← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2017:2437

beschikking RECHTBANK GELDERLAND Wrakingskamer zaaknummer: C/05/317344 / KG RK 17/281 Beschikking van 5 april 2017 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. B.J. Zippelius, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het schriftelijke wrakingsverzoek van 14 maart 2017; het schriftelijke verweer van de rechter van 21 maart 2017; het proces-verbaal van de zitting van 13 maart

  1. Bij de behandeling van het wrakingsverzoek op de zitting van 27 maart 2017 zijn verschenen: - verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. I.M.A. Bruls-van Strien; - de rechter. 2Het wrakingsverzoek 2.1 Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer AWB 17/704 tussen verzoeker en het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Lingewaard (hierna: het college). Deze zaak betreft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2017, waarmee het college verzoeker primair strafontslag heeft verleend wegens ernstig plichtsverzuim, subsidiair ontslag op andere gronden. Ter onderbouwing van het ontslag heeft het college een aantal verklaringen overgelegd, waaronder een verklaring van de burgemeester. De behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 maart
  2. 2.2 Verzoeker heeft het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft de indruk gewekt dat zij haar oordeel over de zaak reeds voor aanvang van de zitting had gevormd. Verzoeker baseert dit op: - de opmerking van de rechter op de zitting van 13 maart 2017 dat verzoeker, gelet op de door het college overgelegde verklaringen, de schijn tegen heeft, zonder dat die verklaringen al besproken waren; - de omstandigheid dat hem op die zitting geen open vragen zijn gesteld, maar vragen waarin de aanname besloten ligt dat verzoeker zou liegen; - de omstandigheid dat hem op deze zitting is voorgehouden dat hij nog de kans had om openheid van zaken te geven en dat hij op een punt kon komen, waarop hij niet meer terug zou kunnen; - de omstandigheid dat de burgemeester, die één van de verklaringen heeft opgesteld, nauwelijks kritische vragen zijn gesteld; - de omstandigheid dat verzoeker werd gevraagd welk belang de burgemeester zou kunnen hebben om niet de waarheid te spreken; - de door de rechter gestelde vraag welk belang verzoeker zou kunnen hebben om niet de waarheid te spreken. Daarnaast heeft verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij na de zitting van 13 maart 2017 heeft vernomen dat mr. Berns, de gemachtigde van het college tijdens die zitting, werkzaam is voor Capra advocaten, de voormalige werkkring van de rechter, zodat die gemachtigde en de rechter collega’s zijn geweest. 2.3 De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken. 3De beoordeling Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit de artikelen 8:15 en 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende. Aan de orde is de vraag of sprake is van feiten en omstandigheden die een objectief te rechtvaardigen grond geven voor de vrees van verzoeker dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt. De wrakingskamer is van oordeel dat de omstandigheid dat de rechter in het begin van de zitting van 13 maart 2017 verzoeker heeft meegedeeld dat hij, gelet op de door het college overgelegde verklaringen, de schijn tegen had, geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter en grond voor wraking oplevert. Uit deze opmerking kan op zichzelf niet worden afgeleid dat het oordeel van de rechter over het verzoek om een voorlopige voorziening reeds vaststond. De rechter heeft in haar verweer en ter zitting van de wrakingskamer toegelicht dat zij met deze opmerking beoogde verzoeker in kennis te stellen van haar voorlopige indruk van het door haar bestudeerde dossier, waarop verzoeker vervolgens kon reageren. Niet gebleken is dat de rechter, indien daartoe aanleiding zou bestaan, haar voorlopige indruk over de zaak niet zou willen herzien. Dat de rechter met name aan verzoeker kritische vragen heeft gesteld, levert evenmin een grond voor wraking op. Het behoort immers tot de taak van de rechter om op zitting zoveel mogelijk de geschilpunten tussen partijen duidelijk te krijgen, in welk kader de rechter kritische vragen mag stellen aan partijen. De omstandigheid dat de rechter aan verzoeker meer (kritische) vragen heeft gesteld ligt in het verlengde van haar voorlopige indruk van de zaak. Daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat de rechter vooringenomen is. Hoewel de wrakingskamer het niet onbegrijpelijk acht dat verzoeker de vraagstelling tijdens de zitting niet steeds als prettig heeft ervaren, levert die bejegening geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter op. Het betoog dat de rechter vooringenomen is vanwege de door haar voorheen verrichte werkzaamheden voor Capra advocaten treft geen doel. Zoals de rechter onweersproken heeft gesteld is zij reeds geruime tijd (sinds 1 oktober 2010) niet meer werkzaam voor Capra advocaten, is zij in haar voormalige werkkring niet betrokken geweest in zaken van de gemeente Lingewaard en heeft zij na haar vertrek bij Capra advocaten zakelijk noch privé contact gehad met mr. Berns. De wrakingskamer is daarom van oordeel dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen. 4De beslissing De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af. Deze beschikking is gegeven door de mr. L. van Gijn, voorzitter, I.D. Jacobs en S. Djebali, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Barzilay en in openbaar uitgesproken op 5 april
  3. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.