← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2017:1958

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 05/840450-16 Datum uitspraak : 07 april 2017 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] raadsman: mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2016 en van 24 maart 2017. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot 16 september 2015, althans in het het (

  1. de)ja(a)r(
  2. en)2014 en/of 2015, in de gemeente Epe, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn echtgenote en/of levensgezel, althans een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , - met de al dan niet tot vuist gebalde hand(
  3. en)in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen, en/of - met een of meer voorwerp(
  4. en)tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft gegooid en/of geslagen, en/of - bij de keel heeft vastgepakt en/of vastgegrepen, en/of de keel van genoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (enige tijd) dichtgeknepen heeft gehouden, waardoor genoemde [slachtoffer 1] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; (pkn. 05.840450.16) 2. hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot 16 september 2015, althans in het het (
  5. de)ja(a)r(
  6. en)2014 en/of 2015, in de gemeente Epe, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, genaamd [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] ), - met de al dan niet tot vuist gebalde hand(
  7. en)in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen, en/of - aan de oren heeft getrokken, waardoor genoemde [slachtoffer 2] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; (pkn. 05.840450.16) 3. hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot 23 maart 2016, althans in het het (
  8. de)ja(a)r(
  9. en)2014 en/of 2015 en/of 2016, in de gemeente Epe, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 1] (al dan niet telefonisch) te kennen gegeven -zakelijk weergegeven-, dat hij (verachte ) haar (genoemde [slachtoffer 1] ) zou vermoorden en/of dat hij (verdachte) aan een pistool kon komen en dat hij (verdachte) haar (genoemde [slachtoffer 1] ) daarmee kon afmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; (pkn. 05.840450.16) 4. hij op of omstreeks 05 juni 2015, althans in het jaar 2015, in de gemeente Epe, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer deur(
  10. en)van een woning aan de [adres 2] aldaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of een woningcorporatie aldaar, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; (pkn. 05.840450.16) 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, 2, 3 en 4. Onder feit 1 kan alleen het slaan van aangeefster bewezen worden verklaard, gelet op de aangifte en de ondersteunde verklaringen van de zus van aangeefster en de buurvrouw. Voor wat betreft feit 2 zijn het slaan met de vlakke hand in het gezicht en het aan de oren trekken bewezen te verklaren, op basis van de aangifte en de verklaring van de zus van aangeefster. Daarnaast vindt de officier van justitie steunbewijs in het proces-verbaal van bevindingen. Feit 3 is volgens de officier van justitie ook wettig en overtuigend te bewijzen op basis van de aangifte en de verklaring van de zus van aangeefster. Feit 4 is bekend door verdachte. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3. Feit 4 heeft verdachte bekend. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 Naar het oordeel van de rechtbank kan feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen worden. Het enige bewijsmiddel is de verklaring van aangeefster. De verklaringen van de zus van aangeefster en de buurvrouw kunnen niet als steunbewijs dienen, nu zij allebei niet hebben gezien dat verdachte aangeefster mishandeld heeft. Verdachte heeft ontkend. Verdachte zal van het ten laste gelegde onder feit 1 worden vrijgesproken. Feit 2 Zowel aangeefster als haar zus hebben verklaard dat verdachte zijn zoon heeft mishandeld. Het is echter de vraag hoeveel waarde er gehecht kan worden aan die verklaring van de zus van aangeefster. Zij heeft namelijk ook verklaard dat ze verdachte en zijn zoon nooit samen zag en dat zij haar zus en verdachte maar twee à drie keer per jaar samen zag. Daarnaast heeft de schooljuf van de zoon nooit iets aan hem gemerkt. Het wegbrengen en ophalen van zijn zoon verliep altijd normaal en de juf heeft nooit gemerkt dat de zoon niet met zijn vader mee wilde. Naar het oordeel van de rechtbank kan feit 2 dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Feit 3 De zus van aangeefster heeft in haar eerste getuigenverhoor verklaard dat verdachte gezegd heeft dat hij aangeefster zou vermoorden. In haar getuigenverhoor bij de rechter-commissaris zegt zij echter niets over een bedreiging door verdachte. Daarnaast heeft alleen aangeefster verklaard over de bedreiging. De rechtbank is daarom van oordeel dat feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal van het ten laste gelegde onder feit 3 worden vrijgesproken. Feit 4 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte, p. 25; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 maart 2017. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 05 juni 2015, althans in het jaar 2015, in de gemeente Epe, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer deur(
  11. en)van een woning aan de [adres 2] aldaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of een woningcorporatie aldaar, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 4: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde het verbod om contact op te nemen met aangeefster. Van dat contactverbod vraagt de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde onder feit 1, 2 en 3. Voor feit 4 vraagt de verdediging om verdachte te veroordelen, zonder hem een straf of maatregel op te leggen. Verdachte heeft immers al twee dagen in verzekering doorgebracht en veel stress ervaren door de terechtzittingen. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op: - het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 23 februari 2017; - een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 17 oktober 2017. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Op 5 juni 2015 heeft verdachte een deur vernield in de woning die destijds gehuurd werd door zijn vrouw. Deze bewezenverklaarde vernieling van de deur maakt onderdeel uit van een grotere zaak, waarin verdachte meerdere verwijten zijn gemaakt. De rechtbank spreekt verdachte echter vrij van dat grotere geheel, namelijk van het ten laste gelegde onder feit 1, 2 en 3. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank daar rekening mee. Daarom is de straf zoals geëist door de officier van justitie niet passend. Verder houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop tussen de vernieling en de veroordeling van verdachte. De rechtbank zal verdachte voor de vernieling veroordelen tot een geldboete van € 100,-, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen reden om deze zaak af te doen met het rechterlijk pardon, gelet op het feit dat de vernieling zich heeft afgespeeld in de relationele sfeer. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 27 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;  verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 100,- (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;  bepaalt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf van € 50,- (vijftig euro) per dag. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 07 april 2017. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, District Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016031290, gesloten op 21 april 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.