vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 5477463 \ CV EXPL 16-16859 \ 668 uitspraak van vonnis in de zaak van [eisende partij] , optredend voor zich en in de hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] , wonende te [woonplaats] eisende partij in conventie verwerende partij in reconventie gemachtigde Leaseproces tegen de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V. gevestigd te Amsterdam gedaagde partij in conventie eisende partij in reconventie gemachtigde mr. T.R. van Ginkel Partijen worden hierna [eisende partij] en Dexia genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 oktober 2016 met producties - de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie met producties - de conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie met producties - de conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie - de conclusie van dupliek in reconventie. 2De feiten 2.1. De echtgenoot van [eisende partij] , [erflater] , heeft met (een rechtsvoorganger van) Dexia als wederpartij twee effectenleaseovereenkomsten gesloten, te weten een overeenkomst met de naam WinstVerDriedubbelaar met nummer [nummer] op 16 december 1998 en een overeenkomst met de naam Korting Kado en met nummer [nummer] op 9 september 1999. 2.2. Dexia heeft met betrekking tot deze leaseovereenkomsten per 17 december 2001 respectievelijk 24 april 2007 eindafrekeningen opgesteld. 2.3. Bij brief van 8 september 2006 heeft [eisende partij] Dexia laten weten de door [erflater] gesloten effectenleaseovereenkomsten te vernietigen op grond van art. 1:88 Burgerlijk Wetboek (BW). 3De vordering en het verweer in conventie 3.1. [eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomsten met de nummers [nummer] en [nummer] rechtsgeldig zijn vernietigd en voorts vordert zij veroordeling van Dexia om al hetgeen door [erflater] in het kader van de overeenkomst aan Dexia is betaald, terug te betalen. Daarnaast vordert zij veroordeling van Dexia om op verbeurte van een dwangsom te bewerkstelligen dat haar registratie bij BKR wordt doorgehaald met ongedaanmaking van de achterstandscodering, een en ander vermeerderd met rente en kosten, waaronder buitengerechtelijke kosten. 3.2. Dexia voert inhoudelijk verweer. Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover van belang, ingaan. 4De vordering en het verweer in reconventie 4.1. Dexia vordert dat voor recht wordt verklaard dat de tussen haar en [erflater] tot stand gekomen overeenkomsten met de nummers [nummer] en [nummer] niet zijn vernietigd en niet bloot staat aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [eisende partij] een beroep kan worden gedaan. 4.2. [eisende partij] voert inhoudelijk verweer. Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover van belang, ingaan. 5Beoordeling 5.1. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk. 5.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht vóór het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht. 5.3. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat dit arrest tot gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging, indien er een buitengerechtelijke vernietiging heeft plaatsgevonden voor het verlopen van de opt-out termijn op 1 augustus 2007, welke termijn voortvloeide uit de verbindendverklaring van de Duisenbergregeling (WCAM-overeenkomst) door hof Amsterdam. 5.4. Dexia stelt zich primair op het standpunt dat, voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds was verjaard voordat bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW door (onder meer) Stichting Eegalease werd ingesteld, aan het einde van die procedure door de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van die dagvaarding met zich bracht. Volgens Dexia is er sprake van afstand van recht waardoor ook afnemer geen aanspraak op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin meer kan doen. Voor zover de verjaring wel is gestuit door het uitbrengen van bedoelde dagvaarding, betoogt Dexia dat het indienen van het verzoek om verbindendverklaring van de Duisenbergregeling op 18 november 2005 geen stuitende werking heeft gehad. Hetzelfde geldt volgens Dexia voor de verbindendverklaring door hof Amsterdam, omdat dit niet kan worden aangemerkt als een ‘toewijzing’ van de vordering. 5.5. Naar aanleiding van het voorgaande oordeelt de kantonrechter als volgt. 5.6. Bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4585, r.o. 3.14) heeft het hof Amsterdam overwogen dat het de individuele afnemer, die tijdig een opt-out verklaring heeft afgelegd, niet regardeert dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking (uitmondend in de WCAM-overeenkomst) afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken collectieve procedure, juist omdat de afnemer heeft verklaard niet aan deze Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn. Deze overweging en beslissing worden hier overgenomen. In het arrest d.d. 25 november 2014 (r.o. 3.10.5, ECLI:NL:GHSHE:2014:4956) heeft hof Den Bosch overwogen dat de hier bedoelde afstand van recht door Stichting Eegalease ook geldt voor het recht (van de afnemer) een beroep te doen op de in de brief van Stichting Eegalease van 29 januari 2003 en in de dagvaarding van Stichting Eegalease van 13 maart 2003 vervatte vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten. Dit laatste doet echter niet af aan het feit dat uit bovengenoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat het instellen van de betreffende collectieve actie stuitende werking heeft ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid om nadien (alsnog) een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring af te leggen. Het beroep van Dexia op afstand van recht wordt verworpen. 5.7. Het enkele feit dat een onderdeel van de collectieve vordering van Stichting Eegalease alleen zag op effectenlease-overeenkomsten gesloten tussen 29 januari 2000 en 2 mei 2002, brengt niet mee dat het aanhangig maken van de collectieve vordering geen stuitende werking zou kunnen hebben ten aanzien van andere effectenlease-overeenkomsten. Maatstaf is of het gaat om individuele vorderingen (betreffende de vernietiging van effectenlease-overeenkomst(en)), die bij de in de collectieve actie gevorderde verklaring voor recht aansluiten, zo volgt uit genoemd arrest van de Hoge Raad. Voor de vraag of er sprake is van ‘aansluiten’ als hier bedoeld is van belang dat de aanleiding voor de collectieve actie (mede) gelegen was in het toenmalige standpunt van Dexia, dat de artikelen 1:88 en 1:89 BW op geen van de door haar overeengekomen effectenlease-overeenkomsten van toepassing waren, omdat er geen sprake was van koop op afbetaling. De collectieve actie had in hoofdzaak betrekking op twee vorderingen. De eerste vordering was gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW van toepassing is op ‘de’ door Dexia aangeboden lease-overeenkomsten, de tweede was gericht op een verklaring voor recht dat effectenlease-overeenkomsten, die in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot zijn aangegaan, vernietigd althans vernietigbaar zijn. Met name de eerstgenoemde vordering in de collectieve actie, gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW wel van toepassing is op alle in dit verband relevante soorten lease-overeenkomsten met Dexia, is essentieel voor het slagen van een vordering van een individuele afnemer als [eisende partij] . Er is daarom sprake van ‘aansluiting’ als door de Hoge Raad bedoeld tussen die vordering en de hiervoor bedoelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW. 5.8. De verjaring is alleen gestuit indien (vgl. r.o. 3.5.2 arrest Hoge Raad) binnen zes maanden nadat de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW is geëindigd een nieuwe eis is ingesteld, dan wel een (op grond van r.o. 3.5.3 arrest Hoge Raad) daarmee gelijk te stellen buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is afgelegd. Bedoelde collectieve vordering is geëindigd in een schikking tussen de daarbij betrokken partijen, die door verbindendverklaring krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade rechtsgevolgen heeft gekregen, althans kunnen krijgen, voor (de meeste) belanghebbenden. Uit de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van de Hoge Raad in bovengenoemd arrest kan worden afgeleid dat de met een collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming met zich brengt, dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van een buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst, althans van stuitingshandelingen. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat – nu de collectieve actie mede ten behoeve van de belanghebbende was ingesteld – de belanghebbende pas na het tot stand komen van een schikking kan (en behoeft
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.