← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2017:2225

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/861748-13 Datum zitting : 20 maart 2017 Datum uitspraak: 3 april 2017 tegenspraak Verkorte uitspraak van de meervoudige kamer inzake de ontnemingsvordering in de zaak van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde), geboren op : [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] , adres : [adres 1] , plaats : [adres 1] , Raadsman : mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank, conform artikel 36 e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 256.887,

  1. 2De procedure Ter terechtzitting van 12 januari 2016 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. 3Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 20 maart 2017 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 102.925,
  2. Veroordeelde en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 4De beoordeling van de vordering Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 3 april 2017 tegen veroordeelde gewezen vonnis. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het hiervoor genoemde proces-verbaal en hetgeen veroordeelde ter terechtzitting heeft verklaard aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van het volgende: De onderzoeksperiode is gestart op 1 januari 2007 en loopt tot en met 28 april
  3. In december 2008 werd in Almelo in een woning aan de [adres 2] , gehuurd door [veroordeelde] , een hennepkwekerij met daarin 4000 hennepplanten aantroffen. Op 9 oktober 2008 is in een woning aan de [adres 3] te Deventer, gehuurd door [veroordeelde] , een hennepkwekerij aangetroffen met daarin 978 hennepplanten. Op 28 april 2010 is in een woning aan de [adres 4] te Genemuiden een hennepkwekerij aangetroffen met daarin 1035 hennepplanten. Op 4 april 2012 werd in de woning aan de [adres 5] te Zwolle, gehuurd door [veroordeelde] , een hennepkwekerij aangetroffen met daarin 1198 hennepplanten. Op 2 juli 2013 is in de woning aan de [adres 6] te Lochem, gehuurd door [veroordeelde] , een hennepkwekerij aangetroffen met daarin 1096 hennepplanten. Op 17 april 2013 is de woning aan de [adres 7] te Zutphen, gehuurd door [veroordeelde] , een hennepkwekerij aangetroffen met daarin 1128 planen waarvan 340 planten net waren geoogst. Veroordeelde genoot tijdens de onderzoeksperiode van 12 maart 2007 tot 28 april 2014 een uitkering van de gemeente Rhenen ter hoogte van ongeveer € 11.000,- netto per jaar. Volgens berekening op de internetside van het NIBUD zou veroordeelde in de onderzoeksperiode een bedrag van ten minste € 16.800,- nodig hebben om te kunnen eten. Door veroordeelde werd over de onderzoeksperiode een groot aantal contante transacties gedaan bij het GWK voor een totaalbedrag van € 160.341,-. Door veroordeelde werd in dezelfde periode een groot aantal contante stortingen op eigen rekening gedaan van totaal € 19.910,-. In totaal bedraagt het bedrag aan contante uitgaven € 197.051,-. De legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen betreft € 94.125,
  4. Dit brengt met zich dat verdachte in de periode van 12 maart 2007 tot 28 april 2014 in totaal (minimaal) € 102.925,14 meer contante uitgaven heeft gedaan dan hij uit enige legale bron(nen) van inkomsten kan verantwoorden. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde de herkomst van het verschil tussen legale ontvangsten en het totaal aan contante uitgaven niet heeft kunnen verklaren of daar een aannemelijk verhaal over heeft kunnen vertellen. De conclusie dat er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel is hiermee gerechtvaardigd. Echter, niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde ten aanzien van het volledige bedrag van € 102.925,14 voordeel heeft genoten, nu veroordeelde ook de huur van de panden heeft moeten betalen. Om die reden schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 15.000,-. 6De beslissing De rechtbank stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro) en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro). Aldus gegeven door mr. C. Kleinrensink (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april
  5. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, recherche team IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, met dossiernummer 2013050953 en gesloten op 24 april 2015en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van bevindingen ten behoeve van de straf- en/of ontnemingszaak betreffende het onderzoek naar witwassen, d.d. 11 november 2014, p. 219 e.v.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.