← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2017:5133

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 17/4793 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] verzoekster (gemachtigde: mr. H.B. Azar), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder. 1Procesverloop Verzoekster heeft bij brief van 12 september 2017 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 augustus

  1. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 17/
  2. Gelijktijdig is voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft, naast de gedingstukken, een verweerschrift ingediend. Bij brief van 27 september 2017 heeft de gemachtigde van verzoekster de vraagstelling van de griffier beantwoord. 2Overwegingen Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster een WW-uitkering van € 838,32 bruto per maand ontvangt, inclusief de opgelegde maatregel van 25% in verband met onvoldoende solliciteren. Verzoekster is alleenstaand en woont samen met haar vader, die een AOW-uitkering ontvangt. Verzoekster voldoet aan de zogeheten kostendelersnorm. Om die reden is er volgens verweerder geen sprake van een financiële noodzaak. Namens verzoekster is gesteld dat de maatregel van 25% gedurende vier maanden maakt dat zij niet kan voorzien in haar eigen levensonderhoud. Verzoekster is alleenstaand en zorgt voor haar dochter van drie. Zij woont tijdelijk bij haar vader. Verzoekster betaalt geen huur maar wel zijn maandelijkse energiekosten van €
  3. Verzoekster verwijst naar de overgelegde bankafschriften en aanmaningsbrieven. De voorzieningenrechter wijst allereerst op vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764), waaruit volgt dat de mogelijkheid om hangende beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Het enkele feit dat verzoekster een negatief banksaldo heeft en geld van haar vader moet lenen is onvoldoende om een spoedeisend actueel financieel belang aan te nemen dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster blijft beschikken over voldoende middelen van bestaan tot de zogenoemde beslagvrije voet nu zij naast de WW-uitkering, zoals blijkt uit de bankafschriften, ook toeslagen van de Belastingdienst ontvangt. Daarnaast is zij in staat gebleken de energierekening namens haar vader te voldoen. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat behandeling van haar beroep niet door haar zou kunnen worden afgewacht. De voorzieningenrechter overigens nog op dat voor zover verzoekster meent dat zij gedurende de periode waarop de maatregel ziet een inkomen heeft onder het zogenoemde bestaansminimum zij zich tot haar gemeente kan wenden voor (eventuele) aanvullende bijstand. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd moet worden geoordeeld dat vooralsnog onvoldoende spoedeisend belang bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet, gezien het voorgaande, aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak te doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb zijn geen termen aanwezig. Beslist wordt als volgt. 3Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 oktober
  4. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.