← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2016:513

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/820820-14 Datum uitspraak : 25 januari 2016 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] Raadsman: mr. J.F. Schouwenaar, advocaat te Velp. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 januari 2016 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 7 november 2014 te Huissen en/of te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

  1. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Verdachte heeft in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 7 november 2014 in Huissen meermalen cocaïne verstrekt respectievelijk verkocht alsmede cocaïne in haar huis aanwezig gehad. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de rol van verdachte bij het tenlastegelegde feit zodanig summier was dat er geen sprake is van medeplegen. Beoordeling door de rechtbank Het verweer van de raadsman dat geen sprake is van medeplegen wordt door de rechtbank verworpen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat verdachte samenwoonde met medeverdachte [medeverdachte] - haar vriend - en dat zowel verdachte als [medeverdachte] hebben verklaard dat verdachte wist dat [medeverdachte] dealde in cocaïne en dat verdachte in opdracht van [medeverdachte] aan de deur pakketjes cocaïne afgaf en het geld in ontvangst nam. Voorts heeft verdachte verklaard dat dit één of meer keren in de week gebeurde en dat zij ook wel eens de cocaïne afwoog en verpakte, terwijl de klant erop wachtte. Getuige [getuige] heeft hieromtrent verklaard: Als hij dan aan het voetballen was dan kon ik de drugs ophalen bij zijn vriendin. (…) Ik rekende dan ook af bij [naam] . Zij pakte de pakketjes volgens mij uit de slaapkamer. Het kwam niet uit het gedeelte waar ik zat . De rechtbank begrijpt dat verdachte wordt bedoeld met “ [naam] ”. Uit het voorgaande blijkt dat er overleg tussen [medeverdachte] en verdachte plaatsvond over de verkoop van de cocaïne alsmede dat verdachte hierin een actieve rol had. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 7 november 2014 te Huissen en/of te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat gelet op de summiere rol van verdachte de strafeis van de officier van justitie wel erg fors is, en bovendien fors hoger dan het eerdere aanbod aan medeverdachte [medeverdachte] van een geldboete en een taakstraf. De reden voor de Officier van Justitie om het aanbod aan [medeverdachte] niet te handhaven, te weten dat [medeverdachte] daarna de hennepkwekerij is begonnen, geldt bovendien niet voor verdachte. De raadsman bepleit een werkstraf van maximaal 90 uur. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 december
  2. De rechtbank heeft bij de straftoemeting het volgende in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte tezamen met haar vriend in cocaïne heeft gehandeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt. Drugs zorgen maatschappelijk bezien voor veel schade. De mensen die afhankelijk zijn van harddrugs veroorzaken veel overlast en schade om deze drugs te betalen en daarom moet tegen de handel in harddrugs krachtig worden opgetreden. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat zij niet reeds eerder ter zake het aanwezig hebben en/of gedurende een periode dealen van harddrugs is veroordeeld. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovenstaande, voor de afdoening van dit feit een werkstraf van na te noemen duur alsmede een voorwaardelijk gevangenisstraf van 3 maanden op zijn plaats is. De voorwaardelijke straf moet verdachte weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet. . 9De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;  bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald, te weten: - dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; veroordeelt verdachte voorts tot: een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;  beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Bijl (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. J.M.J.M. Doon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari
  3. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0700-2014104039, gesloten op 3 juni 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 157-159; het proces-verbaal van bevindingen p. 31, 33, 35-38; het proces-verbaal van bevindingen p. 78-88; het proces-verbaal verhoor getuige [getuige] p.
  4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 158-159, 162; het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] p.
  5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte p.164-
  6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] p. 101.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.