RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/780081-15 Datum uitspraak : 22 maart 2016 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], wonende te [adres 1], [woonplaats] Raadsman: A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 maart
- 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
- hij op of omstreeks 27 augustus 2015 te Ede met een ander, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, op of aan de [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het: - (meermalen) met de handen/vuisten slaan tegen het hoofd en/of elders op het lichaam van die [slachtoffer] en/of het (meermalen) schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer];
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 27 augustus 2015 heeft in Ede aan de [adres 2] een vechtpartij plaatsgevonden tussen verdachte en zijn broer [medeverdachte] enerzijds en aangeefster [slachtoffer] anderzijds. Daarbij heeft verdachte aangeefster geschopt. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het feit heeft gepleegd. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak. Zij voert daartoe aan dat uit het dossier niet is vast te stellen dat verdachte en zijn broer samen openlijk geweld hebben gepleegd. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. Van openlijk geweld is sprake bij geweld, gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn waardoor de openbare orde wordt verstoord. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] een schop heeft gegeven. Zijn broer [medeverdachte] heeft als volgt verklaard: “Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] een trap gaf. Ik zag dat [verdachte] haar tegen de zijkant van haar lichaam of bovenbeen trapte. Ik heb [slachtoffer] toen ook een klap gegeven. Ik heb toen ook gegooid met een flesje gevuld met greentea. Ik denk dat ik [slachtoffer] wel geraakt heb met de fles”. Uit bovenstaande verklaringen volgt dat verdachte en zijn broer in vereniging geweld hebben gepleegd tegen [slachtoffer]. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 27 augustus 2015 te Ede met een ander, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, op of aan de [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het: - (meermalen) met de handen/vuisten slaan tegen het hoofd en/of elders op het lichaam van die [slachtoffer] en/of het (meermalen) schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer]; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 5De strafbaarheid van het feit De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte meende dat hij zijn broer moest beschermen toen die werd aangevallen door aangeefster. De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake is van noodweer, nu verdachte samen met zijn broer zelf de confrontatie heeft opgezocht. De rechtbank acht aannemelijk dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake geweest van een ogenblikkelijk wederrechtelijke aanranding door aangeefster van verdachtes broer [medeverdachte] waartegen verdachte zijn broer mocht verdedigen. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn broer naar de flat van aangeefster is gegaan. De broers stonden voor de deur van de flat en er ontstond een scheldpartij met aangeefster en haar echtgenoot. Op een gegeven moment kwam aangeefster naar beneden met een op een honkbalknuppel gelijkende pepermolen, waarmee ze boven haar hoofd zwaaide. Verdachte was bang dat ze zijn broer [medeverdachte] ermee op het hoofd zou slaan en heeft aangeefster toen geschopt. De camerabeelden van de bewakingscamera’s van de flat en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bevestigen dat aangeefster met een op een knuppel gelijkend voorwerp uit het trappenhuis is komen lopen. Op de camerabeelden is ook te zien dat aangeefster dit voorwerp heeft opgeheven. Ook laten de beelden zien dat aangeefster achter [medeverdachte] aanliep met de pepermolen. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank niet dat verdachte en zijn broer deze confrontatie hebben uitgelokt nu zij slechts (ongewapend) voor de flat staand naar aangeefster hebben geschreeuwd. De rechtbank is voorts van oordeel dat de wijze waarop verdachte heeft gehandeld in redelijke verhouding stond tot de wederrechtelijke aanranding door aangeefster. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 6De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar. Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Linschoten (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. M.A. Bijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ON4R015082 (onderzoek Cluedo), gesloten op en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 6 maart
- Verklaring verdachte ter terechtzitting van 6 maart
- Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], p. 227.