vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/300297 / KG ZA 16-143 Vonnis in kort geding van 8 april 2016 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (Openbaar Ministerie), zetelende te Den Haag, eiser, advocaat mr. W. Heemskerk te Den Haag, tegen [gedaagde] , wonende op een geheim adres in Nederland, gedaagde, advocaat mr. S.M. Diekstra te Leiden. Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding d.d. 8 april 2016; de mondelinge behandeling d.d. 8 april 2016; de pleitnota met producties van de Staat; de pleitnota met producties van [gedaagde] . 1.2. In verband met het spoedeisende karakter van de zaak, is op 8 april 2016 uitspraak gedaan door middel van een zogenoemd kop-staart vonnis, waarbij is aangekondigd dat de uitwerking daarvan later zal volgen. Dit vonnis vormt die uitwerking. 2De feiten2.1. Bij het Gerechtshof Amsterdam is het hoger beroep aanhangig in de strafzaak die bekend staat onder de naam "Passage". Deze zaak heeft betrekking op zeven liquidaties en vijf pogingen dan wel voorbereidingshandelingen daartoe. 2.2. In 2014 is het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart met de naam "Vandros". Dit onderzoek richt zich tegen [getuige 1] (hierna te noemen [getuige 1] ), die gezien wordt als opdrachtgever van zes liquidaties en twee pogingen daartoe en die tevens verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie die onder andere het oogmerk heeft tot het plegen van liquidaties. Het "Vandros"-onderzoek richt zich deels op dezelfde strafbare feiten als de "Passage"-strafzaak. 2.3. Op 3 en 4 april 2016 heeft de heer [naam 1] (hierna te noemen [naam 1] ) op zijn website [website] een grote hoeveelheid processen-verbaal met verklaringen uit voornoemde strafrechtelijke onderzoeken geplaatst. Dit betrof verklaringen van [getuige 1] , diens twee zussen en diens ex-vriendin. De betreffende getuigenverklaringen (hierna te noemen de verklaringen) zijn dan wel waren niet openbaar in de zin van toegankelijk voor het publiek. 2.4. Bij vonnis in kort geding van 4 april 2016 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam [naam 1] veroordeeld tot -samengevat- het onmiddellijk verwijderen en gedurende zes maanden verwijderd houden van de verklaringen van zijn website en hem verboden gedurende zes maanden enige informatie uit de onderzoeken "Passage" en "Vandros" openbaar te maken. [naam 1] heeft vervolgens de verklaringen van zijn site verwijderd. 2.5. [gedaagde] exploiteert de website [website 2] . Op 5 april 2016 heeft hij op deze site alle processen-verbaal die aanvankelijk op de website van [naam 1] stonden, geplaatst. Ook heeft hij op deze site verwijzingen geplaatst naar bronnen waar de eerder door [naam 1] openbaar gemaakte informatie te vinden is. 3De vordering 3.1. De staat vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] om onmiddellijk gedurende zes maanden de onder 2.3 genoemde verklaringen van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, zowel rechtstreeks gepubliceerde informatie als via een downloadfunctie, hyperlink of anderszins indirect gepubliceerde informatie, alsmede om elke verwijzing naar een website/internetlocatie waar of via welke deze informatie te vinden is te verwijderen en verwijderd te houden. Ook vordert de Staat [gedaagde] te verbieden om gedurende zes maanden na dit vonnis enige informatie uit de strafrechtelijke onderzoeken "Passage" en "Vandros" op enige website te plaatsen of deze informatie anderszins openbaar te maken of te doen maken, waaronder tevens is begrepen het verwijzen naar een website/internetlocatie waar of via welke deze informatie te vinden is, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2. De Staat legt aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. [gedaagde] heeft om onduidelijke redenen bewust - kennis hebbend van het vonnis tegen [naam 1] - dezelfde informatie op zijn website geplaatst als [naam 1] op diens website had geplaatst. De bestanden zijn op de website gepubliceerd met een eenvoudige downloadfunctie en [gedaagde] heeft daarnaast hyperlinks geplaatst naar een website met een Slowaakse extensie en naar een Facebookpagina. [gedaagde] handelt aldus onrechtmatig jegens het Openbaar Ministerie. In de betreffende zaken zullen naar alle waarschijnlijkheid nog vele getuigen worden gehoord en de strafrechtelijke waarheidsvinding zou ernstig in gevaar (kunnen) komen als potentiële getuigen vóór hun verhoor en de daarin noodzakelijkerwijs te verwachten confrontaties kennis kunnen nemen van de getuigenverklaringen. Daarnaast zou de veiligheid van de betrokken personen in het geding kunnen zijn. 3.3. [gedaagde] heeft tegen de vorderingen verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van de Staat, zodat aan het verweer van [gedaagde] dienaangaande voorbij wordt gegaan. 4.2. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat er van onrechtmatig handelen aan zijn zijde geen sprake is. Volgens [gedaagde] zijn de verklaringen inmiddels wijd verspreid op het internet en breed in de media uitgemeten en is het overnemen en plaatsen van informatie uit openbare bronnen niet onrechtmatig. [gedaagde] stelt ook dat op het moment van de mondelinge behandeling er nog slechts verwijzingen naar de verklaringen op zijn website stonden en dat het enkele doorverwijzen/doorlinken naar andere bronnen niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Hij betwist dat hij de persoon is achter de sites waar naartoe op zijn website wordt verwezen. [gedaagde] beroept zich op het recht van vrije meningsuiting en het recht van informatievergaring en meent met een beroep op deze rechten te mogen handelen zoals hij handelt. 4.3. De in artikel 7 Grondwet en artikel 10 lid 1 EVRM opgenomen vrijheid van meningsuiting, waaronder ook het recht van informatievergaring valt, is een van de fundamenten van onze democratische samenleving. Dit grondrecht is echter niet absoluut en kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. 4.4. Aangezien de vorderingen van de Staat hun grondslag vinden in artikel 6:162 BW, is voldaan aan het vereiste dat het recht waarop de beperking van de vrijheid van meningsuiting rust, voldoende kenbaar is (Hoge Raad 2 mei 2003, NJ 2004, 80). De vraag is vervolgens of de gevorderde beperking noodzakelijk is. Voor het antwoord op deze vraag moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen en dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. 4.5. Vooropgesteld wordt dat de verdachten in de beide strafzaken recht hebben op een eerlijk proces en dat de Staat dit recht dient te beschermen. Dit beginsel van een "fair trial" komt onder meer tot uitdrukking in de regel dat getuigen in een strafproces buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord, zodat zij elkaar niet kunnen beïnvloeden en er een waarheidsgetrouw beeld ontstaat van wat zich precies heeft afgespeeld. Hoewel de voorzieningenrechter niet bekend is met de inhoud van de verklaringen, acht deze het evident dat dit proces van waarheidsvinding -en daarmee het recht op een eerlijk proces- ernstig wordt gefrustreerd indien de getuigenverklaringen van [getuige 1] , diens zussen en diens ex-partner openbaar worden gemaakt. Uit de stellingen van de Staat volgt dat het gaat om zeer uitgebreide, gedetailleerde verklaringen en dat de zussen en ex-partner van [getuige 1] cruciale getuigen betreffen. Kennisname van deze verklaringen door potentiële getuigen kan de waarheidsvinding ernstig bemoeilijken, doordat de herinneringen van deze getuigen hierdoor gekleurd zouden kunnen worden worden. Ook kan het lezen van de verklaringen leiden tot strategische keuzes van potentiële getuigen. Dit leidt er toe dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen afneemt. Nu de beide strafrechtelijke onderzoeken zien op een aanzienlijk aantal ernstige levensdelicten in de Amsterdamse onderwereld, komt de vrees voor de veiligheid van de betrokken getuigen de voorzieningenrechter daarnaast niet ongegrond voor. 4.6. [gedaagde] heeft, zo is ter zitting gebleken, de (verwijzingen naar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.