RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 05/740316-16 Datum uitspraak : 07 april 2017 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] raadsman: mr. J.J. van 't Hoff, advocaat te Tilburg. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart
- 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Primair hij op of omstreeks 27 april 2016 te Twello, gemeente Voorst, in ieder geval in Nederland, door een feitelijkheid, een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft verdachte die [slachtoffer] (zijnde een toen 13-jarig meisje), terwijl beiden geheel naakt waren, in een smal dompelbad van een saunacomplex benaderd en vervolgens die [slachtoffer] met een arm naar zich toe getrokken en/of tegen zich aan geklemd/gedrukt; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: Subsidiair hij op of omstreeks 27 april 2016 te Twello, gemeente Voorst, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboortedatum [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer] tegen zijn lichaam te drukken, terwijl zowel verdachte als die [slachtoffer] daarbij geheel naakt waren. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd. Het dossier bevat voldoende wettig bewijs, maar de officier van justitie heeft niet de overtuiging dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdediging meent dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs biedt voor een bewezenverklaring van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Verder heeft de verdediging betoogd dat, als de rechtbank komt tot de vaststelling van de gedraging, deze gedraging geenszins als ontuchtig te kwalificeren is. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [slachtoffer] , haar moeder en haar tante er op neer komen dat verdachte op 27 april 2016 in de sauna [naam] de destijds 13-jarige [slachtoffer] tegen zich aan zou hebben gedrukt in het dompelbad, terwijl zij beiden naakt waren. Verdachte zou het lange maar smalle dompelbad (met aan een kant een uitgang met een trap) zijn ingelopen, terwijl [slachtoffer] zich net onderdompelde, zich onder water omdraaide en boven water kwam. Verdachte zou een omarmende beweging hebben gemaakt waarbij hij de middel van [slachtoffer] heeft geraakt en hun lichamen elkaar aan de zijkant raakten. Verdachte daarentegen ontkent het aan hem ten laste gelegde feit. Verdachte heeft verklaard dat hij zich er niet bewust van is geweest dat hij in het dompelbad tegen iemand anders aan is gekomen. Hij kan zich ook niet voorstellen dat hij het meisje naar zich toe heeft getrokken of tegen zich aan heeft gedrukt. De rechtbank oordeelt dat de door [slachtoffer] , haar moeder en haar tante beschreven handelingen in het dompelbad in sauna [naam] ruimte laten voor verschillende interpretaties. Dat de handelingen als ontuchtig zijn ervaren, kan de rechtbank begrijpen, maar niettemin kunnen de handelingen door verdachte zonder enige ontuchtige bedoeling zijn verricht. De rechtbank vindt dit ook niet onaannemelijk. Nu de gebeurtenis voor meerdere uitleg vatbaar is, heeft de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat de gedragingen hebben plaatsgevonden op een wijze zoals ten laste is gelegd aan verdachte en evenmin dat deze ontuchtig zijn. Bovenstaande brengt mee dat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem primair en subsidiair ten laste is gelegd zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
- De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging vanschadevergoeding ter zake van het ten laste gelegde feit. Door [slachtoffer] wordt gevorderd een bedrag van € 422,
- Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair en subsidiair ten laste gelegde en vraagt de rechtbank daarom om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde en vraagt de rechtbank daarom om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Beoordeling door de rechtbank Nu verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, zoals omschreven onder punt 2, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. 4De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 07 april 2017.