vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 6120618 \ VV EXPL 17-113 \ 474 \ 858 uitspraak van 25 augustus 2017 vonnis in kort geding in de zaak van [eiser] [woonplaats] eisende partij gemachtigde mr. A.O.C.A. van Schravendijk procederende krachtens toevoegingsnummer 2FM5927 tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JVH Hospitality B.V. gevestigd te 's-Hertogenbosch gedaagde partij gemachtigde mr. K.L.M. Kaldenbach Partijen worden hierna [eiser] en JVH genoemd. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 juli 2017 met producties - de mondelinge behandeling van 15 augustus 2017 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van JVH. 2Het geschil en de beoordeling daarvan 2.
- [eiser] vordert op de in de dagvaarding vermelde gronden de veroordeling van JVH tot betaling van de ziektewetuitkering ten bedrage van € 959,97 bruto per maand vanaf 15 februari 2017 tot en met 12 januari 2019, dan wel 12 januari 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente. Kortheidshalve wordt verwezen naar de onder I en II van de eis geformuleerde vorderingen. Onder III vordert [eiser] de veroordeling van JVH tot afgifte van bruto/netto specificaties op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tot slot wordt de veroordeling van JVH tot betaling van de proceskosten gevorderd. 2.
- JVH concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen; subsidiair tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] tot betaling van de proceskosten. Verwezen wordt naar de door de gemachtigde van JVH overgelegde pleitnota. 2.
- Naar het oordeel van de kantonrechter treft het primaire verweer van JVH doel. [eiser] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde procespartij veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Motivering In ieder geval staat tussen partijen vast dat de voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst is beëindigd op 14 februari
- Tussen partijen is nog in geschil de rechtsgeldigheid van het eerder door JVH aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft bij beschikking d.d. 10 mei 2017 dat ontslag vernietigd. Van deze beschikking is JVH in hoger beroep gegaan. Voor de beoordeling in dit kort geding kan de beschikking van de kantonrechter buiten beschouwing worden gelaten. In ieder geval staat als beëindigingsdatum vast de datum van 14 februari
- [eiser] stelt dat hij wegens ziekte niet in staat was (en is) tot het verrichten van arbeid en dat hij ziek uit dienst is getreden bij JVH. JVH is volgens [eiser] als eigenrisicodrager gehouden hem de gevorderde ziektewetuitkering te betalen. Naar het oordeel van de kantonrechter voert JVH op goede gronden het verweer dat [eiser] niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen. Vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (in ieder geval per 14 februari 2017) is er geen sprake van een civielrechtelijke vordering van [eiser] . De pretense aanspraken van [eiser] (overigens ook inhoudelijk betwist door JVH) zijn bestuursrechtelijk van aard. [eiser] moet zich tot het UWV richten met het verzoek om een ziektewetuitkering. Omdat JVH eigenrisicodrager is, zal het UWV aan JVH vragen de beschikking op grond van de Ziektewet voor te bereiden, waarbij JVH de wet- en regelgeving waar het UWV zelf ook aan gehouden is in acht moet nemen, zoals het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten en de Controlevoorschriften Ziektewet
- Nu het primair verweer van JVH slaagt, behoeft de kantonrechter de overige verweren en geschilpunten niet te bespreken. 3De beslissing De kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter 3.
- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens JVH; 3.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van JVH begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017