RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/6789 proces-verbaal van de voorzieningenrechter van op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] en anderen, te [woonplaats], verzoekers (gemachtigde: mr. M.F. van Hulst), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Murry Grey B.V., te Renswoude (gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer). Procesverloop Bij besluit van 19 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de gebruikers van het perceel aan de [adres] te [woonplaats] een last onder bestuursdwang opgelegd. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december
- Van verzoekers zijn verschenen [verzoeker], [verzoeker], [verzoeker] en [verzoeker], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] en [vertegenwoordiger], vergezeld door [medewerker], medewerker van de brandweer. De gemachtigde van de derde-partij is verschenen. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 990; gelast dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht van € 168 aan hen vergoedt. Overwegingen
- De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
- De last ziet op twee overtredingen: de overtreding van de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan en de overtreding van de (brand)veiligheidseisen van het Bouwbesluit
- Er is meteen bestuursdwang toegepast in verband met de overtreding van het Bouwbesluit 2012.Verzoekers moeten de bewoning van het perceel staken en maatregelen nemen om bewoning op het perceel onmogelijk te maken. Dat moeten ze doen voor 15.00 uur op de dag dat de last aan hen is uitgereikt. Dat is op 19 december
- Verzoekers hebben de gebouwen op het perceel in augustus 2017 gekraakt. In september 2017 heeft de brandweer op hun verzoek een inspectie uitgevoerd. Toen is de situatie in orde bevonden. Volgens verweerder is de situatie nu veranderd. Er zijn elektrotechnisch zaken door verzoekers veranderd en de weersomstandigheden zijn nu anders, het is nu nat en koud. Daardoor is de kans op ongelukken volgens verweerder groter geworden.
- De voorzieningenrechter sluit dit risico niet helemaal uit. Daar staat tegenover dat verzoekers vanaf het begin van hun verblijf hun goede wil hebben getoond. Zij hebben de brandweer gevraagd om een inspectie. Nadat ze het bestreden besluit hebben ontvangen hebben ze, zo goed en zo kwaad als dat kon binnen de gegunde tijd, het een en ander aangepast. Verzoekers lijken doordrongen van de veiligheidsrisico’s. Onder deze omstandigheden is het niet redelijk om met spoed bestuursdwang toe te passen. De mogelijkheid om verzoekers zelf eerst aan een oplossing te laten werken is onvoldoende uitgeprobeerd. Daar komt nog bij dat de stroom inmiddels is afgesloten door Liander. De kans op ongelukken is daarmee verder verkleind.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.
- Schorsing van het bestreden besluit betekent dat verzoekers weer terug mogen naar het perceel om daar te wonen. Verweerder zal weer moeten gaan controleren op de brandveiligheid. Als die onvoldoende is kan hij om opheffing van de schorsing vragen.
- Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 december
- Griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.