RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht zaaknummer: 17/229 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. A.C. Cornelisse), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn te Apeldoorn, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand ingevolgde de Participatiewet (Pw) afgewezen. Omdat het vermogen van eiseres hoger is dan de vermogensgrens, heeft zij geen recht op bijstand. Bij besluit van 5 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw M.H.A.J. Wesdijk. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt van UWV een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 26 april 2016 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor aanvullende bijstand ingevolge de Pw. 2. Verweerder heeft het besluit dat eiseres geen recht heeft op bijstand ingevolge de Pw gebaseerd op de stelling dat haar vermogen hoger is dan de vermogensgrens voor een alleenstaande van € 5.920,00. 3. Eiseres is van oordeel dat de in het bestreden besluit genoemde bedrag van € 15.556,39 op een rekening Rabo GoudenHanddrukSparen ten onrechte door verweerder wordt beschouwd als vermogen. Volgens eiseres had verweerder dit bedrag wel degelijk moeten aanmerken als een door eiseres getroffen pensioenvoorziening. Eiseres heeft de overeenkomst met de Rabobank op 18 november 2010, dus ruim vijf jaar voor datum aanvraag, afgesloten, met in eerste instantie 18 november 2013 als einddatum. Omdat eiseres geen dan wel nauwelijks een pensioenvoorziening heeft opgebouwd heeft eiseres vanaf het moment dat zij wist dat aan haar een ontslagvergoeding van € 15.000,- zou worden uitbetaald de intentie gehad om dit bedrag aan te wenden voor een te treffen pensioenvoorziening. Dat eiseres op 18 november 2013 de formele keuze heeft gehad om te laten uitkeren doet, volgens eiseres, hier niet aan af. Zou eiseres op 18 november 2013 een reële keuze gehad hebben om het tegoed uit te laten betalen dan vindt eiseres dat verweerder, gelet op haar omstandigheden zoals beschreven waaronder haar intentie, dat verweerder aanleiding had moeten zien om de, overigens beperkte, lijfrente alsnog buiten beschouwing te laten. Volgens eiseres heeft verweerder dit ten onrechte nagelaten. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 4.2. De rechtbank stelt vast dat in artikel 31, eerste lid, van de Pw tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Ingevolge artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Pw wordt onder het redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, niet verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, alsmede om te beschikken over een waardetoename van die lijfrente. Volgens artikel 15, eerste lid, van de Pw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Op grond van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b van de Pw wordt onder een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening niet verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, en: tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld; voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan € 250.900,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventuele door de belanghebbende daarover verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.