← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2017:3094

vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem Vonnis van 26 april 2017 in de gevoegde zaken met zaak-/rolnummer C/05/285046 / HA ZA 15-350 / 592 / 823fh van 1 [eiser] , wonende te [woonplaats]

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid F.A.V. HOLDING B.V., gevestigd te Wassenaar, eisers, advocaat mr. A.A. Boot te Amsterdam, procesadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen
  2. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN (VOORHEEN DIENST LANDELIJK GEBIED), zetelend te ’s-Gravenhage;
  3. de publiekrechtelijke rechtspersoon BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN, zetelend te Utrecht, gedaagden, advocaat mr. F. Sepmeijer te ’s-Gravenhage en met zaak-/rolnummer C/05/285340 / HA ZA 15-364 / 592 / 823fh van 1 [eiser sub 1] , wonende te [woonplaats] ;
  4. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats] ;
  5. FRANS ANTON WILLEM JURGENS, wonende te [woonplaats] ;
  6. [eiser sub 4], wonende te [woonplaats] ;
  7. [eiser sub 5], wonende te [woonplaats] ;
  8. [eiser sub 6], wonende te [woonplaats] ;
  9. [eiser sub 7], wonende te [woonplaats] ;
  10. [eiser sub 8], wonende te [woonplaats] ; allen in hun hoedanigheid van deelgenoot in de onverdeelde nalatenschap van wijlen de heer [overledene] , eisers, advocaat eerst mr. J.P. Hoegee te Nijmegen, nu mr. A.A. Boot te Amsterdam, tegen
  11. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN (VOORHEEN DIENST LANDELIJK GEBIED), zetelend te ’s-Gravenhage;
  12. de publiekrechtelijke rechtspersoon BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN, zetelend te Utrecht, gedaagden, advocaat mr. F. Sepmeijer te ’s-Gravenhage Partijen zullen ook hierna weer [eisers sub 1 t/m 8] , de Staat, BBL en de [overledene] genoemd worden. 1Procedure in beide zaken 1.
  13. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 7 september 2016 en de daarin genoemde gedingstukken; het conceptrapport van de deskundige H.Ch. Pullen; de reacties van partijen op het conceptrapport; het e-mailbericht van de deskundige van 7 maart 2017 met bijlage; het e-mailbericht van mr. Sepmeijer voornoemd van 8 maart 2017; het faxbericht van mr. Boot voornoemd van 14 maart
  14. 1.
  15. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Verdere beoordeling in beide zaken 2.
  16. De rechtbank blijft bij wat in het vonnis van 7 september 2017 is overwogen en beslist. 2.
  17. Bij dat vonnis is een onderzoek door een deskundige bevolen en zijn partijen [eisers sub 1 t/m 8] en de [overledene] ieder veroordeeld tot betaling van een voorschot ad € 4.840,- inclusief BTW op de kosten van het deskundigenbericht. 2.
  18. Naar aanleiding van het commentaar van partijen op het concept-deskundigenrapport heeft de deskundige, teneinde adequaat te reageren en te antwoorden op de vragen/commentaren verzocht het voorschot opwaarts bij te stellen naar 2 x € 6.000,- exclusief BTW (2 x € 7.260,- inclusief BTW). 2.
  19. Het verzoek is voldoende gemotiveerd, zodat de rechtbank het - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - zal inwilligen. 2.
  20. Bij de uiteindelijke begroting van de kosten van het deskundigenbericht zal de deskundige worden gevraagd zijn uren te specificeren. 3Beslissing De rechtbank 3.
  21. in de zaak met nummer C/05/285046 / HA ZA 15-350: bepaalt dat [eisers sub 1 t/m 8] ter aanvulling op het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht € 2.420,- ter griffie zal storten aan de hand van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen; 3.
  22. in de zaak met nummer C/05/285340 / HA ZA 15-364: bepaalt dat de [overledene] ter aanvulling op het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht € 2.420,- ter griffie zullen storten aan de hand van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen; 3.
  23. in beide zaken voorts: 3.3.
  24. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden; 3.3.
  25. bepaalt dat de deskundige niet met de behandeling van de commentaren behoeft te beginnen dan nadat hij door de griffier in kennis is gesteld van de ontvangst van de hiervoor onder 3.1 en 3.2 bedoelde betalingen; 3.3.
  26. bepaalt dat de deskundige uiterlijk op 26 juni 2017 zijn definitieve rapport ter griffie zal indienen; 3.3.
  27. verwijst de zaak naar de vierde rolzitting na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van conclusies na deskundigenbericht aan de zijde van [eisers sub 1 t/m 8] en de [overledene] of voor bepaling vonnis; 3.3.
  28. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. S.J. Peerdeman, R.J.J. van Acht en K. van Vlimmeren- van Ommen, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.