RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/740484-16 Datum uitspraak : 19 september 2017 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te [adres 2] raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2017. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2016 tot en met 17 oktober 2016, te Arnhem en/of te Velp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(
- en)de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, en/of (telkens) (een) voorwerp(
- en)verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(
- en)gebruik heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(
- s)-een of meer personen bewogen tot het ter beschikking stellen van (een) bankrekening(
- en)en/of bankpas (sen) en/of pincode(
- s)en/of -een of meer geldbedrag(
- en)(te weten meerdere met verf besmeurde bankbiljetten) (in totaal ongeveer 22.830 euro, in ieder geval een groot geldbedrag) gestort en/of laten storten en/of vervolgens (direct weer) opgenomen en/of laten opnemen (gepind) terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen/gelden geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. 2De beslissing inzake het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat hoewel sprake is van wettig bewijs, er onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig is om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken. 3. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel [Benadeelde partij] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 487,00. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden. 4De beslissing De rechtbank: Spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De beslissing op de vordering van [Benadeelde partij] Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. M.J. Wasmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Sluijters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 september 2017.