← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2016:2931

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 05/820218-15 Datum uitspraak : 31 mei 2016 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] . Raadsman: mr. M.C. Molenaar, advocaat te Apeldoorn. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei

  1. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
  2. Primair hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Barchem, gemeente Lochem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), waarmee een landbouwwerktuig, een hooischudder werd voortbewogen, daarmede komende uit de richting van de N312 en gaande in de richting van de N821, daarmee rijdende over de weg, de Lenderiet zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij had waargenomen dat twee fietsers voor hem uit over die weg (de Lenderiet) reden, welke fietsers achter elkaar op het asfalt van die rijbaan bleven rijden en/of terwijl hij wist, althans redelijkerwijze had moeten weten dat gelet op de breedte, te weten ongeveer 2,88 meter van die door hem, verdachte voortbewogen hooischudder en de breedte, te weten ongeveer 3,18 meter van die weg (de Lenderiet), het inhalen van die fietsers niet mogelijk was, althans niet zonder gevaar voor die fietsers kon geschieden, niet met dat door hem, verdachte motorrijtuig (landbouwtrekker) met daaraan gekoppelde hooischudder achter die fietsers is blijven rijden en/of (vervolgens) die fietsers ter linker zijde is gaan inhalen, waarbij hij verdachte niet zover mogelijk naar links is uitgeweken met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (landbouwtrekker)en/of die daaraan gekoppelde hooischudder en/of niet de linker berm en/of de links naast die geasfalteerde rijbaan gelegen gravel/grindstrook heeft benut en/of bij dat inhalen van die fietsers, niet of in onvoldoende mate naar rechts achterom en/of in de rechter buitenspiegel van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) heeft gekeken of is blijven kijken en/of met die hooischudder is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de één van die fietsers (te weten het slachtoffer [slachtoffer] ), ten gevolge waarvan die fietsster ten val is gekomen en/of is overreden door het rechter achterwiel van die hooischudder, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, zulks terijl dit feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte gevaarlijk heeft ingehaald; artikel 175 lid 3 WVW94 althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: Subsidiair hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Barchem, gemeente Lochem, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), waarmee een landbouwwerktuig, een hooischudder werd voortbewogen, daarmede komende uit de richting van de N312 en gaande in de richting van de N821, daarmee de weg, de Lenderiet heeft gereden en terwijl hij had waargenomen dat twee fietsers voor hem uit over die weg (de Lenderiet) reden, welke fietsers achter elkaar op het asfalt van die rijbaan bleven rijden en/of terwijl hij wist, althans redelijkerwijze had moeten weten dat gelet op de breedte, te weten ongeveer 2,88 meter van die door hem, verdachte voortbewogen hooischudder en de breedte, te weten ongeveer 3,18 meter van die weg (de Lenderiet), het inhalen van die fietsers niet mogelijk was, althans niet zonder gevaar voor die fietsers kon geschieden, niet met dat door hem, verdachte motorrijtuig (landbouwtrekker) met daaraan gekoppelde hooischudder achter die fietsers is blijven rijden en/of (vervolgens) die fietsers ter linker zijde is gaan inhalen, waarbij hij verdachte niet zover mogelijk naar links is uitgeweken met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (landbouwtrekker)en/of die daaraan gekoppelde hooischudder en/of niet de linker berm en/of de links naast die geasfalteerde rijbaan gelegen gravel/grindstrook heeft benut en/of bij dat inhalen van die fietsers, niet of in onvoldoende mate naar rechts achterom en/of in de rechter buitenspiegel van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) heeft gekeken of is blijven kijken en/of met die hooischudder is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de één van die fietsers (te weten het slachtoffer [slachtoffer] ), ten gevolge waarvan die fietsster ten val is gekomen en/of is overreden door het rechter achterwiel van die hooischudder, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
  3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 21 juli 2015 heeft er te Barchem, gemeente Lochem, op de Lenderiet, een aanrijding plaatsgevonden tussen een tractor met aanhanger, bestuurd door verdachte, en een fietser. De fietser is door de aanrijding komen te vallen en heeft hierdoor letsel bekomen ten gevolge waarvan zij een aantal dagen na de aanrijding is komen te overlijden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Bovendien heeft de officier van justitie gesteld dat de bij dit feit opgenomen strafverzwaringsgrond, strafbaar gesteld bij artikel 175 lid 3 WVW 1995, eveneens aan verdachte verweten kan worden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft gesteld dat er geen sprake is van grove schuld tijdens de inhaalmanoeuvre, nu verdachte zijn snelheid heeft verlaagd naar 10 kilometer per uur en helemaal links is gaan rijden, met de linker wielen in de berm. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het strafverzwarend deel van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. De raadsman heeft gesteld dat verdachte onvoldoende heeft opgelet bij de inhaalmanoeuvre, doordat hij niet in zijn rechter spiegel heeft gekeken. Er kan derhalve hooguit gesproken worden van aanmerkelijke schuld. Beoordeling door de rechtbank Naar aanleiding van het ongeval heeft er onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse, verder te noemen VOA, waarbij onder andere de verklaringen van betrokkenen worden afgezet tegen de onderzochte situatie op de plaats van het ongeval. In het VOA wordt ingegaan op het begrip profiel vrije ruimte, de ruimte die nodig is voor het elkaar passeren van twee voertuigen. Gesteld wordt dat wanneer er sprake is van een kritisch profiel, het passeren van voertuigen zonder aanpassen net mogelijk is, maar niet zonder gevaar en daardoor ongewenst. Voor de combinatie landbouwvoertuig – fiets is het kritisch profiel berekend op 5 à 5.5 meter. Het wegdek (asfalt) van de Lenderiet was ter plaatse 3.18 meter breed en de gravel/grindstroken aan weerszijde van het asfalt hadden een breedte van 0.80/1 meter. In het gunstigste geval zou er dan een totale breedte van 5.18 meter kunnen ontstaan waarbinnen voertuigen elkaar zouden kunnen passeren. De rechtbank is van oordeel dat uit deze berekeningen geconcludeerd kan worden dat er op de Lenderiet te Barchem derhalve sprake is van een kritisch profiel vrije ruimte en dat er onvoldoende ruimte was voor de tractor met aanhanger om de fietsers op deze weg veilig en zonder aanpassing te kunnen passeren. Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet hoe breed de hooischudder is, maar wel dat deze iets breder is dan de tractor. Verdachte heeft verklaard dat wanneer fietsers op de strook naast de weg fietsen, de weg net breed genoeg is om fietsers daar in te halen met een landbouwvoertuig. Uit deze verklaring concludeert de rechtbank dat verdachte wist dat er niet genoeg ruimte was om veilig in te halen als de fietsers op het asfalt bleven fietsen. Verdachte heeft verklaard dat toen hij de fietsers op ongeveer 10 meter genaderd was zij achter elkaar gingen fietsen. Dit deden zij heel erg langzaam. Verdachte zag dat de fietsers zover op het asfalt bleven fietsen, dat de sturen van de fietsen boven het asfalt bleven. Verdachte heeft verklaard dat hij besloot om de fietsers in te halen. Hij ging daarbij zover mogelijk naar links. Zo ver dat de wielen van de hooischudder nog net niet tegen de bomen kwamen. Hij verklaart dat hij hierbij met de banden van de tractor en de hooischudder in de berm reed. Deze verklaring wordt in het VOA onderzoek weersproken. Onderzoek wijst uit dat er geen bandensporen zijn aangetroffen op de gravel/grind strook, links naast het asfalt, noch in de berm. Op basis hiervan is het vrijwel zeker dat de trekker met hooischudder op het geasfalteerde deel van de weg heeft gereden en niet in de berm. De partner van het slachtoffer, getuige [getuige], heeft verklaard dat hij achter zijn vrouw ging fietsen om de achterop komende bestuurder van de tractor de ruimte te geven om hen in te halen. Toen ze achter elkaar reden, terwijl zij op het asfalt bleven rijden, kwam er langzaam een landbouwtractor voorbij rijden en pas toen die tractor voorbij reed zag [getuige] dat er een landbouwwerktuig aan die tractor gekoppeld zat. Zijn vrouw reed een fietslengte voor hem, ook aan de uiterste rechterzijde van de weg, net als hijzelf. Bij het passeren van met name het apparaat achter de tractor voelde hij zich zeer onzeker, doordat het apparaat heel dicht langs hem heen ging. Voor zijn gevoel was het niet meer dan 20 cm tussen zijn linkerarm en dat apparaat. Hij zag dat zijn vrouw door de hooischudder werd geraakt en dat ze daardoor kwam te vallen. Ze viel daarbij naar links, naar het midden van de weg. Hij zag dat het rechterwiel van de hooischudder over haar heen reed. Hij heeft nog geschreeuwd naar de bestuurder van de tractor, maar die reed door. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het passeren van de fietsers meer in zijn linker spiegel keek, om te voorkomen dat hij een boom zou raken. Hij heeft niet in zijn rechter spiegel gekeken. Omdat hij zo ver mogelijk naar links reed dacht hij dat het wel paste. Nadat hij de fietsers had ingehaald heeft hij niet meer in zijn spiegels gekeken. Hij heeft dus niet meer naar de fietsers gekeken toen hij ze voorbij was en is met een snelheid van ongeveer 40 km per uur weggereden. Het slachtoffer is zeer waarschijnlijk tegen haar linker schouder geraakt door het rechtsvóór gemonteerd breedte bord. Door dit contact is het slachtoffer komen te vallen. Uit het proces-verbaal van onnatuurlijke dood blijkt dat op de rug van het slachtoffer ter hoogte van het linker schouderblad twee duidelijke bloeduitstortingen te zien waren. Volgens de schouwarts is het zeer wel mogelijk dat deze bloeduitstortingen het gevolg zijn van de klap die het slachtoffer mogelijk heeft gekregen van de breedte borden. De overlijdensoorzaak van het slachtoffer is gelegen in het bij het ongeval opgelopen hersen- en nekletsel. Volgens de behandeld IC arts en de schouwarts past een dergelijk letsel bij een plotseling inwerkende kracht op het lichaam, waarbij het hoofd een onnatuurlijke forse achterwaartse en vervolgens voorwaartse beweging maakt. De plotselinge kracht die bovengenoemd breedte bord vermoedelijk op het lichaam heeft gemaakt zou deze beweging van het hoofd veroorzaakt kunnen hebben. Op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld door tijdens de inhaalmanoeuvre onvoldoende te blijven letten op de fietsers. Door de fietsers in te halen op een plek waar dat niet of nauwelijks mogelijk was acht de rechtbank ook bewezen dat sprake is van de strafverzwarende grond als tenlastegelegd bij feit 1 primair. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
  4. Primair hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Barchem, gemeente Lochem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), waarmee een landbouwwerktuig, een hooischudder werd voortbewogen, daarmede komende uit de richting van de N312 en gaande in de richting van de N821, daarmee rijdende over de weg, de Lenderiet zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij had waargenomen dat twee fietsers voor hem uit over die weg (de Lenderiet) reden, welke fietsers achter elkaar op het asfalt van die rijbaan bleven rijden en/of terwijl hij wist, althans redelijkerwijze had moeten weten dat gelet op de breedte, te weten ongeveer 2,88 meter van die door hem, verdachte voortbewogen hooischudder en de breedte, te weten ongeveer 3,18 meter van die weg (de Lenderiet), het inhalen van die fietsers niet mogelijk was, althans niet zonder gevaar voor die fietsers kon geschieden, niet met dat door hem, verdachte motorrijtuig (landbouwtrekker) met daaraan gekoppelde hooischudder achter die fietsers is blijven rijden en/of (vervolgens) die fietsers ter linker zijde is gaan inhalen, waarbij hij verdachte niet zover mogelijk naar links is uitgeweken met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (landbouwtrekker)en/of die daaraan gekoppelde hooischudder en/of niet de linker berm en/of de links naast die geasfalteerde rijbaan gelegen gravel/grindstrook heeft benut en/of bij dat inhalen van die fietsers, niet of in onvoldoende mate naar rechts achterom en/of in de rechter buitenspiegel van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) heeft gekeken of is blijven kijken en/of met die hooischudder is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de één van die fietsers (te weten het slachtoffer [slachtoffer] ), ten gevolge waarvan die fietsster ten val is gekomen en/of is overreden door het rechter achterwiel van die hooischudder, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, zulks terwijl dit feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte gevaarlijk heeft ingehaald. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: Overtreding van artikel 6 WVW 1994 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht er bij de strafmaat rekening mee te houden dat verdachte een blanco strafblad heeft, alsmede dat hij contact heeft gezocht met de nabestaanden van het slachtoffer. Ten aanzien van een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte samen met zijn echtgenote een boerenbedrijf van 58 hectare runt, waarvoor zijn rijbewijs onontbeerlijk is. De raadsman verzoekt de rechtbank in het geval van een ontzegging deze voorwaardelijk op te leggen. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een geheel onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte een aanmerkelijke inschattingsfout heeft gemaakt door met zijn tractor en aanhangend landbouwvoertuig fietsers in te halen terwijl dat eigenlijk niet kon. Met deze inhaalmanoeuvre heeft verdachte, ongewild, groot leed aangericht bij de echtgenoot en de familieleden van het slachtoffer. Ook verdachte zal dit gebeuren de rest van zijn leven met zich meedragen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, ondanks dat hij lange werkdagen maakt op de boerderij, een werkstraf kan uitvoeren. Uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 17 mei 2016, blijkt de rechtbank dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank houdt bij het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen rekening met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor het runnen van zijn bedrijf. Zij zal deze ontzegging derhalve voorwaardelijk opleggen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een werkstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de WVW
  5. 9De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot  een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.  Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 (twaalf) maanden. Bepaalt dat van deze ontzegging 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 mei
  6. Mr. Van den Dungen-Dijkstra en mr. Van Hoof zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015357060, gesloten op 19 augustus 2015 te Borculo en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. VOA, pag. 23 - 55 VOA, pag. 46 en 47 Verklaring verdachte, pag. 12 - 15 Verklaring verdachte, pag. 13 Verklaring verdachte, pag. 13 VOA, pag. 27 VOA, paragraaf 2.5.1, pag. 33 Proces-verbaal getuigenverklaring [getuige] , pag. 18 e.v. Verklaring verdachte, pag. 13 VOA, pag. 29 Proces-verbaal van onnatuurlijke dood, pag. 20 e.v.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.