RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/720095-16 Datum uitspraak : 27 december 2016 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd te PI Leeuwarden te Leeuwarden, raadsman: mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 juni 2016, 14 september 2016 en 13 december
(1)variëren van 4 tot 20 cm diepte. Verder had [slachtoffer] ook een oppervlakkige huidklieving in zijn rechterhand. Verdachte verwondde ook zichzelf tijdens het steken; hij stak of sneed zichzelf in zijn linkerhand. [slachtoffer] overleed als gevolg van bloedverlies en verstikking door de steekverwondingen. Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding Vorenstaande door [slachtoffer] geïnitieerde handelingen tijdens het ‘tweede incident’, waarbij hij verdachte met de buis probeerde te raken en hij vervolgens met geweld via de gipsen muur de kamer van verdachte probeerde binnen te dringen, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. Er was immers sprake van onmiddellijk dreigend gevaar, nu verdachte enkele minuten daarvoor nog in zijn eigen kamer door een dronken en agressieve [slachtoffer] in elkaar was geslagen en [slachtoffer] daarna bij de gesloten deur ‘ [verdachte] , tweede ronde’ had geroepen. De aanranding eindigde niet nadat [slachtoffer] de buis niet meer vasthad. [slachtoffer] probeerde immers vervolgens -na het tevergeefs gebruiken van de buis- middels het groter trappen van het gat opnieuw de kamer van verdachte binnen te dringen en was al met zijn hoofd en een groot deel van zijn bovenlijf door het gat heen. Gezien de genoemde omstandigheden – waaronder de aaneenschakeling van gebeurtenissen voorafgaande aan het steken –, op grond waarvan aannemelijk wordt dat verdachte uit angst en paniek reageerde op het handelen van het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat verdachtes gedragingen (naar de kern) als ‘verdedigend’ kunnen worden aangemerkt. Mogelijkheid tot vluchten of onttrekken Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat van verdachte niet gevergd kon worden te vluchten. De theoretische mogelijkheid daartoe was wellicht aanwezig, nu verdachte zijn kamer had kunnen verlaten terwijl het slachtoffer zich door het gat in de muur probeerde te wringen. Echter, de rechtbank acht een vluchtplicht minder snel aanwezig zodra de aanranding in eigen huis/kamer plaatsvindt. In dit geval, waarin verdachte enkele minuten ervoor bij het opendoen van zijn deur zijn kamer ingeduwd was door [slachtoffer] , vervolgens door hem in elkaar geslagen was, hem kort daarna ‘tweede ronde’ hoorde roepen en weer wat later met een buis door het gat in de muur zag komen, is de rechtbank van oordeel dat het gerechtvaardigd is dat verdachte de veiligheid van zijn afgesloten kamer zocht en [slachtoffer] uit zijn kamer probeerde te weren. Het lukte [slachtoffer] niet om verdachte met de buis te raken, waarna [slachtoffer] verdachtes kamer probeerde binnen te dringen door het gat groter te schoppen en zijn lichaam door het grotere gat te wringen. Het was dus duidelijk dat [slachtoffer] het opnieuw op verdachte gemunt had. Nog afgezien van de omstandigheid dat vluchten om de voornoemde redenen niet van verdachte gevergd kon worden, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat van een reële vluchtmogelijkheid ook geen sprake was. Het is reëel om te veronderstellen dat verdachte bij zijn vertrek uit zijn kamer direct door [slachtoffer] achterna zou worden gezeten en dat hij, gezien de nabije ligging van de kamerdeuren, ingehaald zou worden en opnieuw klappen zou krijgen. Dit mag te meer worden verondersteld nu verdachte ook niet ongezien zijn weg naar de kamerdeur kon afleggen. De rechtbank concludeert dan ook dat er voor verdachte een noodzaak tot verdediging bestond. Geboden zijn van de verdediging De vraag is vervolgens of de door verdachte gekozen wijze van verdediging ook geboden was. De rechtbank is, gelet op de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, van oordeel dat verdachte de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden. Het negen maal steken van het slachtoffer met een groot koksmes staat in dit geval niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Daarbij betrekt de rechtbank dat [slachtoffer] op het moment van steken ongewapend was. Hetgeen in het Pro Justitia rapport omtrent de persoonlijkheid van verdachte is vastgesteld doet hieraan niet af. De rechtbank concludeert dat het beroep op noodweer faalt. Beroep op noodweerexces De rechtbank stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien: a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk “onmiddellijk gevolg” sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Hevige gemoedsbeweging als gevolg van de aanranding Verdachte heeft over zijn gemoedstoestand kort voorafgaande aan het steken verklaard dat, toen hij zag dat [slachtoffer] met een heel boos gezicht half door het gat kwam gekropen, hij echt bang was en vreesde voor zijn leven. Hij verklaarde dat hij kort daarvoor al hard was geslagen en geschopt (‘hij had mij ook dood kunnen schoppen’) en dat hij in zijn hele leven nog nooit zo bang is geweest. Hij heeft [slachtoffer] gestoken omdat hij vreesde voor zijn leven, aldus verdachte. Ter terechtzitting van 13 december 2016 verklaarde hij nog dat hij na het eerste incident op bed was gaan zitten en daar zat na te trillen. Hij wist niet precies meer wat hij toen dacht. Op grond van vorenstaande uitlatingen is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging die in overwegende mate door de aanranding door [slachtoffer] teweeg is gebracht. Aanranding dient in dit geval in brede zin te worden bezien. Hier was sprake van een aaneenschakeling van gebeurtenissen waarbij een dreiging ten aanzien van verdachte uitging van het slachtoffer. Dat begon ermee dat [slachtoffer] verdachte zijn kamer in duwde en hem daar in elkaar sloeg, hij kort daarna bij de kamerdeur van verdachte de ‘tweede ronde’ kwam aankondigen, hij (omdat de deur op slot zat) toen probeerde om door het kleine gat in de muur verdachte met een buis te raken en vervolgens nadat hij de staaf naar verdachte had gegooid middels het groter trappen van het gat opnieuw de kamer van verdachte wilde binnendringen. Disproportionaliteit van de verdediging en causaal verband met de door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging Hoewel verdachtes hevige gemoedsbeweging in essentie is veroorzaakt door de aanranding, is de rechtbank van oordeel dat het daaropvolgende handelen van verdachte - het negen maal steken van een op dat moment ongewapend slachtoffer - dermate excessief is geweest dat niet aannemelijk wordt geacht dat de hevige gemoedsbeweging, direct voortkomend uit de wederrechtelijke aanranding, voor het te ver gaan in de verdediging en daarmee het overschrijden van de grenzen van proportionaliteit - met name wat betreft het aantal steken dat verdachte heeft toegebracht en de kracht waarmee hij deze heeft toegebracht - van doorslaggevend belang is geweest. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het slachtoffer niet gewapend (meer) was. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat verdachtes handelen, het overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, het onmiddellijk en overwegend gevolg van de door de wederrechtelijke aanranding ontstane hevige gemoedsbeweging is geweest. Het beroep op noodweerexces wordt daarom eveneens verworpen. Beroep op putatief noodweer Het - meer subsidiair gedane - beroep op putatief noodweer behoeft geen verdere bespreking, aangezien de rechtbank heeft aangenomen dat van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding sprake is geweest waartegen verdediging geboden was. Conclusie Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar. Naar voren is gebracht dat in de eis er rekening mee is gehouden dat het om een ernstig delict gaat waarbij het slachtoffer op een gewelddadige wijze is gedood, dat de maatschappelijke impact van een dergelijk delict groot is, dat er sprake was van een langlopend conflict tussen verdachte en het slachtoffer vanwege vervuiling en (daardoor) stankoverlast in de kamer van verdachte, dat het slachtoffer kort voor de dodelijke steekpartij verdachte heeft mishandeld en heeft geprobeerd met geweld in de kamer van verdachte te komen, dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis heeft en hij als verminderd toerekeningsvatbaar is aan te merken, dat de psycholoog een ambulante behandeling en begeleiding adviseert en dat verdachte geen strafblad heeft. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op: - het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 1 november 2016; - een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland van 15 juni 2016; - een Pro Justitia rapport van D. Breuker, forensisch psycholoog, van 10 juni
- De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer [slachtoffer] negen maal te steken. Hierdoor heeft verdachte [slachtoffer] zijn leven ontnomen en is diens nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. De impact van verdachtes handelen op de nabestaanden blijkt duidelijk uit wat namens de familie ter terechtzitting naar voren is gebracht (‘Het is afschuwelijk en niet te bevatten ...’). Verder brengt verdachtes handelen ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg, te meer, nu [slachtoffer] op een gruwelijke wijze om het leven is gebracht. Voor doodslag geldt als uitgangspunt een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van de uiteindelijke hoogte daarvan heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het Pro Justitia rapport. De rechtbank neemt de volgende conclusies en adviezen van het rapport over. De onderzoeker heeft bij verdachte een autistische stoornis en afhankelijkheid van alcohol en cannabis vastgesteld. Tevens is sprake van performale zwakbegaafdheid. Deze stoornissen en beperking waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen op 11 maart 2016 aanzienlijk beïnvloed. Vanwege sociaal-emotionele beperkingen inherent aan de autistische stoornis is verdachte tijdens het plegen van het tenlastegelegde onvoldoende in staat geweest om op een meer adequate wijze te reageren. Hij beschikt vanwege zijn stoornissen en beperking niet over voldoende gedragsalternatieven om met problemen en conflictsituaties om te gaan. Het middelengebruik zorgt ervoor dat hij nog minder in staat is tot een adequate conflicthantering, en hij zal zich bij te veel stress en prikkels terugtrekken in zijn eigen veilige ruimte. Zijn buurman probeerde deze veilige ruimte met een ijzeren staaf binnen te dringen. Hierop heeft verdachte primair gereageerd door de buurman meermalen te steken met een mes, zodat het geweld zou stoppen en hij veilig zou zijn. Geadviseerd wordt om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het voorkomen van recidive behoeft psycho-educatie van verdachte en aandacht voor zijn problematisch middelengebruik en de instabiele leefomgeving, aldus de onderzoeker. Verder heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte acht geslagen op verdachtes justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een lagere straf moet worden opgelegd dan door het openbaar ministerie is gevorderd. Daartoe is redengevend dat de rechtbank, mogelijk meer dan de officier van justitie, enerzijds de mate van schuld van het slachtoffer en anderzijds de kwetsbaarheid van verdachte en diens verminderde toerekenbaarheid meeweegt. Zoals overwogen was sprake van een zeer kwetsbare verdachte, die onvoldoende in staat is om in stressvolle situaties adequaat te handelen en die zich ten tijde van het plegen van het delict in een dergelijke stressvolle situatie bevond omdat hij door het slachtoffer in de veilige omgeving van zijn eigen kamer meermalen werd aangevallen. Desondanks had hij anders moeten handelen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar een passende en geboden straf is. Dit met aftrek van het voorarrest. De noodzakelijke behandeling voor verdachtes persoonlijke problemen kan aan de orde komen in een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling. 7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [naam] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 23.785,16 aan materiële schade. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [naam] tot betaling van het gevorderde bedrag toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Nu de verdediging geen verweer heeft gevoerd tegen (de hoogte van) de gevorderde materiële schade en de verschillende schadeposten naar het oordeel van de rechtbank voldoende zijn onderbouwd en niet onredelijk voorkomen, zal de rechtbank de vordering in zijn geheel toewijzen. Op grond van het voorgaande, de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van in totaal € 23.785,16 aan nu toewijsbare schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De gevorderde wettelijke rente is: - voor wat betreft € 17.666,70 aan uitvaartkosten toewijsbaar vanaf 18 april 2016 conform de datum van bijbehorende factuur; - voor wat betreft € 345,- aan kosten opnamen en verzorging cd’s en dvd’s toewijsbaar vanaf 17 mei 2016 conform de datum van bijbehorende factuur; - voor wat betreft € 778,46 aan notariskosten toewijsbaar vanaf 1 juni 2016 conform de datum van bijbehorende factuur; - voor wat betreft € 4.995,- aan beraamde kosten voor een gedenksteen toewijsbaar vanaf 27 december 2016 (datum vonnis). Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag, inclusief de wettelijke rente daarover, ten behoeve van genoemde benadeelde partij. Bij de vaststelling van de vervangende hechtenis zal de wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot: een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaar; beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam] : veroordeelt verdachte ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam], ten bedrage van € 23.785,16 (drieëntwintigduizendzevenhonderdvijfentachtig euro en zestien cent), waarvan: € 17.666,70 vanaf 18 april 2016; € 345,- vanaf 17 mei 2016; € 778,46 vanaf 1 juni 2016; € 4.995,- vanaf 27 december 2016, vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil; legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam] , een bedrag te betalen van € 23.785,16 (drieëntwintigduizendzevenhonderdvijfentachtig euro en zestien cent), waarvan: € 17.666,70 vanaf 18 april 2016; € 345,- vanaf 17 mei 2016; € 778,46 vanaf 1 juni 2016; € 4.995,- vanaf 27 december 2016, vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 153 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Holland (voorzitter), mr. C. van Linschoten en mr. K.A.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 december
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant(en) van de politie Oost- Nederland, Districtsrecherche Midden-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, ON4R016028 ‘Knooppunt’, gesloten op 20 oktober 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.