RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : [parketnummer] Datum uitspraak : 18 juli 2016 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte 1] geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , wonende te [adres 1] . Raadsman: mr. M.H. Hogeman, advocaat te Zutphen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juli 2016. 1De inhoud van de tenlastelegging Nadat de tenlastelegging is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 september 2014 tot en met 24 november 2014 te Baak, gemeente Bronckhorst, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, althans (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid die van (in totaal) ongeveer 1631 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 1631 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan; art 11 lid 3 Opiumwet art 11 lid 5 Opiumwet art 3 ahf/ond B Opiumwet art 3 ahf/ond C Opiumwet 2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 september 2014 tot en met 24 november 2014 te Baak, gemeente Bronckhorst, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (aan [adres 2] ) heeft weggenomen een of meer hoeveelheid/-heden elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht althans indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt, subsidiair dat hij in of omstreeks de periode van 15 september 2014 tot en met 24 november 2014 te Baak, gemeente Bronkhorst, opzettelijk een electriciteitsmeter, geheel of ten dele toebehorende aan Liander, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; 3. hij op of omstreeks 24 november 2014 te Baak, gemeente Bronckhorst,, een wapen(
- s)van categorie I, onder 1°, te weten een vlindermes en/of twee, althans een of meer stiletto('s), voorhanden heeft gehad; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 13 lid 1 Wet wapens en munitie 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Aanleiding onderzoek Verbalisant, wijkagent van de gemeente Bronkhorst, heeft begin mei 2014 van een buitengewoon opsporingsambtenaar gehoord dat op het dak van [adres 3] , gevestigd aan het [adres 4] te Baak, grote ventilatoren waren gemonteerd. In juli 2014 hoorde verbalisant dat recent ook enkele zakken potgrond bij voormeld adres waren aangetroffen. Deze informatie is doorgegeven aan het onderzoeksteam van de politie Achterhoek West dat zich bezighoudt met de opsporing van hennepkwekerijen. Tussen 27 augustus en 16 september 2014 is de fraudeafdeling van Liander verzocht een zogenaamde netmeting te plaatsen op [adres 4] te Baak. Op 16 september gaf de fraudeafdeling door dat de netmeting positief was. Er was een duidelijke 12-uurs schakeling te zien tussen 06:20 uur en 18:50 uur. Op 24 november 2014 is bij een instap op [adres 4] te Baak achter een afgetimmerde ruimte op een etage in het [adres 5] van verdachte een tweetal ruimtes met in totaal 1631 hennepplanten aangetroffen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de diefstal van elektriciteit nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte stroom heeft ontvreemd. De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 subsidiair en 3 gerekwireerd tot bewezenverklaring. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de diefstal van elektriciteit. Hij heeft hiertoe betoogd dat verdachte heeft verklaard dat de stroom via de meter liep. Dit blijkt ook uit de meterstand. Het door Liander berekende verbruik is aan verdachte in rekening gebracht en door hem betaald. Ter staving heeft de raadsman afrekeningen van de energieleverancier overgelegd over de jaren 2013 tot en met 2015. Ten aanzien van de feiten 1, 2 subsidiair en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 De rechtbank acht dit feit bewezen. Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en bij de politie; - de bevindingen van verbalisanten. Feit 2 De rechtbank acht de diefstal van elektriciteit niet bewezen gelet op de verklaring van verdachte dat alle stroom via de meter is gelopen en gelet op de onderbouwing van zijn verklaring met de door de raadsman overgelegde stukken. Verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Wel acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde bewezen. Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting; - de verklaring van [naam 1] namens Liander N.V.. Feit 3 De rechtbank acht dit feit bewezen. Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en bij de politie; - de bevindingen van verbalisanten. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 september 2014 tot en met 24 november 2014 te Baak, gemeente Bronckhorst, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, althans (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid die van (in totaal) ongeveer 1631 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 1631 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan; 2. subsidiair dat hij in of omstreeks de periode van 15 september 2014 tot en met 24 november 2014 te Baak, gemeente Bronkhorst, opzettelijk een elektriciteitsmeter, geheel of ten dele toebehorende aan Liander, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; 3. hij op of omstreeks 24 november 2014 te Baak, gemeente Bronckhorst, een wapen(
- s)van categorie I, onder 1°, te weten een vlindermes en/of twee, althans een of meer stiletto(’s), voorhanden heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: Medeplegen van opzettelijk in de uitoefening van een beroep op bedrijf handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 2 subsidiair: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken; Feit 3: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur en een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie komt op een lagere eis uit dan de OM-richtlijnen voorschrijven in verband met het feit dat inmiddels bijna twee jaar verlopen zijn sinds de aanhouding van verdachte. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat hij de vrijspraak voor de diefstal van elektriciteit onvoldoende terugziet in de eis van de officier van justitie. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op: - het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 29 april 2016; - een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland van 20 juni 2016. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte samen met een persoon van wie hij de naam niet wenst te noemen in zijn bedrijfspand een hennepkwekerij heeft ingericht en in werking gehad. Hij en zijn mededader hebben hiermee doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Door hun handelen hebben zij bijgedragen aan de instandhouding van het illegale (soft)drugscircuit. Algemeen bekend is dat dergelijke activiteiten plegen te leiden tot nadelige maatschappelijke gevolgen en sociale overlast. Verdachte heeft daarnaast het zegel van de elektriciteitsmeter verbroken en de aansluiting verzwaard. Hiermee heeft niet alleen gezorgd voor schade en hinder voor Liander, maar ook heeft hij gezorgd voor een gevaarlijke situatie. De elektriciteitsmeter voldeed door zijn toedoen niet meer aan de voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen. Tenslotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van verboden messen. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat het gaat om een feit uit 2014. De rechtbank acht een werkstraf van 180 uur passend en geboden. Dit is een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank vindt in de door de officier van justitie gevorderde werkstraf onvoldoende de ernst en omvang van de gepleegde feiten tot uitdrukking gebracht, mede gelet op de Oriëntatiepunten van het LOVS. Om verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke delicten te plegen zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 2 maanden, zoals door de officier van justitie is gevorderd. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen: 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 91 en 350 van het Wetboek van Strafrecht; 3 en 11 van de Opiumwet; 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen; beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. [voorzitter] (voorzitter), mr. [rechter 1] en mr. [rechter 2] , rechters, in tegenwoordigheid van mr. [griffier] , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2016. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: [parketnummer] Fout! De documentvariabele ontbreekt. Uitspraak d.d.: 18 juli 2016 Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 18 juli 2016. Tegenwoordig: mr. [rechter 3] , rechter, mr. , officier van justitie, en , griffier. De rechter doet de zaak uitroepen. De verdachte, [verdachte 2] geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 3] , wonende te [adres 6] , is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De raadsman, mr. M.H. Hogeman, is wel / niet verschenen. De rechter spreekt het vonnis uit en wijst verdachte op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na heden hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen. Waarvan proces-verbaal, Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [slachtoffers] van de politie Oost Nederland, district Achterhoek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2014105029-45, gesloten op 9 maart 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Verklaring van verdachte ter terechtzitting. Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 125-126. Proces-verbaal van bevindingen, p. 37-38. Verklaring van verdachte ter terechtzitting. Proces-verbaal van aangifte door [naam 2] namens Liander N.V., p. 134-135. Verklaring van verdachte ter terechtzitting. Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 195. Proces-verbaal van bevindingen, p. 184 en proces-verbaal van bevindingen, p. 192.