vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/308553 / KG ZA 16-430 Vonnis in kort geding van 2 december 2016 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE GELDERLAND, zetelend te Arnhem, eiseres, advocaat mr. D. van Tilborg te Breda, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WILLEMSEN-DE KONING B.V., statutair gevestigd te Velp en kantoorhoudende te Arnhem, gedaagde, advocaat mr. R.F. Feenstra te Ede. Partijen zullen hierna de provincie en Willemsen-De Koning genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de mondelinge behandeling de pleitnota van de provincie de pleitnota van Willemsen-De Koning. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. In augustus 2012 heeft de provincie in een Europese openbare aanbesteding ten behoeve van het taxivervoer op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en openbaar vervoer in de provincie (Aanbesteding Regiotaxi Gelderland 2013-2015 Vervoer), de ‘percelen’ Rivierenland, De Vallei, Stedendriehoek en Achterhoek gegund aan Willemsen-De Koning. Op 14 augustus 2012 hebben de provincie en Willemsen-De Koning vier vervoersovereenkomsten gesloten. 2.2. Nadat Willemsen-De Koning op 1 januari 2013 was gestart met de uitvoering van de opdracht is gebleken dat de in de praktijk gerealiseerde vervoersvolumes sterk achterbleven bij de door de provincie in oktober 2012 opgegeven volumes. 2.3. Op 21 mei 2013 heeft de provincie Willemsen-De Koning een bedrag van € 408.927,00 betaald als voorlopig voorschot, vooruitlopend op de definitieve vaststelling van een compensatiebedrag. Partijen zijn vervolgens met elkaar in overleg getreden, waarna de provincie nog een bedrag van € 335.582,00 aan Willemsen-De Koning heeft betaald. 2.4. Willemsen-De Koning en nog zestien andere vennootschappen behorende tot de Willemsen-De Koninggroep hebben bij pandakte getekend op 1 oktober 2013 respectievelijk 18 september 2013 al hun huidige en toekomstige voorraden en vorderingen aan ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) verpand. Bij pandakte getekend op 29 september 2015 respectievelijk 7 september 2015 hebben Willemsen-De Koning en veertien andere tot de Willemsen-De Koninggroep behorende vennootschappen opnieuw al hun huidige en toekomstige voorraden en vorderingen aan ABN AMRO verpand. 2.5. Willemsen-De Koning heeft bij dagvaarding van 25 november 2013 een bodemprocedure tegen de provincie aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (zaak- en rolnummer C/05/254989 / HA ZA 13-781), en gevorderd dat de provincie een bedrag van € 4.730.150,00 aan schadevergoeding aan haar zou betalen. Tevens heeft zij gevorderd dat de haar opgelegde boetes van € 1.156.600,11 zouden worden terugbetaald en heeft zij een verbod gevorderd tot het opleggen van bepaalde boetes. Hangende de bodemprocedure heeft Willemsen-De Koning bij incidentele vordering een voorschot op de gevorderde schadevergoeding gevorderd. Bij vonnis van 23 april 2014 is deze incidentele vordering afgewezen. 2.6. Willemsen-De Koning heeft de provincie bij brief van 3 juni 2014 gesommeerd binnen 48 uur afdoende tegemoetkomingen te doen, bij gebreke waarvan de dienstverlening voor Regiotaxi Gelderland vanaf 5 juni 2014 zou worden gestaakt. Naar aanleiding hiervan heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden, hetgeen heeft geleid tot het sluiten van een overeenkomst (overbruggingsregeling) door de provincie, Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Taxiservice Gelderland B.V. op 25 juli 2014. Partijen zijn overeengekomen dat de vervoersovereenkomsten per 1 juli 2015 zouden worden beëindigd. De provincie heeft zich, naast het reeds betaalde voorschot van € 1.080.092,99, verbonden om maandelijks een voorschot van € 225.000,00 aan Willemsen-De Koning betaalbaar te stellen en aan Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. te betalen. Tevens is in de overeenkomst vastgelegd dat de betaalde voorschotten, te vermeerderen met wettelijke rente, binnen veertien dagen aan de provincie dienen te worden terugbetaald indien de vorderingen van Willemsen-De Koning door de rechtbank zouden worden afgewezen. Ook is opgenomen dat het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis van de rechtbank de op Willemsen-De Koning rustende betalingsverplichting onverlet laat. De provincie kan de overbruggingsregeling met onmiddellijke ingang beëindigen indien ten aanzien van Willemsen-De Koning, Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. of een dochtervennootschap het faillissement wordt aangevraagd/uitgesproken dan wel indien Willemsen-De Koning tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de vervoersovereenkomsten. Beëindiging van de overeenkomst op een van deze gronden heeft tot gevolg dat Willemsen-De Koning gehouden is om binnen veertien dagen de betaalde voorschotbedragen als onverschuldigd in één keer terug te betalen. 2.7. Na het sluiten van de overbruggingsregeling heeft Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. over de periode juli 2014 tot en met december 2014 maandelijks een factuur à € 225.000,00 aan de Provincie gezonden. De provincie heeft deze facturen voldaan. 2.8. Bij vonnis van 17 december 2014 van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, in de onder 2.5. vermelde bodemprocedure, zijn de vorderingen van Willemsen-De Koning integraal afgewezen. Willemsen-De Koning heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Op 1 december 2016 staat de zaak voor pleidooi gepland bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. 2.9. Bij e-mailbericht van 19 december 2014 aan de provincie heeft Willemsen-De Koning een aantal voorwaarden geformuleerd waaronder zij bereid was het vervoer te continueren, te weten: de provincie continueert de overeengekomen betalingsverplichting en doet afstand van haar recht van verrekening. tot 1 juli 2015 zal Willemsen-De Koning geen ontvangen voorschotten, opgelegde en nog op te leggen boetes terugbetalen, terugbetaling nadien is afhankelijk van een nog overeen te komen betalingsregeling. Indien de provincie niet akkoord zou gaan, zou Willemsen-De Koning gaan onderzoeken welke insolventieprocedure het meeste recht zou doen aan de situatie. 2.10. De provincie heeft naar aanleiding hiervan het standpunt ingenomen dat de gestelde voorwaarden in strijd zijn met de vervoersovereenkomsten en met de overbruggingsregeling. Zij heeft wel aangegeven dat zij bereid was om in januari 2015 met Willemsen-De Koning in overleg te treden, indien daar geen voorwaarden door Willemsen-De Koning aan zouden worden gesteld en indien de continuïteit van het vervoer zou worden gegarandeerd. Omdat Willemsen-De Koning hier niet akkoord mee wilde gaan, heeft de provincie haar in kort geding gedagvaard om een bevel te krijgen dat Willemsen-De Koning de verplichting om vervoersactiviteiten te verrichten zou (blijven) nakomen. De avond voorafgaand aan het geëntameerde kort geding (dat op 23 december 2014 zou plaatsvinden) hebben partijen alsnog een regeling bereikt, zodat het kort geding geen doorgang behoefde te vinden. Onderdeel van die regeling was de toezegging van Willemsen-De Koning om het vervoer tot 1 juli 2015 te continueren en de bereidheid van de provincie om de maand januari 2015 te benutten voor overleg met Willemsen-De Koning in het kader van een verkenning van mogelijkheden ten aanzien van de op Willemsen-De Koning rustende terugbetalingsverplichting als gevolg van het vonnis van 17 december 2014. 2.11. Op 30 december 2014 heeft Willemsen-De Koning de door haar in Willemsen-De Koning Taxiservices B.V., Willemsen-De Koning Taxiservices Utrecht B.V. en Willemsen-De Koning Personenvervoer B.V. gehouden aandelen verkocht aan Willemsen-De Koning Groep B.V. De levering van die aandelen heeft op 15 januari 2015 plaatsgevonden. Op 13 mei 2015 is een addendum bij die overeenkomsten opgesteld, waarin is opgenomen dat partijen zijn overeengekomen dat de artikelen 3.1 en 3.2 van de overeenkomsten worden gewijzigd, in die zin dat de koopprijs niet langer gelijk is aan de intrinsieke waarde van de vennootschap per 1 mei 2015, maar aan de reële waarde van de vennootschap per 1 januari 2015 en zal worden voldaan zodra die reële waarde is bepaald, doch niet later dan op 30 juni 2015. 2.12. Tijdens diverse overleggen in januari 2015 heeft Willemsen-De Koning te kennen gegeven dat zij uitsluitend tot het treffen van een betalingsregeling (inhoudende 40 maandelijkse termijnen van € 25.000,00) bereid is, als de provincie ongeveer € 2.300.000,00 van het totaalbedrag van € 3.300.000,00 (volgens Willemsen-De Koning bestaande uit € 2.430.000,00 dat als voorschot door de provincie is betaald voor de compensatie van verliezen en voor het overige bestaande uit een bedrag, met rente, aan verbeurde boetes wegens het niet nakomen van bepaalde eisen zoals weergegeven in het bestek) kwijtscheldt. Het overleg heeft niet tot een oplossing geleid. 2.13. De heer [afdelingsmanager], afdelingsmanager Uitvoering Werken bij de provincie, heeft bij brief van 29 januari 2015 aan Willemsen-De Koning bericht dat de provincie de maandelijkse bevoorschotting van Willemsen-De Koning per 15 februari 2015 zal stopzetten. 2.14. Bij brief van 5 februari 2015 heeft Willemsen-De Koning de provincie aangezegd dat het regiotaxivervoer per 11 februari 2015 zal worden gestaakt indien niet uiterlijk op 10 februari 2015 door de provincie de schriftelijke toezegging wordt gedaan dat: de maandelijkse bevoorschotting van het vervoer tot 1 juli 2015 zal worden gecontinueerd, tegen finale kwijting wordt ingestemd met een terugbetalingsregeling, waarbij Willemsen-De Koning vanaf 1 juli 2015 in 40 maandelijkse termijnen van € 25.000,00 een bedrag van € 1.000.000,00 terug zal betalen. 2.15. Bij brief van 9 februari 2015 aan mevrouw [X], lid van de Gedeputeerde Staten van de provincie, heeft Willemsen-De Koning voornoemde aanzegging nogmaals herhaald. 2.16. Gedeputeerde Staten hebben in hun vergadering van 10 februari 2015 besloten niet akkoord te gaan met het door Willemsen-De Koning gedane voorstel over een beperkte terugbetalingsregeling. Naar aanleiding van de aankondiging van Willemsen-De Koning om het vervoer te staken, heeft de provincie haar in kort geding gedagvaard. 2.17. Bij kort gedingvonnis van 11 februari 2015 van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, is Willemsen-De Koning bevolen met onmiddellijke ingang de verplichting uit artikel 3.1 van de vervoersovereenkomst, bestaande uit het verrichten van de in het bestek vermelde vervoersactiviteiten, te continueren en te blijven continueren tot 1 juli 2015, een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per perceel voor iedere dag dat zij dit nalaat. 2.18. Bij brief van 12 februari 2015 heeft de provincie Willemsen-De Koning in staat gesteld om de provincie uiterlijk 12 februari 2015 vóór 10:00 uur te berichten dat zij het vonnis van 11 februari 2015 zal respecteren, met ingang van 13 februari 2015 om 06:00 uur het vervoer weer zal starten en dit zal blijven uitvoeren tot 1 juli 2015. Willemsen-De Koning heeft de gevraagde toezegging niet gegeven. Daarop heeft de provincie het kort gedingvonnis van 11 februari 2015 aan Willemsen-De Koning laten betekenen. 2.19. Op 13 februari 2015 heeft de rechtbank Gelderland het faillissement uitgesproken van Willemsen-De Konings dochtervennootschap Taxiservice Gelderland B.V., alsmede van vier dochtervennootschappen van Taxiservice Gelderland B.V., te weten Taxiservices De Achterhoek B.V., Taxiservices De Vallei B.V., Taxiservices Rivierenland B.V. en Taxiservices Stedendriehoek B.V. 2.20. Bij brief van 13 februari 2015 heeft de provincie de vier met Willemsen-De Koning gesloten vervoersovereenkomsten met onmiddellijke ingang ontbonden. Tevens heeft zij Willemsen-De Koning aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de beslissing van Willemsen-De Koning om de verplichtingen uit de vervoersovereenkomsten met ingang van 11 februari 2015 blijvend niet meer na te komen. 2.21. Eveneens bij brief van 13 februari 2015 heeft de provincie de overbruggingsregeling met ingang van 13 februari 2015 beëindigd met een beroep op art. 8 van de overbruggingsregeling (inhoudende dat de betaalde voorschotbedragen in één keer dienen te worden terugbetaald). 2.22. Bij brief van 17 februari 2015 heeft de provincie Willemsen-De Koning verzocht om binnen veertien dagen een bedrag van € 3.106.819,19 aan haar te betalen. 2.23. Willemsen-De Koning is niet tot betaling overgegaan. Bij brief van 3 maart 2015 heeft zij gereageerd op de brieven van de provincie van 13 en 17 februari 2015. 2.24. Op 6 maart 2015 hebben partijen telefonisch overleg gehad teneinde te bezien of zij tot afspraken konden komen. Dat bleek niet het geval. 2.25. Bij brief van 10 maart 2015 heeft Willemsen-De Koning een betalingsregeling voorgesteld, die de provincie bij brief van 11 maart 2015 heeft afgewezen. 2.26. Op 12 maart 2015 heeft de provincie ten laste van Willemsen-De Koning conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN AMRO Bank N.V., [Y] Vastgoed B.V., Willemsen-De Koning Touringcars B.V., Willemsen-De Koning Taxiservices Utrecht B.V., Donau Exploitatie B.V., Willemsen-De Koning Taxiservices B.V. en Willemsen-De Koning Personenvervoer B.V. Eveneens op 12 maart 2015 heeft de provincie ten laste van Willemsen-De Koning Taxiservices B.V. conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN AMRO Bank N.V., Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Groep B.V. Uit de verstrekte derdenverklaringen is gebleken dat er tussen Willemsen-De Koning Taxiservices B.V. en Willemsen-De Koning, tussen Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Taxiservices B.V., tussen Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Personenvervoer B.V. en tussen Willemsen-De Koning en Taxiservices Utrecht B.V. geen rechtsverhouding bestaat uit hoofde waarvan die derden een schuld hebben aan Willemsen-De Koning. Tussen Willemsen-De Koning en Donau Exploitatie B.V. bestaat een rekening courantverhouding van € 405.748,00 en tussen Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Touringcars B.V. een rekening courantverhouding van € 679.075,00, maar deze vorderingen zijn verpand aan ABN AMRO. Bij brief van 9 april 2015 heeft ABN AMRO verklaard dat tussen Willemsen-De Koning en haar een rekening courantovereenkomst bestaat, dat Willemsen-De Koning een bedrag van ruim € 4.200.000,00 is verschuldigd aan ABN AMRO, dat de vorderingen van Willemsen-De Koning op de bank zijn verpand aan de bank en dat de debet- en creditsaldi zijn verrekend op het moment van beslaglegging. 2.27. Bij brief van 13 maart 2015 heeft de provincie Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. gesommeerd om uiterlijk 20 maart 2015 een bedrag van € 2.491.606,35 aan haar te betalen. Dit bedrag betreft de aan Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. betaalde voorschotbedragen, vermeerderd met rente. Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. heeft niet aan deze sommatie voldaan. 2.28. Omdat betaling door Willemsen-De Koning is uitgebleven, heeft de provincie bij dagvaarding van 25 maart 2015 een bodemprocedure tegen Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (zaak- en rolnummer C/05/281022 / HA ZA 15-188) en gevorderd dat Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. en Willemsen-De Koning hoofdelijk worden veroordeeld om een bedrag van € 1.080.092,99 en een bedrag van € 1.350.000,00 (welke bedragen als voorschot door de provincie aan Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. zijn betaald) en Willemsen-De Koning een bedrag van € 608.372,33 (wegens verbeurde boetes) aan de provincie betalen. Tevens heeft de provincie gevorderd om Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de beslissing van Willemsen-De Koning om de verplichtingen uit de vervoersovereenkomsten in de periode 11 februari 2015 tot en met 30 juni 2015 niet langer na te komen, welk bedrag is begroot op € 2.449.435,56, althans nader dient te worden opgemaakt bij staat. In reconventie heeft Willemsen-De Koning gevorderd dat - voor recht wordt verklaard dat de provincie tekort is geschoten in de nakoming van de vervoersovereenkomsten en de provincie uit dien hoofde wordt veroordeeld tot betaling van de geleden en nog te lijden schade begroot op € 3.345.854,00, - voor recht wordt verklaard dat de provincie onrechtmatig heeft gehandeld jegens Willemsen-De Koning en de provincie uit dien hoofde wordt veroordeeld tot betaling van de geleden en nog te lijden schade nader op te maken bij staat, - de rechtbank de vervoersovereenkomsten met terugwerkende kracht vernietigt op grond van dwaling en de provincie wordt veroordeeld tot betaling van de werkelijke waarde van de door Willemsen-De Koning reeds geleverde prestaties ten bedrage van € 1.894.065,00, - voor recht wordt verklaard dat uit de redelijk en billijkheid voortvloeit dat de provincie is gehouden de nadelige financiële gevolgen als gevolg van het tegenvallende vervoersvolume te neutraliseren, - voor recht wordt verklaard dat de provincie is gehouden tot het in overleg treden met Willemsen-De Koning op grond van de afspraken zoals vastgelegd in het bestek en de vervoersovereenkomsten nu zich een negatieve afwijking van meer dan 20% heeft voorgedaan, voor recht wordt verklaard dat de boetes voor het overtreden van de duurzaamheidsverplichting onterecht zijn opgelegd en de provincie wordt veroordeeld tot betaling van € 23.088,00, - voor recht wordt verklaard dat de boetes voor het niet behalen van de servicegraad onterecht zijn opgelegd en de provincie wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.108.663,42 en - voor recht wordt verklaard dat de boetes voor 644 gegrond verklaarde klachten onterecht zijn opgelegd en de provincie wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 64.400,00. 2.29. Hangende die bodemprocedure heeft de provincie bij incidentele vordering ex artikel 843a Rv gevorderd dat Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Taxiservices B.V. afschriften verstrekken van, althans inzage geven in onder meer notariële aktes tot levering van aandelen in Willemsen-De Koning Taxiservices Utrecht B.V., in Willemsen-De Koning Personenvervoer B.V. en in Willemsen-De Koning Taxiservices B.V. door Willemsen-De Koning, alsook in de bijbehorende overeenkomsten tot koop en verkoop van die aandelen, en een pagina uit de jaarrekeningen van Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Groep B.V. over 2014. De rechtbank heeft bij vonnis van 9 september 2015 het volgende overwogen en beslist: 3.1. Wil een vordering ex art. 843a Rv toewijsbaar zijn, dan moet zij zich in ieder geval richten op ‘bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij (degene die de vordering instelt, de rechtbank) of zijn rechtsvoorgangers partij zijn’. 3.2. De vraag is allereerst of er sprake is van een rechtsbetrekking waarbij de Provincie Gelderland partij is. Aan deze eis is volgens de Provincie Gelderland reeds voldaan als de bescheiden relevant zijn voor de beoordeling van het geschil met het oog waarop verstrekking ervan wordt gevorderd. Deze opvatting acht de rechtbank met verweerders te ruim, maar hun stelling, die erop neer komt dat de rechtsbetrekking een overeenkomst zou moeten zijn waarbij de Provincie Gelderland partij is, is te eng. 3.3. Ook de verbintenis uit onrechtmatige daad – en dat is uiteindelijk waar de Provincie Gelderland zich hier op beroept – kan echter een rechtsbetrekking zijn in de zin van art. 843a Rv, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis van het artikel (Parlementaire Geschiedenis Herziening van het Burgerlijk Procesrecht (…), Deventer, 2002, p. 554, aangehaald bij de verduidelijking van art. 843a Rv met de woorden ‘Onder “een rechtsbetrekking” worden alle burgerrechtelijke betrekkingen tussen private partijen verstaan. Daaronder vallen vanzelfsprekend overeenkomsten tussen partijen, maar ook verbintenissen uit ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling. De verbintenis uit onrechtmatige daad levert eveneens een rechtsbetrekking op’ (MvT wetsvoorstel 33079, p. 9)). 3.4. Als Willemsen-de Koning en/of Willemsen-de Koning Taxiservices de Provincie Gelderland als schuldeiser hebben/heeft benadeeld door aandelen onder de prijs te verkopen onder de dreiging van de vorderingen van de Provincie Gelderland, dan hebben/heeft zij daarmee onrechtmatig jegens de Provincie Gelderland gehandeld, zo is de redenering van laatstgenoemde. De koopcontracten en overdrachtsaktes waarvan hier sprake is, zijn in dit verband onmiskenbaar bescheiden aangaande de rechtsbetrekking waarin de Provincie Gelderland partij is. Aan het vereiste van de rechtsbetrekking waarbij zij partij is, is dan ook volgens de rechtbank voldaan. 3.5. Art. 843a Rv eist vervolgens dat degene die op grond van dit artikel afgifte van bescheiden vordert ‘daarbij rechtmatig belang’ heeft. Dit ligt volgens de Provincie Gelderland in de mogelijkheid maatregelen te treffen die haar benadeling door de aandelenoverdracht ongedaan maken, bijvoorbeeld een eiswijziging in de hoofdzaak. Dit is iets anders dan wat verweerders als ‘de enkele interesse in stukken’ aanduiden. 3.6. De vrees van de Provincie Gelderland is niet uit de lucht gegrepen, gelet op het feit dat het de rechtbank ambtshalve bekend is – en dus ook advocaten bekend is – dat regelmatig vermogensverschuivingen, waaronder gerekend verkopen tegen een te lage prijs, plaatsvinden in het licht van dreigende betalingsverplichtingen tegenover schuldeisers. Een tegenvallende rechterlijke uitspraak is daarbij nogal eens de doorslaggevende reden om vermogensbestanddelen weg te sluizen. Door de onder 2.3 en 2.4 weergegeven feiten kan de vrees hiervoor bij de Provincie Gelderland gevoed zijn, waarmee uiteraard niet gezegd is dat er werkelijk sprake is van een onrechtmatig handelen jegens haar. De mededelingen van [Y] zijn op zichzelf onvoldoende om deze vrees te kunnen wegnemen. 3.7. Het is gelet op de bedragen waarom het hier gaat, voor de Provincie Gelderland, zoals haar stellingen terecht impliceren, van groot belang de mogelijkheden tot betaling of verhaal niet te laten verdwijnen. Daarom heeft zij een rechtmatig belang bij de kennisneming van de stukken die haar inzicht kunnen geven in de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad waarin zij mogelijk partij is. 3.8. Afgifte van de bescheiden kan worden gevorderd van degene die ze tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft. Volgens de Provincie Gelderland heeft Willemsen-de Koning de bescheiden onder haar berusting omdat zij als verkoper van de aandelen verplicht is deze in haar administratie te houden. Tegenover haar kan de incidentele vordering dan ook worden toegewezen. Over de positie van Willemsen-de Koning Taxiservices laat de Provincie Gelderland zich in dit verband niet uit en hoewel zij in ieder geval de aktes waarbij zij partij is onder haar berusting zal hebben, ziet de rechtbank geen grond aanwezig ook haar te veroordelen tot afgifte hiervan. 3.9. De incidentele vordering ligt op grond van het voorgaande in beginsel gereed voor toewijzing. Subsidiair verzoeken verweerders de rechtbank de Provincie Gelderland een geheimhoudingsplicht als bedoeld in art. 29 Rv op te leggen omdat de bescheiden vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten. Dit verzoek acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Mogelijk, waarschijnlijk zelfs, heeft vertrouwelijke informatie binnen de groep ondernemingen waarin de aandelenoverdrachten plaatsvonden, een rol gespeeld bij de voorbereiding van de verkoop en overdracht van aandelen, maar het is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet waarschijnlijk dat deze in de koopaktes of de overdrachtsaktes is opgenomen. 3.10. Verweerders verzetten zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis omdat hierdoor de mogelijkheid van hoger beroep illusoir gemaakt zou worden. Strikt genomen zou dit betekenen dat een vordering ex art. 843a Rv nooit toegewezen kan worden bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. De mogelijk bestaande onomkeerbaarheid van een uitspraak is echter op zichzelf geen grond om een uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bovendien kan in deze zaak de voortgang van de hoofdzaak, die de rechtbank dient te bewaken, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad gediend zijn. De rechtbank zal dit incidentele vonnis dan ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. (…) 5De beslissing De rechtbank in het incident 5.1. beveelt Willemsen-de Koning om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis de Provincie Gelderland door middel van het verschaffen van volledig leesbare kopieën van de in de incidentele vordering onder 19 en 20 en in dit vonnis onder 2.2 bedoelde bescheiden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag – een gedeelte van een dag als een hele dag gerekend – dat aan dit bevel niet geheel en volledig wordt voldaan, tot een maximum van € 4.000.000,00, (…) 5.3. wijst af het meer of anders gevorderde, 5.4. verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, 2.30. Willemsen-De Koning heeft aan het vonnis voldaan, maar de provincie heeft zich bij brief van 4 november 2015 op het standpunt gesteld dat zij op grond van de verstrekte stukken niet kan vaststellen of in verband met de overdracht van de aandelen een reële waarde is betaald en heeft verzocht om de waarderingsrapporten aan haar te verstrekken. Tevens heeft de provincie de vernietigbaarheid ingeroepen van de overdrachten door Willemsen-De Koning van de aandelen in Willemsen-De Koning Personenvervoer B.V. en Willemsen-De Koning Taxiservices B.V. aan Willemsen-De Koning Groep B.V. 2.31. Bij brief van 16 november 2015 heeft Willemsen-De Koning de provincie bericht dat niet is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 3:45 BW, dat de provincie niet is benadeeld door de transacties, dat er een waarderingsrapport bestaat, maar dat Willemsen-De Koning niet gehouden is dit over te leggen. 2.32. Op 12 april 2016 heeft Willemsen-De Koning de door haar gehouden aandelen in Willemsen-De Koning Airportservice B.V. verkocht en geleverd aan Willemsen-De Koning Groep B.V. 2.33. Bij vonnis van 3 augustus 2016 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, - Willemsen-De Koning veroordeeld om aan de provincie te betalen een bedrag van € 1.080.092,99 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, - Willemsen-De Koning en Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. hoofdelijk veroordeeld om aan de provincie te betalen een bedrag van € 1.350.000,00, vermeerderd met de samengestelde rente overeenkomstig IBOR te vermeerderen met een opslag van 1000 basispunten voor zover het Willemsen-De Koning betreft, en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW voor zover het Willemsen-De Koning Taxiservices Gelderland B.V. betreft, - Willemsen-De Koning veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 608.372,33, vermeerderd met 6% btw voor de opgelegde boetes ten aanzien van de (eisen omtrent) duurzaamheid en de beperkte inzet van de lagevloer minibus, - Willemsen-De Koning veroordeeld tot betaling van een bedrag, nader op te maken bij staat, voor de geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de beslissing van Willemsen-De Koning om de verplichtingen uit de vervoersovereenkomsten in de periode 11 februari 2015 tot en met 30 juni 2015 blijvend niet meer na te komen. Het vonnis is ten aanzien van deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De reconventionele vorderingen van Willemsen-De Koning zijn afgewezen. De door Willemsen-De Koning ingestelde incidentele vordering strekkende tot het verstrekken van afschriften van bescheiden (rittenbakken en vervoersovereenkomsten met derden voor het WMO- en OV-vervoer over de periode van februari tot en met juni 2015) is afgewezen. 2.34. Bij brief van 31 augustus 2016 heeft de provincie Willemsen-De Koning gesommeerd om aan haar binnen veertien dagen een bedrag van in totaal € 3.415.189,72 te betalen, om informatie te verstrekken over haar inkomens- en vermogenspositie en de voor verhaal vatbare goederen van Willemsen-De Koning, alsook om informatie te verstrekken om de provincie in staat te stellen te beoordelen of zij is benadeeld als gevolg van het verkopen van de verschillende aandelen. 2.35. De advocaat van Willemsen-De Koning heeft contact opgenomen met de provincie voor overleg, maar daartoe is de provincie niet langer bereid. 2.36. Willemsen-De Koning heeft het aan de provincie verschuldigde bedrag niet voldaan en heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 augustus 2016. 3Het geschil 3.1. De provincie vordert dat de voorzieningenrechter 1. Willemsen-De Koning veroordeelt om binnen een termijn van twee weken te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.