RechtbanK gelderland Team belastingrecht zaaknummer: AWB 16/291 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2016 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiser(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Belastingsamenwerking Rivierenland, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak op bezwaar van verweerder van 19 december 2015 waarbij het verzoek om toekenning van een dwangsom is afgewezen. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli
- Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- Ingevolge artikel 30, negende lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) doet de heffingsambtenaar op een bezwaar dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Het door eiser gemaakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning is op 17 maart 2015 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2015 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen bij brief van 19 mei 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 augustus 2015 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar verweerder zodat opnieuw uitspraak op bezwaar kon worden gedaan. Bij brief van 7 oktober 2015, door verweerder ontvangen op 9 oktober 2015, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft op 19 december 2015 opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij is, voor zover thans van belang, het verzoek om een dwangsom afgewezen omdat voor het eind van het kalenderjaar uitspraak op bezwaar is gedaan.
- Op grond van artikel 7:27 in verbinding met artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan - onder voorwaarden - een dwangsom verschuldigd als niet op tijd op bezwaar wordt beslist. In geschil is of de termijn van artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ is blijven gelden of dat verweerder binnen acht weken na de uitspraak van de rechtbank had dienen te beslissen.
- In een geval als het onderhavige, waarin de rechtbank de uitspraak op bezwaar van verweerder heeft vernietigd en daarbij verweerder heeft opgedragen om, op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, kan de rechtbank op de voet van datzelfde artikel daarbij tevens bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuw te nemen besluit (gedeeltelijk) buiten toepassing blijven en daarbij tevens aan het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nieuw te nemen besluit. Aangezien de rechtbank dit niet heeft gedaan, bestaat er geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke voorschriften en termijnen zoals deze gelden in de bezwaarfase. Dit betekent dat in het geval dat sprake is van een terugwijzing naar verweerder om het bezwaar opnieuw in behandeling te nemen, zonder dat daarbij door de rechter aan verweerder een termijn is gesteld, de wettelijke termijn van artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ van toepassing is. Daarvoor bestaat te meer aanleiding nu de wetgever destijds bewust heeft gekozen voor een beslistermijn die afwijkt van de termijn die is neergelegd in de Awb, om zo rekening te houden met de ‘piekbelasting’ van lagere overheden en de afdoening van bezwaarschriften over het kalenderjaar uit te smeren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 206, nr. 7, pag. 15).
- Nu verweerder aldus binnen de wettelijk gestelde termijn uitspraak op bezwaar heeft gedaan, was hij niet in gebreke en heeft eiser geen recht op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.