vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Nijmegen zaakgegevens 4895795 \ CV EXPL 16-1552 \ 398 uitspraak van Vonnis in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ca’Vera B.V. gevestigd te Nijmegen en kantoorhoudende te Eindhoven eiseres in conventie en verweerster in reconventie in de hoofdzaak eiser in het incident gemachtigde: mr. B.F.H.L. van Campfort tegen [Veehouder] handelende onder de naam Veehandelaar [Veehouder] wonende te [woonplaats] gedaagde in conventie en eiser in reconventie in de hoofdzaak gedaagde in het incident gemachtigde: mr. R.J. Verweij Partijen worden hierna Ca’Vera en [Veehouder] genoemd. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 20 mei 2016 (hierna: het tussenvonnis) - de akte uitlaten en overleggen producties van Ca’Vera van 17 juni 2016 - de akte houdende uitlating van [Veehouder] van 17 juni 2016 - de antwoordakte van Ca’Vera van 15 juli 2016 - de akte houdende uitlating van [Veehouder] van 15 juli 2016. 1.2 Vervolgens is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie 2.1 De kantonrechter blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist. 2.2 Naar aanleiding van de vraag van de kantonrechter of Ca’Vera de door haar gestelde schade voldoende heeft beperkt heeft zij in haar akte van 14 juni 2016 onder meer opgemerkt dat zij civielrechtelijk eerst actie richting [Veehouder] kon ondernemen toen bleek hoe moeilijk juist de verhuur van de woningen was, die “het meest last hadden van de illegale praktijken van [Veehouder] ”. In dat verband heeft zij een brief overgelegd van 21 januari 2016, waarin [Veehouder] door de gemachtigde van Ca’Vera onder meer aansprakelijk wordt gehouden voor de schade bestaande uit de tot dan toe misgelopen huurpenningen van de woningen 8 en 12. In die brief wordt [Veehouder] ook gesommeerd tot verwijdering van de illegale bouwwerken. 2.3 Ca’Vera heeft echter niet duidelijk gemaakt waarom zij niet eerder is overgegaan tot privaatrechtelijke handhaving van de ook tot bescherming van haar belang strekkende norm, volgens welke het niet geoorloofd is te bouwen zonder daartoe vereiste bouwvergunning. Haar stond vanaf het moment dat zij eigenaar werd van het bouwperceel een verbods- of bevelsactie uit onrechtmatige daad ter beschikking, die zo nodig in kort geding kon worden geëffectueerd (HR 18 december 1992, NJ 1994, 139). In de zojuist genoemde uitspraak beschouwt de Hoge Raad de bestuursrechtelijke handhavingsroute - die Ca’Vera begin 2015 insloeg - zelfs als beduidend minder effectief. Ca’Vera hoefde daarmee bovendien niet te wachten tot haar duidelijk werd dat de twee genoemde woningen moeilijker verhuurbaar waren. 2.4 Wel heeft zij gesteld dat zij al vanaf begin 2014 [Veehouder] heeft trachten te bewegen tot verkoop van zijn weiland om op die wijze van de illegale boogloods en overkapping af te komen. [Veehouder] is hierop echter niet ingegaan. Nadat zij eigenaar van het bouwperceel was geworden - ook in 2014 - had zij [Veehouder] er via de burgerlijke rechter toe kunnen dwingen de illegale bouwwerken te verwijderen. De bouwplannen moeten toen immers al duidelijk zijn geweest en dus ook dat er in de onmiddellijke nabijheid van de boogloods en de overkapping zou worden gebouwd. 2.5 De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Ca’Vera de gestelde huurdervingschade, voor zover deze het gevolg is van een aan [Veehouder] toe te rekenen onrechtmatige daad, aan zichzelf heeft te wijten. De kantonrechter merkt de tweede volzin van nummer 37 van de conclusie van antwoord aan een zelfstandig beroep op eigen schuld van Ca’Vera, ook al staat dat er niet met zoveel woorden. Blijkens het kopje boven dat nummer gaat het om de gevorderde schadevergoeding. [Veehouder] stelt in dat verband voorafgaand aan noch gedurende de administratiefrechtelijke procedure door Ca’Vera gesommeerd te zijn tot verwijdering van de bouwwerken. Behalve dat dat impliceert dat [Veehouder] de onrechtmatigheid betwist kan dat evenzeer duiden op een verweer in de sfeer van artikel 6:101 BW. Partijen hebben dat in hun debat na het tussenvonnis beide ook aangenomen. Dat Ca’Vera daar in haar laatste akte nu op terugkomt, doet daar niet aan af en is blijkens het bovenstaande ook onjuist. De in 3.2 onder c en d van het tussenvonnis genoemde schadevergoedingsvorderingen zullen daarom worden afgewezen. In het tussenvonnis (onder 6.11) was al overwogen dat ook de bevelsvorderingen onder a en b niet toewijsbaar zijn. 2.6 In het tussenvonnis is partijen ook de gelegenheid gegeven zich uit te laten over het tijdstip waarop de dennenboompjes door [Veehouder] op voldoende afstand van de grens zijn gezet. [Veehouder] benadrukt nogmaals dat de boompjes, toen ze nog binnen twee meter afstand van de grens stonden, niet hoger reikten dan het hekwerk dat door Ca’Vera tegen de grens is geplaatst, zodat geen sprake is geweest van onrechtmatigheid. Artikel 5:42 lid 3 BW spreekt echter over een scheidsmuur. Blijkens de door partijen overgelegde foto’s is van zo’n muur geen sprake. Het gaat hier immers om een doorzichtige afscheiding, bestaande uit een frame van houten paaltjes met wijdmazig gaas. 2.7 [Veehouder] heeft gesteld dat hij de boompjes in de herfst van 2015 heeft verplaatst. Volgens Ca’Vera is eind januari 2016 door de gemachtigde van [Veehouder] toegezegd dat de boompjes zouden worden verplaatst, hetgeen uiteindelijk tussen 25 februari en 15 april 2016 is geschied. Het antwoord op de vraag wanneer de verplaatsing heeft plaatsgevonden kan echter in het midden blijven. Gelet op het voorgaande moet Ca’Vera ook los daarvan als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt, zodat de vraag of de boompjes ten tijde van de dagvaarding nog te dichtbij stonden voor de proceskostenveroordeling niet van belang is. Ca’Vera zal dus in de kosten van de procedure in conventie worden veroordeeld. 2.8 Gelet op de hierna weer te geven beslissing in reconventie zal in conventie iedere verdere beslissing worden aangehouden. 3De verdere beoordeling in reconventie 3.1 De kantonrechter blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Daarin heeft de kantonrechter, ervan uitgaande dat van Ca’Vera kon worden gevergd dat zij maatregelen nam om erosie op het erf van [Veehouder] door aflopend water als gevolg van de ophoging van haar bouwterrein te voorkomen, aan partijen gevraagd zich uit te laten over de persoon van een te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen over welke maatregelen dan afdoende zijn. In het tussenvonnis is onder 8.1 en 8.2 dus al een oordeel over de onrechtmatigheid van de door toedoen van Ca’Vera veroorzaakte waterimmissie gegeven. Daarbij is aangeknoopt bij de oorzaak (ophogen) en de aard (water) van de immissie en het niet betwiste gevolg ervan op het erf van [Veehouder] (erosie). In zulk een geval mag er naar het oordeel van de kantonrechter van worden uitgegaan dat het ophogen van het terrein door Ca’Vera in beginsel onrechtmatig is, als geen maatregelen zijn getroffen om de immissie tegen te gaan. Dat sluit ook aan bij het eerste lid van de desbetreffende bepaling in het Ontwerp Meijers, waarin ook voor dit soort gevallen een tamelijk vaste norm was vervat (“Tenzij wet of verordening anders bepaalt, mag de eigenaar van een hoger gelegen of die van een lager gelegen erf door werken de loop van over zijn erf stromend water niet wijzigen ten nadele van de eigenaar van het andere erf, tenzij deze in het algemeen belang zulk een wijziging behoort te dulden”). Men zie de toelichting bij artikel 5.4.2, Parlementaire Geschiedenis Boek 5, blz. 180 e.v. Weliswaar is deze regel later vervangen door de open hindernorm van artikel 5:39 BW maar de Memorie van Toelichting heeft daarvoor met name een reden gezocht in het te strakke tweede lid van artikel 5.4.2, dat ging over het brengen van wijzigingen in het grondwaterpeil (zie Parl. Gesch. blz. 183). Over het eerste lid wordt niet meer gezegd dan dat ook hier een relatief gestelde regel tot juistere oplossingen zal leiden dan een stringent geformuleerde verbodsbepaling. Dat doet echter aan de intrinsieke waarde van de in het eerste lid vervatte, in beginsel strakke, regel niet af. 3.2 Ca’Vera heeft vijf vragen geformuleerd, waarvan de eerste vier betrekking hebben op het reeds door de kantonrechter gegeven oordeel omtrent de onrechtmatigheid en het causaal verband. De kantonrechter is niet duidelijk waarom de gemachtigde van Ca’Vera het tussenvonnis op dit onderdeel niet heeft gelezen. 3.3 De vijfde vraag van Ca’Vera is wel ter zake doende: welke maatregelen dient Ca’Vera te nemen om de hinder in voldoende mate tegen te gaan? Als deskundige heeft zij voorgesteld iemand verbonden aan One Expertise B.V. te Tiel, deskundig in bouwkundig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.