RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/840764-15 + 05/861080-13 (tul) Datum uitspraak : 1 augustus 2016 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte 1] geboren op [verdachte 1] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] Raadsman: mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 november 2015, 11 januari 2016 en 18 juli 2016. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 16 juli 2015 te [plaats] , gemeente Rijnwaarden, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 2] , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of (haar zoon) [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het eenmaal en/of meermalen slaan en/of schoppen en/of duwen en/of slaan met een (houten) knuppel, althans hard voorwerp, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad; 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij door het handelen van verdachte (gebruik van de knuppel) lichamelijk letsel is ontstaan bij [slachtoffer 3] . Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft geslagen met een houten knuppel/houten voorwerp. Beoordeling door de rechtbank Aangeefster [aangeefster] heeft bij de politie verklaard dat zij op 16 juli 2015 achter haar woning in [plaats] (gemeente Rijnwaarden) is mishandeld door verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte 2] en [medeverdachte 2] . Zij heeft daarover het volgende verklaard. Aangeefster heeft met verdachte [medeverdachte 2] , haar buurvrouw, geen goede verstandhouding. Op de genoemde dag zijn de ouders van [medeverdachte 2] , zijnde verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] , uit hun auto gestapt en met versnelde pas in aangeefsters richting gelopen. [aangeefster] verklaart dat [verdachte 2] toen een knuppel in zijn hand hield. [medeverdachte 1] pakte aangeefster vast aan haar arm en zij voelde harde klappen op haar hoofd. Zij verklaart op de grond te zijn gevallen en toen meerdere klappen op haar hoofd te hebben gekregen. Haar bril was van haar hoofd gevallen. De zoon van aangeefster [aangeefster] , [voornaam] [slachtoffer 3] , heeft ook aangifte gedaan van mishandeling op 16 juli 2015 achter de woning van zijn moeder te [plaats] door een man en een vrouw, zijnde verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] . Hij heeft daarover het volgende verklaard. Aangever heeft gezien dat verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] uit hun auto stapten en op zijn moeder afliepen en dat [verdachte 2] daarbij een knuppel vasthield. [verdachte 2] sloeg en schopte zijn moeder. Zijn moeder werd daarbij vooral op haar hoofd geslagen. Aangever zag dat [medeverdachte 1] zijn moeder meermalen schopte. Daarop is aangever naar zijn moeder gelopen om haar te helpen. Aangever verklaart dat [verdachte 2] op dat moment met de knuppel op zijn hoofd sloeg en dat hij links op zijn hoofd werd geraakt, waarna hij op de grond viel. Hij verklaart tenslotte dat verdachte [medeverdachte 2] de man en de vrouw heeft geholpen. Het letsel van [slachtoffer 3] is vastgelegd op foto’s. Hierop is zichtbaar dat [slachtoffer 3] een bloedende hoofdwond heeft. Naar aanleiding van de genoemde aangiftes zijn getuigen gehoord. Getuige [getuige 1] verklaart aanwezig te zijn geweest bij de mishandeling op 16 juli 2015. Hij heeft daarover het volgende verklaard. Tussen [medeverdachte 2] en aangeefster [aangeefster] was een woordenwisseling ontstaan. Vervolgens komt een auto de straat in rijden, waar een man en een vrouw uitstappen. De vrouw, verdachte [medeverdachte 1] , en de buurvrouw, verdachte [medeverdachte 2] liepen meteen richting [aangeefster] en hem. [medeverdachte 1] gaf [aangeefster] een schop onder de benen, waarop zij op de grond viel. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sloegen en schopten [aangeefster] . Dan komt de zoon van [aangeefster] , aangever [slachtoffer 3] , aanlopen. De man die uit de auto was gestapt, verdachte [verdachte 2] , slaat [slachtoffer 3] op zijn hoofd met een soort honkbalknuppel, waarop [slachtoffer 3] meteen op de grond valt. [verdachte 2] heeft [aangeefster] daarna ook geschopt en geslagen. [aangeefster] heeft geen geweld gebruikt. Daarnaast is ook getuige [getuige 2] gehoord. Hij verklaart dat hij een hoop geschreeuw hoorde tussen buurvrouw [aangeefster] en andere personen. Hij heeft het begin van de ruzie niet gezien, maar hij verklaart dat hij op een gegeven moment wel ziet dat de vader en moeder van de buurvrouw, zijnde verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] , zich met het handgemeen bemoeiden en dat aangever [slachtoffer 3] het handgemeen probeerde te stoppen. Hij verklaart dat hij zag dat [verdachte 2] een houten staaf in de hand had, waarmee hij [slachtoffer 3] éénmaal op zijn hoofd heeft geslagen, waarop [slachtoffer 3] meteen op de grond viel. Ten slotte is getuige [getuige 3] gehoord. Hij verklaart dat hij de ruzie/het gevecht zelf niet heeft gezien. Hij verklaart wel een man te hebben zien lopen met een stok of tak in de hand. Deze man hoorde volgens hem bij ‘het kamp van de verdachte’. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij [aangeefster] flink heeft geduwd/haar flinke ‘gooien’ heeft gegeven. Verdachte heeft ontkend dat hij [aangeefster] heeft geschopt en dat hij haar en haar zoon [slachtoffer 3] heeft geslagen met een houten knuppel/staaf. De rechtbank overweegt als volgt. Geweld is openlijk als het waarneembaar is voor publiek. Het wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de geweldpleging levert. Hij of zij kan dit doen door zelf één of meer gewelddadige handelingen te verrichten, maar ook door het leveren van een vocale, intellectuele of andere bijdrage aan het (groeps)verband dat het geweld pleegt. Dit kan hij of zij bijvoorbeeld doen door de andere daders aan te moedigen, door mee te doen aan de organisatie van de geweldpleging, door hulpmiddelen aan te reiken of door de daders af te schermen. Op grond van de genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging gericht tegen [aangeefster] , door haar te duwen. Dat verdachte [aangeefster] heeft geslagen met een houten voorwerp kan naar oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, nu de verklaring van [aangeefster] daaromtrent niet door een ander bewijsmiddel wordt ondersteund. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. Naar oordeel van de rechtbank staat op grond van de genoemde bewijsmiddelen echter wel vast dat verdachte [slachtoffer 2] met een houten voorwerp heeft geslagen. Meerdere getuigen hebben verdachte met het voorwerp in de hand gezien dan wel gezien dat hij daarmee [slachtoffer 3] sloeg. Bovendien rijmt dit met het letsel van [slachtoffer 3] . De rechtbank concludeert dat verdachte hiermee deel heeft uitgemaakt van het in groepsverband, namelijk met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] openlijk gepleegde geweld. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 16 juli 2015 te [plaats] , gemeente Rijnwaarden, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 2] , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het eenmaal en/of meermalen slaan en/of schoppen en/of duwen en [slachtoffer 2] /of slaan met een (houten) knuppel, althans hard voorwerp, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dit door hem gepleegde geweld lichamelijk letsel ten gevolge heeft 5De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer(exces) en bepleit dat verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte zijn eigen lijf en dat van een ander, namelijk dat van zijn vrouw en dochter, moest verdedigen tegen de aanval van aangever [slachtoffer 3] , die volgens de verdediging met een mes op hen af kwam, dan wel dat door deze aanval een hevige gemoedsbeweging is ontstaan bij verdachte waardoor hij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet verenigbaar is met een situatie van noodweer, nu niet aannemelijk is geworden dat aangever [slachtoffer 3] met een mes op het gevecht is afgelopen en nu verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht en daarbij een houten voorwerp in zijn handen heeft gehouden, zodat de rechtbank deze verweren afwijst. De feiten zijn daarom strafbaar en verdachte is een strafbare dader, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die zijn strafbaarheid van verdachte uitsluit. 6Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot het verrichten van 240 uren werkstraf, te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekeringstelling doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft ook geëist dat aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden van een contactverbod met aangevers en een locatieverbod, dat ziet op het adres van aangevers, worden verbonden. Ten slotte heeft de officier van justitie geëist dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het aandeel dat slachtoffer [aangeefster] heeft in de op 16 juli 2015 ontstane situatie. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 6 juni 2016. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Bij het huis van zijn dochter is ruzie ontstaan met slachtoffer [aangeefster] , die is uitgemond in een vechtpartij, waar zowel verdachte, zijn vrouw en zijn dochter bij betrokken waren. Slachtoffer [aangeefster] is door verdachte geduwd en slachtoffer [slachtoffer 3] is door verdachte op zijn hoofd geslagen met een houten voorwerp, waardoor bij die [slachtoffer 3] letsel is ontstaan. Hiermee is een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Dit veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en gevoelens van onrust in de maatschappij. In het algemeen geldt als uitgangspunt dat openlijke geweldpleging wordt bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het bewezen verklaarde geweldsfeit een ernstig incident betreft, acht zij in verband met de documentatie van verdachte en diens aandeel in de geweldshandelingen een deels voorwaardelijke werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. De rechtbank acht een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist passend. De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde voorwaarden van een contact- en locatieverbod niet aan verdachte opleggen, omdat naar het oordeel van de rechtbank daarmee niet kan worden voorkomen dat het conflict tussen verdachte en zijn familie en [aangeefster] en haar zoon wordt beslecht. Aan de eis van de dadelijke uitvoerbaarheid wordt dan ook niet meer toegekomen. 6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding voor het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.536,-- door [aangeefster] en een bedrag van € 600,-- door [slachtoffer 3] . Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [aangeefster] en [slachtoffer 3] tot betaling van het bedrag van respectievelijk € 1.536,-- en € 600,-- toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 respectievelijk 12 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft ten slotte verzocht de vorderingen hoofdelijk op te leggen, zodat verdachte niet meer tot vergoeding wordt gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.