RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/760051-16 Datum uitspraak : 5 december 2016 Tegenspraak vonnis van de militaire kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 21 november
- 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat: Primair hij op of omstreeks 06 januari 2016 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, althans op de [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met) een fles/bus deodorant op de/een onderbe(n)(e)n van die [slachtoffer] heeft gericht en/of heeft gespoten waarbij hij en/of zijn mededader het uitstromende gas en/of de uitstromende vloeistof met een aansteker heeft laten ontbranden (waardoor die [slachtoffer] ,(tweedegraads) brandwonden aan de/een onderbe(n)(e)n heeft bekomen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: Subsidiair hij op of omstreeks 06 januari 2016 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, althans op de [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door(met) een fles/bus deodorant op de/een onderbe(n)(e)n van die [slachtoffer] te richten en/of spuiten waarbij hij en/of zijn mededader het uitstromende gas en/of de uitstromende vloeistof met een aansteker te laten ontbranden waardoor die [slachtoffer] ,(tweedegraads) brandwonden aan de/een onderbe(n)(e)n heeft bekomen. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair danwel het subsidiair tenlastegelegde feit. De officier van justitie vordert dan ook vrijspraak. Het standpunt van de verdediging Verdachte brengt naar voren dat hij wist dat medeverdachte [medeverdachte] een grap met aangever uit ging halen, maar dat hij niet wist dat hier vuur bij betrokken zou zijn. Hij is verder ook niet betrokken geweest bij het feit. Beoordeling door de militaire kamer De militaire kamer is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het niet verdachte, maar medeverdachte [medeverdachte] is geweest die met de bus deodorant richting aangever heeft gespoten en hierbij het uitstromende gas met een aansteker heeft laten ontbranden. Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking. Medeverdachte [medeverdachte] heeft weliswaar verklaard dat verdachte de uitvoering heeft bedacht – het spuiten met deodorant en vervolgens met een aansteker een vlam doen ontstaan – en hem hiertoe zijn aansteker heeft gegeven, maar deze verklaring vindt geen ondersteuning in andere bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen volgt ook geen andere wezenlijke bijdrage of uitvoeringshandeling van verdachte aan het strafbare feit. Het enkele feit dat verdachte zich in dezelfde kamer bevond als [medeverdachte] is onvoldoende om een nauwe en bewuste samenwerking aan te nemen. Geconcludeerd moet dus worden dat er geen sprake was van medeplegen. Op grond van het voorgaande is de militaire kamer van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair en het subsidiair tenlastegelegde feit.
- De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1000,-. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de militaire kamer. Beoordeling door de militaire kamer De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte is vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. 4De beslissing De militaire kamer: spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit; De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. mr. J. Barrau (voorzitter), mr. P.C. Quak en Luitenant-kolonel mr. C.E.W. van de Sande, militair lid, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen en mr. J.M.B. Moll van Charante, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2016.