vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rolnummer: C/05/312553 / HZ ZA 16-476 Vonnis van 21 juni 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , eiser, advocaat mr. E.J. Moll te Doetinchem, tegen 1 [gedaagde 1] ,mede in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [plaats 3] , wonende te [plaats 2] , gedaagde, advocaat mr. M. Verkuijl-Boessenkool te Apeldoorn,
- [gedaagde 2],mede in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [plaats 3] , wonende te [plaats 2] , gedaagde, niet verschenen,
- [gedaagde 3],mede in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [plaats 3] , wonende te [plaats 3] , gedaagde, niet verschenen,
- [gedaagde 4],mede in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [plaats 3] , wonende te [plaats 2] , gedaagde, niet verschenen,
- [gedaagde 5],mede in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [plaats 3] wonende te [plaats 2] , gedaagde, niet verschenen
- [gedaagde 6], wonende te [plaats 2] , gedaagde, niet verschenen. In dit vonnis zullen partijen als volgt worden genoemd: eiser: [eiser] gedaagde sub 1: [gedaagde 1] elk der andere gedaagden: gedaagde, gevolgd door het nummer waaronder hij of zij is gedagvaard gedaagden gezamenlijk: gedaagden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 12 april 2017 het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2017 de brief van de advocaat van [gedaagde 1] (met bijlagen) van 2 juni
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen zijn de (klein)kinderen van de op 27 juni 2015 overleden [plaats 3] (hierna: erflaatster). Erflaatster had geen testament opgemaakt. [eiser] , [gedaagde 1] en gedaagden sub 2 tot en met 5 hebben de nalatenschap van erflaatster zuiver respectievelijk beneficiair aanvaard. Gedaagde sub 6 heeft deze nalatenschap verworpen. 2.
- Erflaatster is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de op 9 februari 1969 overleden [betrokkene] . Bij notariële akte van 23 januari 1970 is bedoelde gemeenschap van goederen aldus verdeeld dat - kort gezegd - alle bezittingen en schulden aan erflaatster zijn toegedeeld, waartegenover ieder van de kinderen, onder wie [eiser] , een vordering op erflaatster verkregen van hfl. 2.003,
- Volgens voormelde akte had erflaatster tevens een schuld van hfl. 4.000,-- aan [eiser] . 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert - na vermindering van eis ter comparitie - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: a. [gedaagde 1] en gedaagden sub 2 tot en met 5 zal veroordelen tot het opmaken van een boedelbeschrijving en tot het deponeren van deze boedelbeschrijving ter griffie van de rechtbank en ten kantore van de boedelnotaris, mr. H.S. Kleinburink, kantoorhoudende te Doetinchem aan de Keppelseweg 25, b. voor recht zal verklaren dat onderdeel uitmaken van de nalatenschap van erflaatster, de sub 4, 5 en 6 in het lichaam van de dagvaarding beschreven twee schulden van erflaatster aan [eiser] uit 1970, althans welke in 1970 beschreven zijn, van hfl. 4.000,-- en hfl. 2.003,51, welke vorderingen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1970 tot 2015, thans afgerond € 46.000,-- en € 23.000,-- bedragen, c. voor recht zal verklaren wat de hoogte is van de schenkingen van erflaatster aan gedaagden die, voor de berekening van de legitimaire massa, bij de nalatenschap moeten worden opgeteld, voor recht zal verklaren wat de omvang van de legitimaire massa is, voor recht zal verklaren wat de hoogte is van de legitimaire aanspraak van eiser, alsmede voor recht zal verklaren of, en in hoeverre, gedaagden op grond van artikel 4:90 lid 1 tweede volzin BW, verplicht zijn de waarde van de door hen ontvangen giften te vergoeden aan eiser, en/of d. een zodanige verklaring voor recht zal uitspreken en/of wijze van vereffening en verdeling zal gelasten als de rechtbank op basis van de relevante feiten zal vermenen te behoren. 3.
- [gedaagde 1] concludeert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen dan wel deze zal afwijzen. 3.
- Op de stellingen van partijen – voor zover van belang – zal hierna nader worden ingegaan. 4.
- De beoordeling 4.
- Bij vonnis in incident van 15 februari 2017 zijn [gedaagde 1] en gedaagden sub 2 tot en met 5 veroordeeld tot het opmaken van een boedelbeschrijving en tot het deponeren van deze boedelbeschrijving ter griffie van deze rechtbank en ten kantore van de boedelnotaris, mr. H.S. Kleinburink, kantoorhoudende te Doetinchem aan de Keppelseweg
- Ter comparitie is gebleken dat gedaagden sub 1 tot en met 5 nog niet aan deze veroordeling hebben voldaan, hoewel zij daartoe gezien die veroordeling wel zijn gehouden. De vordering onder a is dan ook toewijsbaar. Gedaagden zullen met het oog op het opmaken van die boedelbeschrijving met elkaar in overleg dienen te treden. De rechtbank geeft hen dringend in overweging zulks op korte termijn te doen. 4.
- Erflaatster had volgens de akte d.d. 23 januari 1970 schulden van hfl. 2.003,51 en hfl. 4.000,- aan [eiser] . 4.
- Het verjaringsverweer van [gedaagde 1] is gegrond. Immers, volgens artikel 3:307 Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de verjaringstermijn voor een vordering als de onderhavige vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (lid 1) dan wel, in geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan dan wel in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zo nodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was (lid 2). Met betrekking tot de vordering van hfl. 2.003,51 vermeldt genoemde akte: De hoofdsom (of het onafgeloste deel daarvan) is in haar geheel opeis- en aflosbaar met inachtneming van een termijn van tenminste drie maanden. Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat met betrekking tot de opeisbaarheid van de vorderingen van hfl. 4.000,- en hfl. 2.003,51 (nadere) afspraken zijn gemaakt tussen erflaatster en [eiser] . Het moet er dan ook – gelet op het bepaalde in artikel 6:38 BW – voor worden gehouden dat die vorderingen direct opeisbaar waren, zij het laatstgenoemde vordering met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste 3 maanden. Daaruit volgt dat de wettelijke verjaringstermijn is verstreken. 4.
- [eiser] heeft aangevoerd dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hij heeft, onder verwijzing naar een tweetal rechterlijke uitspraken, in dit verband aangevoerd dat het gaat om een schuld binnen de familie waarvoor andere normen gelden dan in het handelsverkeer. 4.
- De formulering van artikel 6:248 lid 2 BW (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar) brengt tot uitdrukking dat de rechter bij de toepassing van dit artikel de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten. Het enkele feit dat sprake is van een schuld in de familiesfeer, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te doen zijn. Dit zou immers betekenen dat een beroep op verjaring ten aanzien van elke schuld tussen (naaste) familieleden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat kan niet als juist worden aanvaard, ook niet indien betrokkenen buiten de Randstad woonachtig zijn. In dit geval is bovendien van belang dat [eiser] ter comparitie heeft verklaard dat hij erflaatster meermalen mondeling heeft verzocht te betalen. De schuld is dus onderwerp van gesprek met erflaatster geweest. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt dan ook niet in te zien dat van [eiser] , zo hij erflaatster niet in rechte wenste te betrekken, niet kon worden gevergd de verjaring op een in de wet voorziene wijze te stuiten. 4.
- [eiser] heeft nog gesteld dat hij heeft geholpen met het bouwen van de woning van erflaatster, dat hij daaraan circa 3.000 uren heeft besteed (te waarderen op een bedrag van € 24.000,-) alsmede dat hij kosten ad in totaal € 2.780,- heeft voorgeschoten, welke uren en kosten nimmer zijn vergoed aan hem. Indien [eiser] dit heeft gesteld ter onderbouwing van zijn stelling dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gaat dat niet op. Het enkele feit dat [eiser] aldus erflaatster heeft geholpen, kan immers niet bijdragen aan de conclusie dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 4.
- Het verjaringsverweer is gegrond. De vordering onder b zal worden afgewezen. 4.
- De vordering onder c bestaat uit een aantal onderdelen die hieronder achtereenvolgens zullen worden besproken. 4.
- [eiser] stelt dat erflaatster gedurende de periode van vijf jaar voorafgaand aan haar overlijden per saldo € 27.000,- contant heeft opgenomen van haar bankrekening en dat het er daarom voor gehouden moet worden dat zij aldus in de periode van 2005 tot 2015 € 54.000,- heeft opgenomen, dat zij dat bedrag kennelijk aan gedaagden, afstammelingen en legitimarissen, heeft geschonken en dat zij voorts aan [gedaagde 1] een schenking van € 56.677,15 heeft gedaan in de vorm van een schenking van een restant koopsom en dat deze giften in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa. 4.
- [gedaagde 1] betwist dat erflaatster een bedrag van € 54.000,- heeft geschonken aan de afstammelingen en legitimarissen. De opgenomen contante bedragen betroffen leefgeld voor erflaatster, die het geld heeft gebruikt voor dagelijkse uitgaven, waaronder ook cadeautjes aan kinderen en kleinkinderen. Hij heeft naar schatting in totaal € 400,- als schenking van erflaatster ontvangen en hetzelfde geldt voor zijn broers en zusters, aldus [gedaagde 1] . 4.
- [eiser] heeft niet onderbouwd dat gedaagden schenkingen hebben ontvangen, laat staan tot een bedrag van in totaal € 54.000,-. Uit de bankopnames kan niet worden afgeleid dat erflaatster enig bedrag heeft geschonken. Die opgenomen bedragen kunnen immers op allerlei wijzen door haar zijn aangewend. Naar het oordeel van de rechtbank hebben die bedragen ook niet een zodanige omvang dat onwaarschijnlijk is dat erflaatster die ten behoeve van zichzelf heeft aangewend. Nu elke onderbouwing voor zijn stelling ontbreekt, zal [eiser] niet tot bewijs worden toegelaten. Daardoor is in rechte niet komen vast te staan dat erflaatster enig bedrag heeft geschonken. Van het door [eiser] gestelde bedrag van € 54.000,- behoeft daarom voor de berekening van de legitimaire massa niets bij de nalatenschap worden opgeteld. Dat [gedaagde 1] een bedrag van € 1.600,- heeft genoemd, maakt dat niet anders, nu dat slechts een schatting betreft van het maximaal geschonken bedrag en geen erkenning van schenkingen tot dat bedrag. Bovendien moeten dergelijke schenkingen, zo deze zijn gedaan, worden beschouwd als gebruikelijke niet bovenmatige giften als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 sub b BW, die daarom bij de berekening van de legitimaire massa buiten beschouwing blijven. 4.
- [gedaagde 1] erkent dat hem het bedrag van € 56.677,15 is geschonken, zodat dit bedrag bij het bepalen van de legitimaire massa in aanmerking moet worden genomen. 4.
- De omvang van de legitimaire massa en de legitieme aanspraak zullen slechts kunnen worden bepaald en de rechtbank zal dus slechts een verklaring voor recht ter zake kunnen geven indien de omvang van de nalatenschap vaststaat. Dat laatste is niet het geval: partijen verschillen van mening over de omvang van de nalatenschap en een boedelbeschrijving als bedoeld in artikel 674 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is niet opgesteld. De vordering onder c zal, voor zover die betrekking heeft op de bepaling van de legitimaire massa en de legitieme aanspraak, dan ook worden afgewezen. 4.
- Ten einde partijen ‘verder op weg te helpen’ en hen eventuele verdere gerechtelijke procedures te besparen, overweegt de rechtbank dat op basis van de thans aan de rechtbank bekende gegevens in elk geval tot de legitimaire massa lijken te behoren: banktegoed € 50.047,48 inboedel € 1.000,00 vordering [gedaagde 1] -/- € 14.472,62 schuld [gedaagde 1] € 56.677,15 € 93.252,01 De rechtbank geeft partijen in overweging op basis van dit vonnis te trachten in onderling overleg de verdeling tot stand te brengen. 4.
- Indien en voor zover gedaagden de waarde van de door hen ontvangen giften dienen te vergoeden, hebben zij een schuld aan de nalatenschap en niet aan [eiser] . Aan hem behoeven zij niets te vergoeden. Reeds om die reden zal het laatste onderdeel van de vordering onder c worden afgewezen. 4.
- Geheel ten overvloede wordt ten aanzien van de schenkingen nog het volgende overwogen. [eiser] lijkt op twee gedachten te hinken en zijn stellingen zijn daardoor niet consistent: in de dagvaarding stelt hij dat de contant opgenomen bedragen zijn aangewend voor het doen van schenkingen aan gedaagden, maar ter comparitie heeft hij het vermoeden geuit dat Mientje, met wie hij gedaagde 6 bedoelt, dat bedrag ten behoeve van zichzelf heeft aangewend. Indien gedaagde 6 opgenomen bedragen daadwerkelijk ten behoeve van zichzelf en niet ten behoeve van erflaatster heeft aangewend, zou daaruit een vordering van de nalatenschap op haar wegens onrechtmatig handelen kunnen voortvloeien. Niet valt in te zien dat in dat geval die bedragen als schenkingen aan gedaagden een rol zouden spelen bij het bepalen van de legitimaire massa. 4.
- De vordering onder d inhoudende een zodanige verklaring voor recht uit te spreken als de rechtbank op basis van de relevante feiten zal vermenen te behoren, is zodanig algemeen dat deze niet toewijsbaar is. 4.
- De vordering de wijze van vereffening en verdeling te gelasten als de rechtbank op basis van de relevante feiten zal vermenen te behoren, is eveneens algemeen van aard, maar is niet toewijsbaar op de grond dat de omvang van de nalatenschap niet vaststaat. 4.
- Gezien de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden. 5De beslissing De rechtbank 5.
- veroordeelt [gedaagde 1] en gedaagden sub 2 tot en met 5 tot het opmaken van een boedelbeschrijving en tot het deponeren van deze boedelbeschrijving ter griffie van de rechtbank en ten kantore van de boedelnotaris, mr. H.S. Kleinburink, kantoorhoudende te Doetinchem aan de Keppelseweg 25, 5.
- verklaart voor recht dat de hoogte van de schenkingen van erflaatster aan gedaagden die, voor de berekening van de legitimaire massa, bij de nalatenschap moeten worden opgeteld, € 56.677,15 is, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst af het meer of anders gevorderde, 5.
- compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 21 juni
- ON/Th