RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 15/7744 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] eiser en/of [eiseres] [eisers] gevestigd te [plaats] eiseres (gemachtigde: [eiser] ) gezamenlijk aangeduid met: eisers en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2015 (primair besluit 1) heeft verweerder de aanvraag voor een vergunning voor het in Nederland invoeren van 2.500 zaden van verschillende cactussoorten uit de Verenigde Staten (hierna aangeduid met: de invoervergunning) afgewezen. Bij besluit van 20 maart 2015 (primair besluit 2) heeft verweerder besloten bestuursdwang zonder voorafgaande last toe te passen en de 2.500 zaden, die zonder invoervergunning binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, bestuursrechtelijk in bewaring te nemen. Bij besluit van 9 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit bij rechtbank Den Haag beroep ingesteld, waarna het beroep is doorgezonden aan rechtbank Gelderland. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2016. [eiser] is ter zitting verschenen. [eiser] was tevens aanwezig in de hoedanigheid van gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mientjes, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna aangeduid met: RVO) te Zwolle. Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat [eiser] zowel in persoon als namens eiseres beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij is de beheerder van [eiseres] , onderdeel van eiseres, dat voor haar de zaden heeft gekocht en de invoervergunning heeft aangevraagd. Uit de gedingstukken, met name de communicatie per e-mail tussen eiser en de RVO, en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat [eiser] namens [eiseres] de aanvraag voor een invoervergunning heeft ingediend, en ook verweerder er vanuit is gegaan dat [eiser] niet in persoon maar namens eiseres de invoervergunning heeft aangevraagd en vervolgens ook in die kwaliteit bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzende beschikking. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] persoonlijk geen belanghebbende is bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat de handhaving van primair besluit 1 betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is zijn beroep ten aanzien van dat onderdeel daarom niet-ontvankelijk. 2. De rechtbank stelt verder vast dat primair besluit 2 is gericht aan eiser [eiser] en dat de bestuursdwang onder hem is uitgeoefend. Hij heeft de zaden zonder invoervergunning in Nederland ingevoerd. Hij was voorts in het bezit van de zaden en verweerder heeft deze onder hem in beslag genomen. Hij heeft vervolgens tegen primair besluit 2 bezwaar gemaakt en beroep ingesteld en kan gelet op het voorgaande in zijn beroep worden ontvangen. Ook eiseres heeft tegen primair besluit 2 bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres belanghebbende bij dat besluit en kan zij eveneens in haar beroep worden ontvangen. 3. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat voor de invoer van de zaden een invoervergunning vereist is. Eisers betwisten dit. 4. Vast staat dat vier soorten zaden van de sclerocactus (hierna aangeduid met: de zaden) zijn ingevoerd. Niet in geschil is dat de zaden uit de [land] komen en dat de cactussoorten waartoe deze zaden behoren in beginsel vallen onder bijlage A van Verordening (EG) nummer 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna aangeduid met: de Basisverordening). Evenmin is in geschil dat de zaden voortkomen uit kunstmatig gekweekte cactussen. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Basisverordening, voor zover hier van belang, mogen specimens van de in bijlage A bij de verordening genoemde soorten slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht als een invoervergunning is voorgelegd. Op grond van het tweede lid van artikel 4 van de Basisverordening is ook voor de in bijlage B genoemde soorten een invoervergunning nodig. In artikel 7, eerste lid - getiteld “In gevangenschap geboren en gefokte of kunstmatig gekweekte specimens” - aanhef en onderdeel a van de Basisverordening is het volgende bepaald: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.