← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2018:129

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/881156-17 Datum uitspraak : 4 januari 2018 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [gedaagde] , thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid - te Arnhem, raadsman: mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 oktober 2017 en 21 december

  1. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na een toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
  2. hij in of omstreeks de periode van 07 april 2017 tot en met 10 juli 2017 te Culemborg, Gorinchem, Leerdam, Vianen, Nieuwegein en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of andere middelen, vermeld op lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
  3. hij in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 18 februari 2017 te Culemborg en/of Gorinchem, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, (telkens) van [naam 1] , althans van een ander, (telkens) met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel is en/of kon ontstaan, door met gebruikmaking van voornoemde persoonsgegevens telefoons en/of andere goederen te bestellen/te kopen bij meerdere (particuliere) verkopers;
  4. hij in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 18 februari 2017 te Culemborg en/of Gorinchem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten: (telkens) tot de afgifte van een of meer telefoons door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid: -zich voor te doen als bonafide koper van telefoons, althans goederen, op de internetsite Marktplaats.nl en/of -gebruik te maken van een valse naam, identiteit, identiteitsgegevens en/of ID-kaart (ten name van [naam 1] ) en/of -(in sommige gevallen) gebruik te maken van een vals bewijs van overboeking (in de vorm van een valse printscreen van een bankrekening en/of internetbankieren transactie), waardoor voornoemde personen werden bewogen tot afgifte van de telefoons.
  5. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van feit 1 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft te Culemborg, Gorinchem, Leerdam, Vianen, Nieuwegein en Utrecht cocaïne verkocht, verstrekt, afgeleverd en vervoerd. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in cocaïne, in vereniging gepleegd, gedurende de gehele tenlastegelegde periode. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat op 3 april 2017 vanaf de telefoon waarvan verdachte gebruik maakte een sms-bom is verstuurd waarin cocaïne werd aangeboden. Op basis van de verklaringen van afnemers kan tevens de gehele tenlastegelegde periode bewezen worden. Verdachte en zijn medeverdachte hebben beiden druggerelateerde gesprekken gevoerd via meerdere telefoonnummers. Van deze telefoonnummers maakten zij beiden gebruik. Uit de observaties en de verklaringen van afnemers blijkt ook dat zij samenwerkten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat onvoldoende vaststaat dat verdachte de gehele tenlastegelegde periode heeft gehandeld in cocaïne. Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf 26 mei 2017 een eigen telefoonnummer heeft gekregen. Voor deze periode verleende hij hand en spandiensten, maar was er geen sprake van daderschap. Hij heeft geen bijdrage geleverd die zodanig is geweest dat sprake was van medeplegen voor 26 mei
  6. De raadsman heeft verzocht om verdacht vrij te spreken voor de periode van 7 april 2016 tot 26 mei
  7. Beoordeling door de rechtbank Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf 26 mei 2017 zijn eigen telefoonnummer heeft gekregen, waarmee hij in contact kwam met afnemers van cocaïne. Afnemer [naam 2] heeft op 25 juli 2017 verklaard dat hij het afgelopen half jaar ongeveer 10 keer per week cocaïne kocht. Hij belde of sms’te en had dan contact met een man die zei dat hij zijn neef zou sturen. [naam 2] heeft verdachte op een foto herkend als de persoon die de drugs kwam brengen. Het is hem opgevallen dat verdachte stotterde. Afnemer [naam 3] heeft op 17 juli 2017 verklaard dat hij sinds een half jaar drugs kocht van verdachte en zijn medeverdachte. Hij heeft verdachte en zijn medeverdachte herkend op de getoonde foto’s. Ze kwamen soms alleen en soms met zijn tweeën. Hij belde telefoonnummer [nummer 1] . Afnemer [naam 4] heeft op 20 juli 2017 verklaard dat zij sinds zes maanden cocaïne koopt, omdat het zwaar en vermoeiend was om voor haar ouders te zorgen. Zij heeft alleen cocaïne gekocht bij verdachte en zijn medeverdachte. Zij belde een telefoonnummer dat eindigde op
  8. Als ze belde of sms’te zei één van de twee, degene die de telefoon had op dat moment, hoe lang het zou duren en waar ze elkaar zouden treffen. Ze werkten samen en kwamen niet tegelijkertijd bij haar. De telefoon was bij beiden in gebruik, maar niet altijd bij dezelfde. Ze werkten op verschillende tijden. Zij heeft verklaard dat zij met de medeverdachte afspraken heeft gemaakt met betrekking tot het kopen op de pof en dat hij aan de jongen waarmee hij samenwerkte had doorgeven dat zij te vertrouwen was. Zij heeft aan beide verdachten haar pinpas gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de stem van verdachte herkend. Hij heeft vastgesteld dat verdachte regelmatig gebruik heeft gemaakt van telefoonnummer [nummer 1] , dit telefoonnummer werd voornamelijk gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Ook maakte verdachte gebruik van telefoonnummer [nummer 2] . Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat de telefoonlijnen aangaande de drugshandel veel van gebruiker wisselden tussen verdachte en zijn medeverdachte. Er was duidelijk sprake van een samenwerking. De stemmen van beiden werden herkend en van elkaar onderscheiden. Verdachte stotterde en zijn medeverdachte had een veel donkerder klinkende stem en zijn woordgebruik was anders. In een telefoongesprek op 14 mei 2017 heeft verdachte tegen zijn medeverdachte gezegd dat hij een nieuw nummer had voor het geval dat hij getapt gaat worden. Zijn nieuwe telefoonnummer was [nummer 2] . In een telefoongesprek op 17 mei 2017 heeft verdachte tegen ‘ [naam 5] ’ gezegd dat hij langs wilde komen zodat ‘ [naam 5] ’ het snoep kan testen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de afnemers consistent en bruikbaar voor het bewijs. Afnemer [naam 4] heeft bovendien concreet verklaard wat de aanleiding was van haar drugsgebruik, wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. De rechtbank overweegt dat afnemers [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] hebben verklaard dat zij ongeveer een half jaar cocaïne hebben gekocht bij verdachte en zijn medeverdachte. De telefoon wisselde tussen beide verdachten, dat blijkt uit de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] en uit de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] dat de telefoonlijnen veel van gebruiker wisselden tussen beide verdachten. Ook kwamen de verdachten soms samen de cocaïne brengen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de handel in cocaïne, nu hij de beschikking had over drugs, contact legde met de verschillende afnemers en de drugs afleverde. De rechtbank overweegt verder dat de afnemers over beide verdachten verklaren dat zij ongeveer een half jaar, dus sinds eind januari 2017, van hen cocaïne kochten. Dat verdachte al voor 26 mei 2017 cocaïne dealde blijkt ook uit de tapgesprekken. Op 17 mei 2017 maakt verdachte een afspraak met ‘ [naam 5] ’, zodat ‘ [naam 5] ’ het snoep kan testen. De rechtbank begrijpt dat met snoep cocaïne bedoeld werd. En op 14 mei 2017 was verdachte kennelijk bang om getapt te worden, waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat hij op dat moment al bezig was met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank verwerpt op grond van het voorgaande het verweer van de verdediging. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 7 april 2017 tot en met 10 juli 2017, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk cocaïne heeft verkocht, verstrekt, afgeleverd en vervoerd. Ten aanzien van feit 2 en
  9. De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deze feiten. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
  10. hij in of omstreeks de periode van 07 april 2017 tot en met 10 juli 2017 te Culemborg, Gorinchem, Leerdam, Vianen, Nieuwegein en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of andere middelen, vermeld op lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft zich verzet tegen opheffing van de voorlopige hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen gezien artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hij heeft aangevoerd dat niet de gehele tenlastegelegde periode bewezen kan worden, verdachte een first offender is en geen evidente problemen heeft. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat het er op lijkt dat verdachte een misstap heeft begaan en dat hij heeft verklaard dat het niet meer zal gebeuren. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op: - het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 7 november 2017; - een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 29 september
  11. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte zich bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne en hierdoor heeft bijgedragen aan (het in stand houden van) de verslaving van vaak kwetsbare personen. Verdachte heeft zo de gezondheid van anderen in gevaar gebracht. Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden een passende straf voor het handelen in drugs gedurende drie maanden. De rechtbank vindt de omstandigheid dat verdachte samen met zijn neef in cocaïne heeft gehandeld strafverzwarend. De rechtbank is, alles overziende, van oordeel dat de ernst van het feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te waarborgen dat verdachte in de toekomst niet opnieuw in de fout gaat. De rechtbank zal daarom het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. 7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren, nu verdachte zal worden vrijgesproken voor het onder 3 tenlastegelegde feit. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet. 9De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;  verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;  bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;  dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;  beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;  heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf. De beslissing op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis  wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in haar vordering. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in haar vordering. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in haar vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven (voorzitter), mr. J. Barrau en mr. R.G.J. Welbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 januari
  12. mr. G. Noordraven en mr. J. Barrau zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de regiopolitie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2017412650, gesloten op 6 november 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 december 2017; het proces-verbaal van observatie van maandag 1 mei 2017, p. 116 en 117; het proces-verbaal pseudo koop, p. 139; kennisgeving van inbeslagneming, p. 141; proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 143; het NFI rapport, p.
  13. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 2] , p.
  14. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 3] , p.
  15. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 3] , p.
  16. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] , p.
  17. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] , p. 192, 194 en 195; het proces-verbaal van bevindingen, p.
  18. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] , p.
  19. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] , p.
  20. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] , p.
  21. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] , p.
  22. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] , p.
  23. Het proces-verbaal van stemherkenning, p.
  24. Het proces-verbaal van stemherkenning, p.
  25. Het proces-verbaal van stemherkenning, p.
  26. Het gesprek met sessienummer 75, p.
  27. Het gesprek met sessienummer 491, p. 828.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.