH uitgenodigd mee te werken aan de overdracht/het vestigen van het recht van opstal. Resort/CPH zijn niet verschenen op het kantoor van de notaris, waarop de notaris een akte van akte non-comparitie heeft opgemaakt die is gedateerd 20 januari 2014. 2.19 De Gemeente heeft niet ingestemd met de opzegging en ook Resort heeft zich tegen de opzegging verzet, waarna overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden. In het kader van dat overleg heeft Resort bij brief van 28 maart 2014 het volgende voorstel aan de Gemeente gedaan: “Gaarne zouden wij met u in overleg treden om onderstaand voorstel met u te bespreken. Op deze manier hopen wij, in bijzijn van GGZ, te komen tot een gezamenlijke oplossing voor de impasse t.a.v. het project Rebalance cq. Zwembad de Lubert, die lijkt te ontstaan. (…) Hierbij willen we (op hoofdlijnen) graag het volgende voorstel neerleggen. 1. VPZH neemt het volledige risico met betrekking tot de zwembadovername op zich. Dit zoals in de bestaande overeenkomst vastgelegd is. 2. De Gemeente betaalt VPZH, als een tekort op de exploitatiebijdrage, jaarlijks een bedrag van circa € 224.000,- exclusief BTW en rente. Dit bedrag wordt jaarlijks voorafgaand aan het lopende jaar voldaan, voor de tijdsduur van een periode van 10 jaar, in plaats van het gehele bedrag in een keer. 3. De gemeente stort, op een geblokkeerde bankrekening van VPZH, een bedrag van € 500.000,- voor ontvlechting/frictiekosten, waarvan 1/10 deel bij aanvang van de overname van het zwembad vrijvalt aan VPZH. Het restant bedrag wordt jaarlijks in gelijke delen vrijgegeven door de Gemeente. Na 10 jaar vervalt de blokkering van deze bankrekening en vervallen daarmee ook alle rechten van de Gemeente op deze rekening van VPZH. 4. De omliggende gronden van het zwembad blijven voorshands in eigendom van de Gemeente. VPZH houdt hierop het voorkeursrecht van aankoop. De wijziging van het bestemmingsplan wordt, bij voorkeur, doorgezet als overeengekomen. 5. GGZ zal na overeenstemming op dit punt geen betrokkenheid meer hebben”. 2.20 Resort heeft dit voorstel toegelicht tijdens een vergadering van het College van burgemeester en wethouders van de Gemeente op 29 april 2014. Tijdens deze vergadering heeft de Gemeente een brief aan Resort overhandigd, waarin de Gemeente het voorstel van Resort heeft afgewezen met, nadat zij had geconstateerd dat GGZ niet langer risicodragend wilde participeren, de volgende motivering: “De brief van Resort (…) kan evenmin op onze instemmende reactie rekenen. Deze voorstelling van zaken strookt niet met het beoogde plan. Resort (…) beschrijft een werkkapitaal van € 2.733.750,00. Zij gaat er aan voorbij dat zij gronden zou afnemen voor afgerond € 850.000,00 en op termijn € 150.000,00. Bovendien kan de bijdrage voor overname personeel € 500.000,00 niet als werkkapitaal gekwalificeerd worden (…) Gezien de gerezen problematiek doen wij het navolgende voorstel. Op korte termijn organiseren wij een raadsbijeenkomst waarin vier opties aan de orde worden gesteld: 1. (in rechte) nakoming verlangen van de gesloten overeenkomsten en een vordering instellen tot vergoeding van de schade die de gemeente sinds 1 januari 2014 lijdt. 2. Sluiting van het Zwembad 3. De exploitatie van het zwembad in gemeentelijk beheer voortzetten 4. De exploitatie van het zwembad (sec) aan resort/COH overdragen”. 2.21 Nadien, bij brief van 26 mei 2014, heeft Resort nog een alternatief ondernemingsplan aan de Gemeente gestuurd, voor de nieuwbouw van 40 hotelkamers. 2.22 Bij brief van 16 juli 2014 heeft de Gemeente dit alternatieve voorstel afgewezen, omdat er “nog te veel open einden en onduidelijkheden” zijn en omdat van de Gemeente een aanzienlijke financiële bijdrage wordt verwacht, waardoor het voor de Gemeente financieel niet meer interessant is het zwembad over te dragen. 2.23 Bij brief aan Resort en GGZ van 15 juli 2014 heeft de Gemeente Resort en GGZ gesommeerd de verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst, het addendum en de personeelsovereenkomst na te komen, bij gebreke waarvan zij deze overeenkomsten buitengerechtelijk ontbindt. 2.24 De Gemeente heeft op 25 september 2014 onder meer besloten het bestemmingsplan “De Lubert” niet vast te stellen, af te zien van een onderzoek naar privatisering van het zwembad en het zwembad in eigen beheer te ontwikkelen tot en te exploiteren als een aantrekkelijke voorziening voor inwoners en toeristen. Tegen dat besluit is Resort opgekomen in rechte. Bij uitspraak van 8 juli 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van Resort echter ongegrond verklaard. 3Het geschil 3.1 De Gemeente heeft, na wijziging van eis, gevorderd: I. te verklaren voor recht dat Resort en GGZ ieder voor zich en tezamen toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, het addendum, en de personeelsovereenkomst; II. te verklaren voor recht dat de Gemeente de overeenkomst, het addendum en de personeelsovereenkomst op goede gronden heeft ontbonden, dan wel deze overeenkomsten alsnog te ontbinden; III. Resort en GGZ hoofdelijk te veroordelen aan de Gemeente te betalen een schadevergoeding van € 2.115.039,--, bestaande uit: exploitatiekosten 2014 € 347.609,-- exploitatiekosten 2015-2023 € 1.824.404,-- herstel achterstallig onderhoud € 765.000,-- regulier onderhoud € 829.890,-- mislopen koopsom omliggende gronden € 993.750,-- advieskosten € 16.625,-- interne kosten (totaal) € 71.511,--, waarop de door de Gemeente als gevolg van de ontbinding bespaarde bijdragen ter grootte van € 2.733.750,-- in mindering strekken. IV. een zodanige beslissing te nemen die uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren en die in het belang is van de Gemeente; V. Resort en GGZ hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten. 3.2 De Gemeente heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat GGZ de samenwerkingsovereenkomst, het addendum en de personeelsovereenkomst (hierna verder gezamenlijk aan te duiden als de overeenkomsten) niet eenzijdig heeft mogen opzeggen, enerzijds omdat GGZ en Resort de overeenkomsten slechts gezamenlijk kunnen opzeggen omdat de prestaties waartoe zij zich hadden verbonden ondeelbaar zijn, en anderzijds omdat het beroep van GGZ op artikel 12.1 van de overeenkomst niet opgaat, omdat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden. Bovendien was Resort na opzegging van de overeenkomsten door GGZ niet bereid de overeenkomsten volledig na te komen. GGZ en Resort zijn dan ook tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomsten. Als gevolg daarvan stelt de Gemeente schade te hebben geleden die door haar is begroot op het gevorderde bedrag. 3.3 Resort en GGZ hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken op gronden die hierna zo nodig aan de orde zullen komen. Zij hebben van hun kant reconventionele vorderingen ingesteld. Resort heeft primair gevorderd: I. voor recht te verklaren dat de Gemeente de overeenkomsten zonder rechtsgrond heeft ontbonden en dat die tussen hen in stand zijn gebleven, II. de Gemeente te gebieden haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten, voor zover deze betrekking hebben op de overname van het zwembad en het zwembadpersoneel, binnen vier weken na datum vonnis jegens Resort na te komen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, III. de Gemeente te gebieden haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten, voor zover deze betrekking hebben op de overname/ontwikkeling van de omliggende gronden, binnen vier weken na datum vonnis jegens Resort na te komen, dan wel met Resort in onderhandeling te treden over een eventuele aanpassing van de voorwaarden van de overeenkomsten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Subsidiair heeft Resort gevorderd: IV. voor recht te verklaren dat de Gemeente de overeenkomsten zonder rechtsgrond heeft ontbonden en dat de Gemeente jegens Resort schadeplichtig is geworden, V. de Gemeente te veroordelen aan Resort te betalen (
- a)€ 6,7 miljoen wegens gederfde winst/rendement voor de eerste tien jaar, (
- b)€ 5,7 miljoen wegens gederfde winst/rendement voor de opvolgende tien jaar, althans de bedragen van € 512.800,-- wegens kosten personeel en € 57.397,36 wegens aan derden betaalde kosten, althans een schadevergoeding nader vast te stellen door een deskundige, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente. Voorwaardelijk, voor het geval wordt geoordeeld dat de Gemeente de overeenkomst heeft ontbonden heeft Resort ten slotte in reconventie gevorderd: VI. de Gemeente te gebieden haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten zowel ter zake van de overname van het zwembad en het zwembadpersoneel als van de overname/ontwikkeling van de omliggende gronden binnen vier weken na datum vonnis jegens Resort onverkort na te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. GGZ heeft, indien en voor zover wordt geoordeeld dat GGZ gehouden is enige schade aan het Resort te vergoeden, in voorwaardelijke reconventie gevorderd: I. te verklaren voor recht dat de Gemeente toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten, in het bijzonder die uit hoofde van de artikelen 10 en 11 van de samenwerkingsovereenkomst, dan wel te verklaren voor recht dat de Gemeente jegens GGZ onrechtmatig heeft gehandeld, II. de Gemeente te veroordelen aan GGZ te betalen een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 3.4. De Gemeente heeft de vorderingen in reconventie gemotiveerd weersproken. Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna zo nodig worden ingegaan.’ 4De beoordeling In conventie 4.1 Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om meerpartijenovereenkomsten in de zin van art. 6:279 BW, waaruit voor alle drie de partijen verbintenissen voortvloeien. Daarbij zou de Gemeente zich inspannen (
- a)de beoogde nieuwbouw planologisch mogelijk te maken door wijziging van het bestemmingsplan, (
- b)gronden ter beschikking te stellen door verkoop daarvan, (
- c)de zwembadvoorziening met personeel ter beschikking te stellen, inclusief de ondergrond en tevens meewerken aan het vestigen van de benodigde rechten van erfpacht en opstal en (
- d)voor de overname van de exploitatie van de zwembadvoorziening een vergoeding betalen, deels in verband met het voorziene exploitatietekort. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de uit de overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen ten aanzien van Resort en GGZ deelbaar of ondeelbaar zijn. Volgens de Gemeente zijn deze overeengekomen prestaties ondeelbaar, zodat Resort en GGZ hoofdelijk, ieder voor het geheel, gehouden zijn tot nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomsten en is opzegging door GGZ zonder medewerking van Resort reeds daarom niet mogelijk. Resort en GGZ hebben dat gemotiveerd betwist. 4.2. Uit de tekst van de overeenkomsten zelf volgt, anders dan de Gemeente kennelijk meent, niet dat het hier gaat om ondeelbare verbintenissen. Het enkele feit dat het Resort en GGZ in de overeenkomsten soms gezamenlijk worden aangeduid als “Het Resort/GGZ” is daarvoor onvoldoende. Bij de beantwoording van de vraag wat de partijen met elkaar zijn overeengekomen is verder, naast de grammaticale uitleg van de overeenkomsten, van belang wat de partijen voorafgaand aan en bij het sluiten van de overeenkomsten met elkaar hebben besproken en wat zij uit de verklaringen en gedragingen van de andere partij hebben mogen afleiden. De volgende omstandigheden zijn daarbij van belang. 4.3. Resort had al langer, ook al voordat GGZ in beeld kwam, de wens haar bestaande recreatieve voorzieningen (appartementen en hotelkamers) uit te breiden. De onderhavige overeenkomsten waren dan ook, zo is ter comparitie gebleken, mede bedoeld om tot die door het Resort gewenste uitbreiding te komen. Ook was duidelijk dat GGZ bereid was om daarin mee te investeren door, na de ontwikkelingsfase, de nieuw gerealiseerde appartementen/hotelkamers van Resort (of van een nog op te richten vennootschap) te gaan huren ter vervanging van haar verouderde te sluiten centrum, zulks ten behoeve van de door haar te verlenen zorg als hiervoor bedoeld, waarbij de klanten van GGZ dan tevens gebruik konden maken van de bij de appartementen en het hotel gelegen voorzieningen, waaronder de zwembadvoorziening. Verder staat vast dat Resort feitelijk de exploitatie van het zwembad gedurende de afgelopen twee jaar heeft verzorgd. Dat alles leidt tot het oordeel dat de in de overeenkomsten neergelegde verplichtingen van “Resort/GGZ” niet kunnen worden gezien als ondeelbare verbintenissen in de door de Gemeente voorgestane zin, maar veeleer als deelbare verplichtingen in die zin, dat daaruit voor ieder van hen in hoofdzaak de volgende rechten en verplichtingen voortvloeien: Resort: (
- e)koopt de door de Gemeente ter beschikking gestelde gronden, (
- f)verkrijgt de zwembadvoorziening in erfpacht en het zwembadpersoneel en zorgt voor de exploitatie van het zwembad, (
- g)pleegt, na wijziging van het bestemmingsplan, nieuwbouw in de vorm van recreatieve eenheden en hotelkamers en verhuurt deze vervolgens (deels) aan GGZ. GGZ: (
- h)denkt (vanuit zorgperspectief) mee over het programma van eisen, (
- i)draagt in de ontwikkelingsfase bij in geld voor bijvoorbeeld architect- en ontwikkelingskosten en (
- j)huurt na de ontwikkelingsfase recreatieve- en hoteleenheden ten behoeve van personen die in aanmerking komen voor een kortdurend verblijf in een CPH. Resort en GGZ hebben zich bij de overeenkomsten tevens gezamenlijk garant gesteld voor de terugbetaling van de door de Gemeente te betalen bijdragen. Kennelijk hebben zij daarmee bedoeld zich conform de hoofdregel van artikel 6:6 BW ieder voor de helft garant te stellen. Duidelijk blijkt immers uit de stukken dat zij zich niet hoofdelijk aansprakelijk hebben willen stellen (als bedoeld in artikel 6:7 BW). Daar is immers expliciet over gesproken, zoals dat blijkt uit het verslag van de op 28 april 2010 gehouden vergadering van de stuurgroep Rebalance, waarin staat dat Resort en GGZ niet akkoord zijn met hoofdelijke aansprakelijkheid (zie hiervoor onder 2.6). 4.4 Uit het voorgaande volgt dat GGZ de overeenkomsten zonder medewerking van Resort kon opzeggen. De vraag is dan of GGZ op 12 december 2013 met recht de samenwerking heeft kunnen opzeggen. 4.5 Voor de beoordeling daarvan is allereerst van belang het bepaalde in artikel 12.1 van de samenwerkingsovereenkomst, waarin staat: “Tussentijdse beëindiging van deze overeenkomst door opzegging of met een beroep op artikel 6:265 BW is niet mogelijk, tenzij deze haar grond vindt in onvoorziene - niet in de overeenkomst verdisconteerde en evenmin voor partijen thans voorziene - omstandigheden, die niet voor rekening van de beëindigende partij komen en die van zo ernstige aard zijn, dat de andere partij(
- en)naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag (mogen) verwachten, terwijl evenmin door wijziging van de overeenkomst aan de in aanmerking te nemen belangen recht worden gedaan”. Aangenomen moet worden dat partijen met dit artikel hebben bedoeld aan te haken bij artikel 6:265 BW. Het gaat er dan om of partijen bij het sluiten van de overeenkomst met deze specifieke omstandigheid rekening hebben gehouden. Daarbij spelen de volgende omstandigheden een rol. Voor of bij het aangaan van de overeenkomsten was voor alle partijen duidelijk dat GGZ voor haar bedrijfsvoering afhankelijk was van overheidsfinanciering. Verder is van belang dat partijen er ten tijde van het aangaan van de overeenkomst op 24 augustus 2011 van uitgingen dat het zorgproduct dat GGZ haar klanten bood en waarop de overeenkomsten mede betrekking hebben - de onder 2.3 bedoelde zorg - verzekerbare zorg betrof. Aangenomen moet worden dat partijen op het moment van het sluiten van het addendum op 12 april 2013, dat uitsluitend is gesloten omdat de oorspronkelijk gekozen (steden-) bouwkundige opzet technisch niet uitvoerbaar bleek, er niet van uitgingen dat deze zorg niet langer verzekerd zou zijn. Partijen wisten toen immers al wel dat GGZ ‘in zwaar weer’ verkeerde en dat er discussie was over de vraag of de bedoelde zorg onder de Zorgverzekeringswet viel en voor vergoeding in aanmerking kwam - wat volgt uit het hiervoor onder 2.9 genoemde memo van 15 november 2012 - maar desondanks zijn alle partijen akkoord gegaan met het addendum. Daarin is niets opgenomen over de mogelijkheid dat de door GGZ (CPH) geboden zorg niet meer verzekerd zou zijn. Dat alles leidt ertoe dat aangenomen moet worden dat partijen zowel bij het sluiten van de overeenkomsten op 24 augustus 2011 als bij het sluiten van het addendum op 12 april 2013 de mogelijkheid van het niet (langer) verzekerd zijn van de bedoelde zorg niet hebben (willen) voorzien. Dat die zorg niet meer verzekerd is volgt uit de hiervoor onder 2.12 genoemde, onweersproken, e-mail van de NZa aan CPH van 13 september 2013. De conclusie is dat er sprake is van een door partijen niet voorziene omstandigheid in de zin van artikel 12.1 van de overeenkomst die van zo ernstige aard is dat de andere partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomsten niet mogen verwachten. Daarbij is van belang dat het hier een omstandigheid betreft die niet voor rekening van GGZ behoort te komen. GGZ kan er immers niets aan doen dat de bedoelde zorg niet langer verzekerd is. Zij voert louter het op dat gebied door de overheid gevoerde beleid uit. Verder is van belang dat, nu de door GGZ geboden zorg geen verzekerbare zorg is, als onweersproken vaststaat dat GGZ niet in staat is aan haar financiële verplichtingen zoals die zijn opgenomen in de overeenkomsten te voldoen. GGZ heeft de overeenkomsten dus met recht en, zoals overwogen, zonder medewerking van Resort, mogen opzeggen/ontbinden. 4.6 De vraag is ten slotte of Resort is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten, zoals de Gemeente heeft gesteld en Resort heeft betwist. Daarvoor is het volgende van belang. 4.7 Als er een partij bij een meerpartijenovereenkomst wegvalt op goede gronden, betekent dat noodzakelijkerwijs dat de overblijvende partijen zullen moeten bezien in hoeverre dat van invloed is op hun relatie en of er nadere afspraken gemaakt moeten worden. Daarover hebben partijen ook met elkaar gesproken en gecorrespondeerd. Resort heeft aangegeven de overeenkomsten te willen nakomen en daarvoor garanties aan de Gemeente te willen bieden, zoals blijkt uit de brief van Resort aan de Gemeente van 12 december 2013, herhaald bij e-mail van 18 december 2013. Bij brieven van 28 maart 2014 en 26 mei 2014 heeft Resort ook concrete voorstellen aan de Gemeente gedaan, zoals die hiervoor onder 2.19 en 2.21 zijn weergegeven. De Gemeente heeft deze voorstellen van de hand gewezen op gronden als hiervoor onder 2.20 en 2.22 vermeld. Ter comparitie heeft de Gemeente hierover nog verklaard dat zij deze voorstellen met name niet wilde accepteren omdat zij, na het wegvallen van GGZ als participerende partij verdere garanties van Resort wilde met het oog op de door de Gemeente te betalen bijdragen. Hoewel de Gemeente de door Resort geboden garanties onvoldoende vond, heeft zij noch in de correspondentie daarover met Resort, noch desgevraagd ter comparitie, concreet aangegeven of kunnen aangeven welke zekerheden zij dan wel van Resort wilde. In die situatie moet worden geoordeeld dat Resort in voldoende mate aan haar hiervoor bedoelde verplichting heeft voldaan door, nadat GGZ zich had teruggetrokken, met de Gemeente nader te bezien wat de (nadere) voorwaarden voor de nakoming van de overeenkomsten zouden moeten zijn. Zo heeft Resort onmiddellijk na de opzegging van de overeenkomst door GGZ bij brief van 12 december 2003 aan de Gemeente geschreven dat zij een kans ziet de exploitatie van het zwembad over te nemen inclusief het zwembadpersoneel en inclusief de gevraagde garanties. Daarna heeft Resort ook nog bij brieven van 28 maart 2014 (mondeling toegelicht op 29 april 2014) en 26 mei 2014 concrete voorstellen aan de Gemeente gedaan om te komen tot een overeenkomst. Zelfs heeft Resort in haar brieven van 12 december 2013 en 26 mei 2014 aangegeven de overeenkomsten zoals die er liggen te willen nakomen. Daartegenover heeft de Gemeente niet mogen volstaan met een weinig concrete reactie zoals hiervoor vermeld. Van een tekortkoming van Resort is dan ook geen sprake. De vorderingen van de Gemeente moeten daarom worden afgewezen. In reconventie 4.8. Voor de beoordeling van de vorderingen in reconventie is mede van belang de inhoud van het ontwerp bestemmingsplan ‘De Lubert’, met name of en in hoeverre “zorg” in dat plan een rol speelt. Nu daarover onduidelijkheid bestaat, wordt de Gemeente, alvorens verder te beslissen, verzocht dit bestemmingsplan in het geding te brengen. In conventie en in reconventie 4.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5De beslissing De rechtbank in reconventie 5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na heden voor het nemen van een akte aan de zijde van de Gemeente waarbij zij het hiervoor onder 4.8 bedoelde bestemmingsplan, zo nodig met een toelichting, in het geding dient te brengen, waarna Resort en GGZ een termijn zal worden gegeven van vier weken voor het nemen van een antwoordakte, in conventie en in reconventie 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.J. van Acht, M.A.M. Vaessen en D.M.I. de Waele en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016. Coll.: ED