RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers : 05/900920-10 en 05/740130-16 Datum uitspraak : 3 oktober 2016 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] raadslieden: mr. J. Steenbrink en mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaten te Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 april 2016, 2 mei 2016 en 19 september
(1)jaar het altijd verdacht voor kindermishandeling is. Naar aanleiding hiervan heeft op 4 mei 2010 [naam 2] , arts werkzaam bij het meldpunt Kindermishandeling te Arnhem, aangifte gedaan van mogelijke mishandeling van [slachtoffer]. Na de ziekenhuisopname van [slachtoffer] is door [naam 2] met de ouders een tijdelijk veiligheidsplan opgesteld. Op 27 oktober 2010 heeft getuige [getuige 3] , kinderarts Rijnstate Arnhem, over dit letsel van [slachtoffer] op 15 april 2010 verklaard dat een dergelijke fractuur op de leeftijd van vier maanden slecht spontaan is te verklaren, tenzij wordt aangegeven dat het kind is gevallen of zij met het kind zijn gevallen. De rechtbank overweegt dat een dergelijke val niet aannemelijk is geworden tijdens het onderzoek ter terechtzitting en dat deskundige Bilo heeft verklaard dat hem geen geval bekend is van dergelijk letsel door een val. Op 26 oktober 2010 heeft dr. [getuige 4] , kinderradioloog bij het AMC, de röntgenfoto’s van 15 april 2010 herbeoordeeld. In het desbetreffende verslag wordt geconcludeerd dat sprake was van een dwarse distale femurfractuur links (de rechtbank begrijpt: een volledige breuk in de onderkant van het linker bovenbeentje) en dat een distale femurfractuur op de leeftijd van 4 maanden ‘zeer suspect’ is voor kindermishandeling. Voorts wordt in voornoemd verslag opgemerkt dat ten tijde van de opname nog geen ‘callusvorming’ te zien is, hetgeen in dit verslag leidt tot de conclusie dat deze breuk ‘vrij recent’ is (minder dan twee weken oud). Uit het sectieverslag leidt de rechtbank af dat ‘callusvorming’ pas na circa 15 dagen pleegt te ontstaan. De rechtbank leest in het verslag van 26 oktober 2010 verder dat op een röntgenfoto van het ‘linkerbeen d.d. 22/04/2010’ dezelfde distale femurfractuur te zien is, maar dan met ‘evidente callusvorming ten teken van genezing’. In zijn brief van 10 februari 2011 schrijft kinder-radioloog dr. [getuige 2] over “Femur 22-04-2010” dat sprake is van een “uitgebreide callus vorming, veel te veel voor een fractuur van 7 dagen oud”. De tussenconclusie van de rechtbank op grond van deze informatie luidt dat de beenbreuk op 15 april 2010 ten minste twee weken oud moet zijn geweest. De ouders hebben als mogelijke veroorzaker van deze beenbreuk de kinderdagopvang genoemd, maar de rechtbank acht dit niet geloofwaardig en overweegt het volgende. [slachtoffer] zou op 22 maart 2010 en 26 maart 2010 korte tijd bij wijze van zogenaamde “wendag” op deze kinderdagopvang hebben verbleven. Pas vanaf 1 april 2010 ging [slachtoffer] er regelmatiger naar toe. Het desbetreffende strafrechtelijke onderzoek heeft geen resultaten opgeleverd in dier voege dat niet is gebleken van betrokkenheid van een medewerker van de kinderdagopvang. Ondanks het geuite vermoeden van de ouders dat de beenbreuk bij de kinderdagopvang zou kunnen zijn ontstaan is [slachtoffer] na zijn ontslag uit het ziekenhuis door zijn ouders nog verschillende malen, tot en met 9 juni 2010, naar deze kinderdagopvang gebracht. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de ouders de mogelijkheid, dat [slachtoffer] tijdens zijn verblijf in de kinderopvang mishandeld zou worden, zelf niet serieus hebben genomen. Voorts overweegt de rechtbank dat uit het sectieverslag naar voren komt dat ook in de periode dat [slachtoffer] niet meer in de kinderdagopvang kwam, aan hem ernstige letsels zijn toegebracht. De rechtbank betrekt hierbij nog de verklaring van getuige [getuige 5] dat zij op 30 maart 2010 bij [medeverdachte] op bezoek was en - na een opmerking van [medeverdachte] - heeft gezien dat [slachtoffer] , als hij werd vastgehouden, maar op één beentje wilde staan. Het andere beentje hield hij een beetje gebogen en dat beentje voelde ook dikker. Uit deze verklaring, in samenhang met de eerder genoemde bevindingen van dr. [getuige 4] en dr. [getuige 2] , leidt de rechtbank af dat de breuk in het linker bovenbeentje al moet zijn ontstaan vóór 30 maart
- De mogelijkheid dat deze beenbreuk is ontstaan ten tijde van het op [slachtoffer] passen door familieleden sluit de rechtbank uit, mede omdat verdachte zelf ter terechtzitting heeft verklaard dat telkens na het oppassen niets opvallends aan [slachtoffer] was te zien. Ook overigens biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de mishandelingen werden toegebracht tijdens het oppassen door familieleden. De ouders hebben op 29 juni 2010 tegenover de politie over deze beenbreuk verklaard dat verdachte op 10 april 2010 had gemerkt dat [slachtoffer] zijn linkerbeen niet gebruikte en dat hij huilde bij het verschonen. De rechtbank concludeert echter uit de verklaring van getuige [getuige 5] dat een dergelijke waarneming niet pas op 10 april 2010, maar al op 30 maart 2010 was gedaan. Ook ten aanzien van dit letsel heeft de rechtbank derhalve de overtuiging dat verdachte niet de waarheid heeft gesproken. De rechtbank heeft - mede gelet op haar overtuiging dat verdachte eerder letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, zoals hiervoor overwogen - ook de overtuiging dat verdachte deze beenbreuk opzettelijk heeft veroorzaakt. D. Letsel juli/augustus 2010 Zoals opgemerkt onder “de feiten” beschrijft het sectieverslag (onder A4 en A5) een aantal ‘huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen’, verspreid over het lichaam van [slachtoffer] . De wondouderdom van de letsels aan de rug worden geschat op ‘meerdere dagen oud’. Een brief van een tweetal kinderartsen van het Radboud ziekenhuis van 14 september 2010 bevat de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] zoals die was verkregen via de ouders. Hieruit komt naar voren dat 4 weken voor het overlijden van [slachtoffer] een hematoom op zijn wang zichtbaar was en 2 weken voor het overlijden van [slachtoffer] zijn er vier hematomen op de onderrug ter plaatse van de wervelkolom opgemerkt. Ter zake van deze blauwe plekken op de wang zou verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer] zich tussen de spijlen van de box wilde manoeuvreren . Echter, uit onderzoek is gebleken dat het niet mogelijk is dat [slachtoffer] met zijn hoofdje tussen de spijlen van de box heeft gezeten. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte daarom niet geloofwaardig. Ook de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016 voor de blauwe plekken op de rug van [slachtoffer] , namelijk dat deze zouden zijn ontstaan omdat [slachtoffer] op een speeltje had gelegen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Immers, door deskundige dr. R.A.C. Bilo is deze oorzaak niet waarschijnlijk bevonden. En ter terechtzitting van 26 september 2012 heeft dr. Bilo hierover verklaard dat door het liggen op een speeltje geen blauwe plekken ontstaan tenzij sprake is van zwaar lichaamsgewicht en er lange tijd op het speeltje wordt gelegen. De in het sectieverslag onder A1 beschreven ribbreuken aan de voorzijde van de borstkas zouden minimaal 1 week en mogelijk 2 tot 3 weken voor het overlijden op 29 augustus 2010 zijn ontstaan. De ouders noch andere getuigen uit de omgeving van [slachtoffer] hebben een verklaring voor het ontstaan van de bovengenoemde geconstateerde ribbreuken. Dat geldt ook voor de breuk in het rechter bovenbeen van [slachtoffer] (eveneens beschreven onder A1). Die breuk wordt door de patholoog dr. Soerdjbalie-Maikoe en prof. dr. G.J.R. Maat geschat op ongeveer één tot twee weken voor het overlijden op 29 augustus
- De rechtbank overweegt dat in deze periode (juli/augustus 2010) niet alleen het hiervoor genoemde tijdelijke veiligheidsplan van het meldpunt kindermishandeling ten einde was gekomen, maar ook dat in deze periode [medeverdachte] van dinsdag tot en met vrijdag buitenshuis werkte en dat verdachte thuis bleef en doorgaans op [slachtoffer] paste. De rechtbank is er - mede gelet op haar overtuiging dat verdachte eerder letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, zoals hiervoor overwogen - buiten redelijke twijfel van overtuigd dat verdachte ook de opzettelijke veroorzaker is van deze rib- en botfracturen, evenals van de diverse bloeduitstortingen. E. Dodelijke letsel(s) augustus 2010 De rechtbank gaat ervan uit dat het overlijden van [slachtoffer] op 29 augustus 2010 is veroorzaakt door heftig geweld op de (boven)buik en/of de rug van [slachtoffer] . Immers, de conclusie van het sectieverslag onder punt 7 luidt: "Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , oud 8 maanden en drie weken, werd het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen als gevolg van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de (boven)buik en/of rug. De sectiebevindingen en radiologische bevindingen zijn zeer suspect voor herhaaldelijke kindermishandeling." Deze conclusie van de patholoog is gebaseerd op de volgende sectiebevindingen: B
- De buik was bol; bij openen van de buik werd in de buikholte 110 ml bruin-rood troebel vocht vastgesteld. Er was bloeduitstorting in beide bijnieren (bevestigd met micro-scopisch onderzoek). Er was in het gebied van de bloeduitstorting van de dunne darm (duodenum), een verweekt gebied met perforatie. Het buikvlies was dof en toonde fibrineus beslag, het beeld van een peritonitis oftewel buikvliesontsteking . De organen waren met elkaar verkleefd. Er was uitgebreide versterf (necrose), ontsteking en bloedingen (hemorraghie), met plaatselijk bijmenging van lichaamsvreemd materiaal (imponerend als delen van ontlasting). De datering van deze lesies is op basis van voorhanden literatuur niet met zekerheid aan te geven, doch past macroscopisch goed bij een ouderdom van bijvoorbeeld meerdere uren tot dagen oud . B
- Er was bij sectie een kleine gelokaliseerde, bloeduitstorting aan de buitenzijde van het ruggenmerg op halsniveau. Neuropathologisch onderzoek van de hersenen en het ruggenmerg werd verricht door Dr. B. Kubat in het NFI. [..] De conclusie luidt als volgt: ‘Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont het beeld van globale, kort voor het overlijden opgetreden hypoxie (zuurstoftekort) van het centrale zenuwstelsel. In het gebied van het ruggenmerg worden afwijkingen gezien in de middelste achterstreng, die zeer goed kunnen passen bij een kort voor het overlijden opgetreden prikkeling, mogelijk beschadiging van deze lange baan. [..] Mede gezien het gegeven dat bij de lichaamssectie voornamelijk in het buikgebied letsels werden aangetroffen is het zeer aannemelijk dat de veranderingen in deze lange, sensibele baan eveneens veroorzaakt zijn door geweldsinwerking op de romp.’ De patholoog heeft daarbij nog de volgende interpretatie gegeven: De letsels aan de buik (sub B1) en het ruggenmerg (sub B4) waren bij leven ontstaan en waren het gevolg van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de (boven)buik en/of rug, zoals bijvoorbeeld door heftig slaan, duwen/drukken, stompen kan worden opgeleverd. De letsels hebben geleid tot bloeduitstorting in de vetweefsels/ wand van de dunne darm en dunne darm perforatie met als verwikkeling daarvan buikvliesontsteking (peritonitis), waarmee het intreden van de dood wordt verklaard. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat het dodelijke buikletsel is veroorzaakt door handelingen van de huisarts op 26 augustus
- Immers, deskundige Bilo heeft ter terechtzitting van 26 september 2012 verklaard dat de onderzoekende arts op 26 augustus 2010 bij het desbetreffende onderzoek niet voldoende energetische kracht ontwikkelt om dergelijk letsel te kunnen veroorzaken. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat het dodelijke buikletsel is veroorzaakt door handelingen gepleegd door [naam 3] tijdens het oppassen op 28 augustus
- Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende. Op 28 augustus 2010, een dag voor zijn overlijden, hebben de ouders [slachtoffer] omstreeks 21:30 uur bij de zus van medeverdachte [medeverdachte] , [naam 3] , gebracht omdat zij de verjaardag van medeverdachte [medeverdachte] in de stad wilden vieren. Niet later dan 02:00 uur (29 augustus 2010) hebben de ouders [slachtoffer] weer opgehaald en waren ze weer thuis. De ouders hebben op 29 augustus 2010 verklaard dat [slachtoffer] al ongeveer 10 dagen ziek was; hij at niets, moest overgeven en hij dronk niet. Daarom zijn zij op 26 augustus 2010 met hem naar de huisarts geweest. Zowel [naam 3] als medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat [slachtoffer] al een paar dagen voor de verjaardag op donderdag 26 augustus 2010 ziek was en dat [slachtoffer] moest overgeven. [naam 3] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer] de dinsdag voor de verjaardag van [medeverdachte] heel suf was en gal moest overgeven dat groen van kleur was. Deskundige Bilo heeft ter terechtzitting van 26 september 2012 verklaard dat, gelet op de klinische verschijnselen op 26 augustus 2010, zoals braken, het geweld dat het buikletsel heeft veroorzaakt in een periode van uren tot dagen voor 29 augustus 2010 heeft plaatsgevonden. Ook de deskundige Soerdjbalie-Maikoe heeft verklaard dat het toegebrachte letsel “uren tot dagen” nodig heeft gehad om tot de dood te lijden. Gelet op de verklaringen van de ouders en [naam 3] , in samenhang met de door deskundigen Bilo en Soerdjbalie-Maikoe gegeven verklaringen omtrent het moment van ontstaan van het buikletsel, gaat de rechtbank ervan uit dat het letsel eerder dan 28 augustus 2010 is toegebracht. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard dat [slachtoffer] er normaal uitzag toen de ouders hem kwamen ophalen, alsmede de omstandigheid dat er geen enkel verband te leggen is tussen de eerdere letsels als gevolg van mishandeling en [naam 3] . Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid dat [naam 3] het dodelijke buikletsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht redelijkerwijs worden uitgesloten. In de periode waarin de hiervoor onder D. genoemde dijbeenfractuur, ribbreuken en bloeduitstortingen zijn ontstaan, te weten augustus 2010, was het vooral verdachte die de zorg had over [slachtoffer] . In een telefoongesprek in november 2010 zegt medeverdachte [medeverdachte] tegen haar moeder over de periode van 18 augustus 2010 tot 26 augustus 2010 dat zij als ouders in die periode als enigen verantwoordelijk waren voor de verzorging. Daarbij komt dat in deze periode medeverdachte [medeverdachte] vier dagen in de week werkte en dat verdachte per mei 2010 geen werk meer had en degene was die doorgaans op [slachtoffer] paste. Om die reden neemt de rechtbank geen medeplegen aan. Nu de rechtbank van oordeel is dat het verdachte was die [slachtoffer] in augustus 2010 meermalen opzettelijk heeft mishandeld, is de rechtbank er ook van overtuigd dat het verdachte was die in diezelfde periode opzettelijk de letsels - in voornoemd definitief sectieverslag beschreven onder B1 en B4 - heeft veroorzaakt, welke letsels (gezamenlijk of elk afzonderlijk) hebben geleid tot het overlijden van [slachtoffer] . De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aangetroffen voor, en gaat dus ook niet uit van de mogelijkheid dat verdachte ook de vooropgezette bedoeling had [slachtoffer] lichamelijk letsel toe te brengen en/of van het leven te beroven. Daarom zal verdachte van het onderdeel ‘voorbedachte raad’ worden vrijgesproken. Gelet op de conclusie van de patholoog in het sectieverslag gaat de rechtbank er voorts van uit dat de letsels, zoals beschreven onder B1 en B4, zijn veroorzaakt door dezelfde geweldsinwerking op de romp. De rechtbank acht voor het overige wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hierna onder
- wordt omschreven. Ten aanzien van feit 3 van parketnummer 05/900920-10 Het tenlastegelegde in feit 3 roept de vraag op of en zo ja, in hoeverre verdachte opzettelijk [slachtoffer] in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten. Gelet op de hierboven gemotiveerde bewezenverklaring onder parketnummer 05/740130-16 is buiten redelijke twijfel dat verdachte, wetende dat hij (ernstig) geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] , op de hoogte was van de oorzaak van de letsels bij [slachtoffer] . desondanks heeft hij nagelaten (tijdig) te zorgen voor adequate medische hulp en al helemaal heeft hij naar de overtuiging van de rechtbank nagelaten de ware oorzaken van de letsels bij [slachtoffer] te vermelden. Zelfs na het constateren van de linker dijbeenbreuk in april 2010 en de daaropvolgende aangifte wegens kindermishandeling, heeft verdachte bewust verzuimd melding te maken van de ware oorzaak van het letsel. De rechtbank weegt hierbij mee dat het niet verdachte was, maar diens medeverdachte [medeverdachte] die, op advies van haar moeder, op 15 april 2010 naar de huisartsenpost is gegaan. Voorts neemt de rechtbank nog in aanmerking dat radioloog [getuige 2] het feit dat [slachtoffer] pas op 15 april 2010 via de huisarts naar het ziekenhuis wordt gebracht, verklaart als zogenoemde ‘parent’ delay’ . Niet gebleken is dat verdachte op enig moment enige bijdrage heeft gehad aan die beslissing om naar een arts te gaan. De rechtbank is echter niet overtuigd dat ook het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat verdachte opzettelijk [slachtoffer] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten. Verdachte is immers op 26 augustus 2010 wel meegegaan naar de huisartsenpost omdat [slachtoffer] zo ziek was. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een (te late) poging van verdachte om meer leed te voorkomen. Daarom zal de rechtbank vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid. Voor het overige acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 3 tenlastegelegde, zoals hierna onder
- vermeld. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 05/740130-16 Gelet op de bewezenverklaring van de feiten onder parketnummer 05/900920-10 is de rechtbank met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten zoals ten laste zijn gelegd onder parketnummer 05/740130-
- 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 05/900920-10 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
- dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen, zijn zoontje [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) (telkens) opzettelijk, en/of met voorbedachten rade, heeft mishandeld, hebbende hij en/of zijn mededader(s), op die [slachtoffer] , (telkens) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, (heftig) uitwendig mechanisch (botsend) geweld toegepast, door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of (met kracht) te stoten en/of te knijpen en/of (met kracht) te stompen en/of (met kracht) duwen en/of (met kracht) trekken en/of (met kracht) trekken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten - bloeduitstortingen aan de ledematen en/of aan de behaarde hoofdhuid en/of de hals rechts zijwaarts en/of onder het linker onderooglid en/of de borstkas links en/of de rug rechts en links en/of de linker oorschelp (letsels genoemd onder A5 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of - een breuk van de lange pijpbeen van het linker bovenbeen en/of een breuk van het rechter bovenbeensbot en/of meerdere ribbreuken aan de linker- en rechter voorzijde en/of een kleine breuk van de twaalfde borstwervel (letsels genoemd onder A1 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of - een bloeduitstorting aan de binnenzijde van de schedelhuid midboven (zoals genoemd onder B3 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011).
- dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen, zijn zoontje [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) (telkens) opzettelijk en/of met voorbedachten rade, heeft mishandeld, hebbende hij en/of zijn mededader(s), op die [slachtoffer] , (telkens) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, (heftig) uitwendig mechanisch (botsend) geweld toegepast, door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of (met kracht) te stoten en/of te knijpen en/of (met kracht) te stompen en/of (met kracht) duwen en/of (met kracht) trekken en/of (met kracht) trekken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten - bloeduitstortingen aan de midden bovenbuik en/of hoog bovenbuik en/of midwaarts rug ter hoogte van de wervelkolom (letsels genoemd onder A4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of - een bloeduitstorting in de vetweefsels van de dunne darm en/of vetkapsels van de rechter nier en/of onder de maagrand en/of onder het middenrif rechts en/of in beide bijnieren (letsels genoemd onder B1 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of - een bloeduitstorting aan de buitenzijde van het ruggenmerg op halsniveau (zoals genoemd onder B4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011), terwijl dit feit (de letsels genoemd onder A4 en/of B1 en/of B4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;
- dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen, [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ), zijnde verdachtes zoontje tot wiens onderhoud en/of verzorging verdachte krachtens de wet (art. 1:247 BW) verplicht was, (telkens) opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door die [slachtoffer] de nodige (medische) zorg te onthouden en/of die [slachtoffer] (stelselmatig) te verwaarlozen, terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/900919-10 Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd. Feit 2: mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind . Feit 3: opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens de wet verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten, meermalen gepleegd . 5De strafbaarheid van de feiten onder parketnummer 05/900919-10 De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder de feiten 1 en 2 van parketnummer 05-9009920-10 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 maart
- De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan ernstige mishandeling van zijn zoontje [slachtoffer] . Deze mishandelingen zijn al begonnen toen [slachtoffer] een baby van ongeveer één maand oud was. Uiteindelijk heeft dit geweld zelfs geleid tot het overlijden van [slachtoffer] , op de leeftijd van ruim acht maanden, nog steeds een baby. Verdachte heeft tegen [slachtoffer] herhaaldelijk zodanig heftig uitwendig mechanisch (botsend) geweld toegepast, dat dit vele bloeduitstortingen, gebroken ribben, tweemaal een gebroken bovenbeen en een darmperforatie tot gevolg heeft gehad. Laatstgenoemd letsel heeft uiteindelijk geleid tot de dood van [slachtoffer] . [slachtoffer] , die juist afhankelijk was van verdachte’s zorg en toewijding, moet veel pijn hebben ondervonden in zijn korte leven. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer] de nodige medische zorg onthouden, naar de rechtbank vermoedt om te verheimelijken aan welk geweld hij zijn zoontje heeft blootgesteld. [slachtoffer] was volkomen weerloos tegenover verdachte, die hem als vader juist behoorde te beschermen. Dergelijke feiten roepen hevige gevoelens van afschuw, onbegrip en onrust op, niet alleen in de naaste omgeving van het gezin, maar ook in de samenleving als geheel. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij [slachtoffer] niet alleen het leven heeft ontnomen, maar ook ernstig afbreuk heeft gedaan aan de kwaliteit van dat veel te korte leven. Door zijn geweldshandelingen te blijven ontkennen, heeft verdachte geen inzicht gegeven in een mogelijke oorzaak van zijn handelen. De rechtbank kan daar dus ook geen rekening mee houden. Gelet op de ernst van wat verdachte heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat slechts een vrijheidsstraf van langere duur passende straf is. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de lange tijd die deze strafzaak heeft geduurd. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is geweest van een aantal onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, te weten: er is te lang gewacht met het verstrekken van het definitieve sectieverslag en hiermee is gewacht totdat afluisterapparatuur was geïnstalleerd in de woningen van verdachte en de naaste familie; het pressieverbod jegens medeverdachte [medeverdachte] is geschonden, hetgeen tevens kon doorwerken in de zaak tegen verdachte; een aantal geheimhoudersgesprekken is te laat vernietigd. De rechtbank ziet in deze verzuimen alsmede in het tijdsverloop aanleiding om over te gaan tot een verlaging van de op te leggen straf met twee maanden. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 255, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 05/740130-16 ten laste gelegde feiten. verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) maanden; beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. J. Barrau en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Midden, team Zware Criminaliteit, opgemaakte proces-verbaal, dossier 07TGO10003 (TGO Kruid), gesloten op 2 februari 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, dan wel het doorgenummerde forensische opsporingsdossier, tenzij anders vermeld. Het onderzoeks/relaasproces-verbaal p. 3; het proces-verbaal van bevindingen uitwerken ‘112-melding’, p. 153-158; het proces-verbaal van bevindingen p. 102-103; verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 19 september
- Een schriftelijk bescheid inhoudende een specialistenbericht van 29 augustus 2010 p. 130; proces-verbaal van bevindingen presentatie R.A.C. Bilo p. 328; het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 130 (forensisch opsporingsdossier) . Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 131-132 (forensisch opsporingsdossier). Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 129-130 (forensisch opsporingsdossier). Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 132 (forensisch dossier) Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 192 (forensisch dossier) Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 193 (forensisch dossier) Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 195 (forensisch dossier) Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem in het bijzonder de pagina’s 4, 5, 6, 12, 13, 15 (1e alinea), 17 (laatste alinea), 21, 23 (3e alinea), 27, 30 (2e alinea) en
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p.
- Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem p. 20, laatste alinea. Een schriftelijk bescheid inhoudende tijdlijn vastgesteld letsel p.
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september
- Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem p. 22 (4e alinea). het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] p. 525; een schriftelijk bescheid inhoudende een huisartsenbrief van het ziekenhuis Rijnstate d.d. 3 mei 2010 p.
- Het proces-verbaal van aangifte [naam 2] p. 97 en p.
- Het proces-verbaal van bevindingen horen getuige [getuige 2] p. 1184; het proces-verbaal van bevindingen p. 218-
- Idem verklaring deskundige Bilo: schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem , p. 22 (midden). Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 2] p. 556; het proces-verbaal van bevindingen horen getuige [getuige 2] p. 1184-
- Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] p. 1297; een schriftelijk bescheid inhoudende een emailbericht van [naam 2] , AMK aan [getuige 8] van kinderdagverblijf [naam 4] p. 369; het proces-verbaal van verhoor [naam 2] p.
- Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] p.
- Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 21 onderaan. Schriftelijk bescheid, te weten een verslag d.d. 26-10-10 van dr. [getuige 4] , p. 177-178 (forensisch dossier). Sectieverslag d.d. 28 maart 2011, pag. 129, midden (forensisch dossier). Schriftelijk bescheid, te weten een verslag d.d. 26-10-10 van dr. [getuige 4] , p. 177 midden (forensisch dossier). Schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 10 februari 2011 van dr. [getuige 2] aan dr. Soerdjbalie-Maikoe, p. 179 onderaan (forensisch dossier) Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , kinderarts p. 963; het proces-verbaal van verhoor [naam 5] p.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , p. 180; een schriftelijk bescheid, inhoudende een daglijst van 22 maart 2010, p.
- Het onderzoeks/relaasproces-verbaal dossier TGO Kruid p.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , p.181; het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , p.
- Het proces-verbaal van bevindingen p.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] p. 1051 en
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september
- Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] p. 1295 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] p.
- Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief d.d. 14 september 2010 p.
- Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief d.d. 14 september 2010 p. 943, vierde aandachtspunt. Het proces-verbaal onderzoek spijlen in de box p. 120 . Het proces-verbaal van bevindingen p.
- Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 26 onderaan Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 192 (forensisch dossier). Sectieverslag d.d. 28 maart 2011, p. 129 midden (forensisch dossier). Verklaring verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016; het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p.
- Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 132 (forensisch dossier) Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 130 (forensisch dossier) Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 131 (forensisch dossier) Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 32, één-na-laatste alinea. Het proces-verbaal van verhoor [naam 3] p. 449-450: het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p.
- Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1306-1307; het proces-verbaal van verhoor verdachte p. p.
- Het proces-verbaal van bevindingen p. 115; een schriftelijk bescheid inhoudende verslag huisarts [getuige 11] p.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] p. 446; het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1304-
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] p.
- Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 29,derde alinea. Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 7, midden. Het proces-verbaal betreffende tapgesprekken, p. 1530, bovenaan. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016; het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] p.
- Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 146, midden (forensisch dossier) Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] p. 525-526, 529, ; het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1295, 1305-
- een schriftelijk bescheid inhoudende een brief van kinderradioloog UMC [getuige 2] d.d. 10 februari 2011 p. 181 (forensisch dossier).