vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/274129 / HA ZA 14-652 Vonnis van 1 juni 2016 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN (AUTORITEIT CONSUMENT EN MARKT), gevestigd te Den Haag, eiseres, advocaat mr. J.H. van der Weide te 's-Gravenhage, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. M.C. Schepel te 's-Gravenhage. Partijen zullen hierna ACM en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 4 november 2015 de conclusie na tussenvonnis van [gedaagde] de akte na tussenvonnis van ACM de akte uitlating producties van [gedaagde] . 1.2. Daarna is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Evenals in het laatste tussenvonnis zullen de navolgende vennootschappen die deel uitmaken of uitmaakten van het ‘ [gedaagde] -concern’ hierna als volgt worden aangeduid: - Beheermaatschappij [gedaagde] B.V.: Beheermaatschappij - [gedaagde] Bouwgroep, thans [gedaagde] [plaats 1] geheten: [plaats 1] - Aannemersbedrijf [gedaagde] , thans [gedaagde] Bouwgroep geheten: Bouwgroep - [gedaagde] Beheer [plaats 1] B.V.: Beheer [plaats 1] . 2.2. Naar aanleiding van het laatste tussenvonnis heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de rechtbank dat [gedaagde] vanaf 10 februari 2010 - de datum waarop de rechtbank Rotterdam het beroep van [gedaagde] tegen de verschuldigdheid van de boete ongegrond had verklaard - ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat ACM een vordering op de vennootschappen had. 2.3. Hoewel de rechtbank de bevoegdheid heeft om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553), ziet zij in hetgeen [gedaagde] nader heeft aangevoerd geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. De beslissing berust namelijk niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. 2.4. In het laatste tussenvonnis was [gedaagde] verder de gelegenheid gegeven nader te verklaren: a. waarom begin 2012 bij het opstellen van de jaarstukken 2010, ondanks de in het laatste tussenvonnis onder 4.8 genoemde omstandigheden, toch kon worden besloten tot het doen van een dividenduitkering van Beheermaatschappij aan [gedaagde] persoonlijk van € 1.000.000,-- in het boekjaar 2010, b. waarom er in het boekjaar 2011 door [plaats 1] een dividenduitkering van € 1.500.000,-- is gedaan aan Beheer [plaats 1] . In dat verband is voorts aan [gedaagde] gevraagd nader te verklaren wat er met de opbrengst van het Radiuspand is gebeurd. De dividenduitkering van Beheermaatschappij aan [gedaagde] 2.5. [gedaagde] heeft deze dividenduitkering in zijn conclusie na tussenvonnis in de hoofdstukken 7 t/m 16 nader toegelicht. Daarbij heeft hij hetgeen door de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 van het laatste tussenvonnis is overwogen besproken en zijn visie daarop gegeven. Verkort weergegeven behelst deze toelichting het volgende. 2.6. De rekening-courant schuld van [gedaagde] aan Beheermaatschappij in het boekjaar 2010 heeft [gedaagde] in het jaar 2011 gedeeltelijk afgelost. Er resteerde na aflossing een schuld ter grootte van ongeveer het bedrag van de boete. Slechts een deel van de rekening-courant schuld is dus verrekend met de dividenduitkering. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was het verlies van Beheermaatschappij in 2011 van ongeveer € 6.000.000,-- begin 2012 voor [gedaagde] volgens hem niet duidelijk. Het verlies dat door Beheermaatschappij in de op 6 november 2012 vastgestelde jaarrekening 2011 is gepresenteerd, is een verlies dat eerst na de zomer van 2012 daadwerkelijk is ontstaan, hoofdzakelijk als gevolg van het faillissement van Bouwgroep op 9 oktober 2012 en het verlies van het project in [plaats 2] , welk project tegen de verwachting van [gedaagde] in in november 2012 nog niet was verkocht. Vóór die tijd waren er voor het verlies van Beheermaatschappij geen concrete aanwijzingen. Slechts uit een oogpunt van voorzichtigheid en inzicht is genoemd verlies van € 6.000.000,-- toch al in de jaarrekening 2011 verwerkt. Het dividendbesluit is niet begin 2012 maar in november 2011 genomen. Toen was, mede gelet op het voorgaande, nog niet duidelijk dat er een extra liquiditeitsbehoefte was voor het concern. De omstandigheid dat er in april 2012 een ‘nieuw bankarrangement’ is gesloten, is geen aanleiding te veronderstellen dat er financiële problemen waren, omdat het hier slechts het oversluiten van een bestaand kredietarrangement betrof. Begin 2012 was evenmin duidelijk dat Beheermaatschappij [naam] moeite had met de aflossing van de lening aan [plaats 1] (welke lening in feite diende ter financiering van de koopprijs voor Bouwgroep). Weliswaar staat in de jaarrekening van [plaats 1] over 2011 dat is afgesproken dat [naam] niet zou aflossen, maar uiteindelijk heeft [naam] toch afgelost. Dat blijkt uit de jaarrekening van [plaats 1] over 2012. De prestaties van Bouwgroep gaven ook geen aanleiding te veronderstellen dat Bouwgroep financiële problemen had. De omzet was op peil en er werden (behoorlijke) positieve cijfers geschreven. Zelfs was de ABN Amro-bank bereid de bouw van een nieuw eigen kantoor voor Bouwgroep te financieren. Dat waren begin 2012 allemaal betrouwbare en duidelijke signalen om te vertrouwen op de continuïteit van Bouwgroep. Weliswaar duurde de algemene crisis in de bouw- en ontwikkelingssector begin 2012 nog steeds voort, maar concrete vrees voor discontinuïteit van Bouwgroep was er niet en na de dividenduitkering resteerde nog steeds een flinke buffer in het eigen vermogen van Beheermaatschappij van ruim € 2.000.000,-- om tegenvallers op te kunnen vangen. De dividenduitkering van [plaats 1] aan Beheer [plaats 1] 2.7. Ten aanzien van deze dividendbetaling heeft [gedaagde] in zijn conclusie na tussenvonnis, in de hoofdstukken 17 t/m 20, concreet en onder overlegging van de door de rechtbank gevraagde jaarrekeningen van Beheer [plaats 1] over de jaren 2010 t/m 2013 (de producties 14 t/m 17) toegelicht waarom, zoals in het laatste tussenvonnis staat: Beheermaatschappij bij het opstellen van de jaarstukken 2010 (begin 2012; toen dus ook al het Radiuspand was verkocht) kon besluiten tot het doen van de dividenduitkering van € 1.500.000,-- (in het tussenvonnis staat abusievelijk een bedrag van € 1.000.000,--). Daarbij heeft [gedaagde] de in dat verband door de rechtbank in het laatste tussenvonnis in de rechtsoverwegingen 4.10.2 t/m 4.11 geschetste omstandigheden en vermoedens betrokken en uiteengezet dat en waarom deze vermoedens zijns inziens onjuist zijn. Hij heeft er daarbij met name op gewezen dat en waarom de aanname van de rechtbank, dat door Beheermaatschappij een bedrag van € 2.500.000,-- is geleend aan [plaats 1] en dat daarmee de dividenduitkering zou zijn bekostigd, onjuist is. In het kader van de uitleg over deze dividendbetaling heeft [gedaagde] ook (in hoofdstuk 21 van zijn conclusie na tussenvonnis) nader toegelicht wat er met de opbrengst van het Radiuspand is gebeurd. Hij heeft daarover het volgende gesteld. Het Radiuspand, door Beheermaatschappij gekocht op 30 december 2010 voor € 7.700.000,--, is op 27 december 2011 verkocht voor € 7.225.000,--. Het Radiuspand is vervolgens geleverd op 2 januari 2012, op welke datum de koopprijs is betaald. Met die opbrengst is de op het Radiuspand rustende hypothecaire lening van de ING ad € 4.898.812,50 afgelost. Het resterende bedrag van, na aftrek van kosten, € 3.660.687,72 is aan Beheermaatschappij overgemaakt. Onderdeel daarvan was een bedrag van € 1.372.750,-wegens aan de belastingdienst af te dragen omzetbelasting. Ter staving van dat alles heeft [gedaagde] (als productie 18) overgelegd een kopie van de nota van afrekening van de bij het transport betrokken notaris. Het overgebleven bedrag van ruim € 2.000.000,-- is aangewend voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.