Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2017:4712
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummer: AWB 16/5455 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 september 2017 in de zaak tussen [X] , te [Z] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] FB), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.
Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag schenkbelasting opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 augustus 2016 de aanslag schenkbelasting gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen bij brief van 12 september 2016, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 23 juni 2017 is aan partijen een vooraankondiging voor de voorgenomen zitting op 24 augustus 2017 toegezonden. Van eiseres is geen bericht van verhindering ontvangen. Vervolgens is eiseres bij aangetekende brief van 12 juli 2017 uitgenodigd voor de zitting. De gemachtigde heeft per brief van 16 juli 2017 een verzoek tot uitstel ingediend vanwege een verblijf in het buitenland. Dit verzoek is bij brief van 18 juli 2017 afgewezen, omdat het verzoek niet is ingediend binnen een week na verzending van de aankondiging van de datum van de zitting en naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van gewichtige redenen in de zin van het Procesreglement bestuursrecht. Gelet op het feit dat een vooraankondiging is verzonden, waarop niet is gereageerd, is de rechtbank van oordeel dat het voor risico komt van eiseres dat de gemachtigde op het tijdstip van de zitting andere verplichtingen heeft, nog daargelaten dat de gemachtigde niet heeft toegelicht wanneer hij met die omstandigheid bekend is geworden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiseres is zonder nader bericht niet verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en mr. [A] verschenen.
Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank.
Overwegingen Feiten 1. Eiseres is in 1979 op huwelijksvoorwaarden gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenoot). Deze huwelijksvoorwaarden behelzen uitsluiting van elke huwelijksgoederengemeenschap en de instelling van een wettelijk deelgenootschap als bedoeld in het destijds geldende artikel 1:132 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zij zijn hierover, voor zover van belang, het navolgende overeengekomen: “Artikel 6.
Uit de desbetreffende activa moeten de desbetreffende passiva worden betaald, terwijl hetgeen er dan nog overblijft moet worden verdeeld als ware het eigendom van de beide echtgenoten, ieder voor de helft.”
De overeenkomst van [2009] wordt in het stuk niet genoemd.
In de notulen wordt het volgende besluit vastgelegd: de aanwezigen in hun hoedanigheid van bestuurder/certificaathouder en aandeelhouder van [C] B.V./ [D] . [E] BV. [F] BV en [G] BV en [Y] , stemmen in om [H] B.V. toe te staan € 2.050.000,-- (zegge: tweemiljoenvijftigduizend euro) borgtocht/pandrecht te verlenen ten laste van [H] B.V. op verzoek van aandeelhouder [Y] (1953). Het bedrag ad € 2.050.000,-- (zegge: tweemiljoen vijftigduizend euro) is door dit besluit feitelijk eigendom van mevrouw [X] , die op verzoek van bovenstaande partijen aanwezig is op deze vergadering. [H] B.V. verkrijgt hierdoor een vordering op [Y] (1953) ad € 2.050.000 (zegge: tweemiljoenvijftigduizend euro). De aanwezigen zijn op de hoogte dat het bedrag onderdeel uitmaakt van de ‘Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden’ d.d. [2009] . (…) Op de vraag of hij de verrekening huwelijkse voorwaarden kende (…) antwoordde de heer [gemachtigde] : “Dit heb ik voor het eerst gezien in augustus september 2013. De curator had dit stuk aangetroffen. Ik heb toen gezegd dat ik dit stuk voor het eerst zag”. (…) Bij vraag 70 staat:
Zijn de pandrechtovereenkomst/zakelijke borgtocht en Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden door u of uw man of derden gemaakt?
Het eerste, handgeschreven, antwoord is:
Niet door mij gemaakt, door mijn man of in opdracht van mijn man.
In het tweede, uitgewerkte, antwoord staat:
Mijn man heeft dat opgemaakt al dan niet met een juridisch adviseur en/of accountant.
Met de pen is daar weer aan toegevoegd (…): en is opgemaakt dit naar aanleiding van de BAVA [2010 2] ten kantore van [I] (…) [X] verklaarde (…): “De toevoeging met de pen is mijn handschrift. Ik weet zo gauw even niet wat BAVA betekent. Ik weet ook zo gauw niet waarom ‘en is opgemaakt’ is doorgehaald.” (…) Op de vraag hoe hij verklaarde dat dit stuk gedagtekend is op een datum welke ligt vóór het opstellen van de estate planning, antwoordde de heer [gemachtigde] : “(…) Ik heb richting de advocaat van [Y] laten weten dat ik dit stuk niet kende en niet wist of dit stuk bruikbaar was. Ik heb niets van deze stukken in een aangifte verwerkt dus ik heb geen actie hoeven te ondernemen richting de fiscus. (…) Tijdens de bespreking in het voorjaar van 2010 heeft [Y] nooit tegen mij gezegd dat er feitelijk in 2009 al een overeenkomst lag. Als u zegt dit vreemd te vinden moet ik zeggen dat ook ik dit niet kan verklaren. Ik heb letterlijk tegen de advocaat, [J] , van [Y] gezegd dat ik niet ga zeggen stukken uit 2009 te kennen terwijl dat niet zo was”.
Op de vraag of [gemachtigde] ten tijde van het opmaken van de Estate planning op [2010 1] wist dat er een verrekening huwelijkse voorwaarden was, antwoordde [Y] sr.: “Ik weet niet of dit besproken is. Het lijkt mij sterk dat [gemachtigde] hier niets van wist.” (…) In oktober 2010 zegt de ABN AMRO het krediet op en geeft [I] tot 1 oktober 2011 (…) haar gehele schuld af te lossen.”
Geschil 6. In geschil is of de aanslag schenkbelasting terecht is opgelegd. Het gaat daarbij om de vraag of sprake is geweest van een schenking.
Beoordeling van het geschil 7. Eiseres betwist dat sprake is van een belastbare schenking. Volgens eiseres heeft een tussentijdse afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden plaatsgevonden. Ook kan de overeengekomen verrekening worden aangemerkt als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis waarop de vrijstelling van artikel 33, onder 12°, van de Successiewet 1956 (hierna: SW) van toepassing is. Eiseres heeft gesteld dat sprake was van een dringende morele verplichting van de echtgenoot om aan haar een deel van zijn vermogen te laten toekomen.
Duiding van de overeenkomst 8. Tot 2002 was het wettelijk deelgenootschap in de wet opgenomen. Voor de uitleg van de huwelijksvoorwaarden van eiseres en de echtgenoot zijn de oude wettelijke bepalingen nog steeds van belang. Het wettelijk deelgenootschap verplicht echtgenoten de vermeerdering van hun vermogen die tijdens de duur van het deelgenootschap plaatsvindt te delen. Het deelgenootschap eindigt op grond van artikel 1:134 (oud) van het BW door het eindigen van het huwelijk, door scheiding van tafel en bed, door een vonnis dat het deelgenootschap opheft of door een opheffing bij latere huwelijksvoorwaarden. Partijen zijn hiervan in hun huwelijksvoorwaarden niet afgeweken. Geen van de genoemde situaties heeft zich voorgedaan.
Voor zover de overeenkomst al zou moeten worden opgevat als een poging tot wijziging van de huwelijksvoorwaarden, kan een dergelijke wijziging niet aan de orde zijn. Huwelijksvoorwaarden moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan (artikel 1:115 van het BW). De huwelijksvoorwaarden zijn dus niet gewijzigd. Op grond van de bestaande huwelijksvoorwaarden had eiseres geen vorderingsrecht op de echtgenoot, omdat een dergelijk recht pas bij het eind van het deelgenootschap ontstaat. De redenering dat de tussentijdse vermogensgroei alvast gedeeld is, is onjuist. Niet alleen heeft verweerder aangevoerd dat de vermogensgroei van de echtgenoot bestond uit privévermogen, zelfs als de vermogensgroei wel betrekking heeft op te delen vermogen, bestaat er geen recht op deling bij voorbaat.
Er moet immers aan het eind van het deelgenootschap worden bepaald wat de vermogensgroei is. Dit kan niet op voorhand worden vastgesteld. Als het vermogen eerst toeneemt en vervolgens weer evenveel afneemt, is er niets te delen. Nu de echtgenoot inmiddels failliet is verklaard, is dit overigens ook niet een louter theoretische mogelijkheid.
Jaar van schenking 15. In het feit dat eiseres zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst dateert van [2009] ziet de rechtbank, in navolging van verweerder, aanleiding volledigheidshalve in te gaan op de vraag of terecht over 2010 is geheven.
Daarbij weegt mee dat de FIOD weliswaar brieven met dateringen in 2009 heeft aangetroffen die de door eiseres gestelde gang van zaken zouden kunnen onderbouwen, maar dat de juistheid van die datering niet kan worden vastgesteld, doordat deze niet zijn terug te vinden op de laptops van eiseres en de echtgenoot. De verklaring van eiseres dat zij brieven niet opsloeg en dat door de jaren heen verschillende laptops zijn gebruikt acht de rechtbank niet geloofwaardig. Deze stelling is bovendien niet onderbouwd met bewijsstukken en doet voor het overige aan de constatering dat er geen enkel objectief aanknopingspunt is voor de juistheid van de datering van de overeenkomst in 2009 niet af. De rechtbank wijst er daarbij tevens op dat de overdracht van de woning aan de stichting pas op [2010 3] heeft plaatsgevonden.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. R.A. Boon en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 september 2017 de griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.