← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2018:1740

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: 17/5405 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen [naam 1] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Coskun), en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder. Procesverloop Bij brief van 22 juni 2017 heeft verweerder eiser verzocht het te veel ontvangen bedrag aan Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling) van € 28.060,29 binnen zes weken na dagtekening van de brief over te maken op het rekeningnummer van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Bij besluit van 13 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiser daartegen heeft gemaakt niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 17/5022 plaatsgevonden op 20 februari

  1. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn zoon [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. S. Herder. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Overwegingen 1.
  2. Eiser en zijn echtgenote ontvingen vanaf 1 april 2017 van verweerder een AIO-aanvulling. 1.
  3. Bij besluit van 29 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2016, heeft verweerder de aan eiser en zijn echtgenote verstrekte AIO-aanvulling met ingang van 1 april 2007 ingetrokken en het aan eiser en zijn echtgenote over de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2015 verstrekte bedrag van € 28.060,29 aan AIO-aanvulling van eiser teruggevorderd. 1.
  4. Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft verweerder eiser verzocht het bedrag van € 28.060,29 binnen zes weken na dagtekening het besluit over te maken op het bankrekeningnummer van de SVB. 1.
  5. Daarna is de brief van 22 juni 2017 zoals hierboven weergegeven onder het procesverloop gevolgd.
  6. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de brief van 22 juni 2017 feitelijk een herhaling is van de besluiten van 29 september 2015 en 2 augustus
  7. Daardoor is van een op rechtsgevolg gerichte handeling geen sprake, waardoor de brief van 22 juni 2016 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat tegen de brief van 22 juni 2017 geen bezwaar kan worden gemaakt. Het bezwaar is daarom niet-ontvankelijk. 3.
  8. Eiser voert aan dat de brief van 22 juni 2016 vergaande gevolgen voor hem heeft. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee betoogt dat deze brief rechtsgevolg(en) heeft en dus als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. 3.
  9. Dit betoog van eiser faalt. De brief van 22 juni 2017 moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een betalingsherinnering, ofwel een herhaling van het invorderingsbesluit van 2 augustus
  10. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), is een betalingsherinnering niet gericht op rechtsgevolg. De betalingsverplichting was in het geval van eiser al ontstaan met het invorderingsbesluit van 2 augustus
  11. Dit betekent dat de brief van 22 juni 2017 niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar kon worden gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar om die reden terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4.
  12. Eiser voert aan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het moment waarop het invorderingsbesluit van 2 augustus 2016 is genomen. 4.
  13. De rechtbank oordeelt daarover dat aan deze omstandigheden binnen de onderhavige procedure geen betekenis kan toekomen. Het staat eiser evenwel vrij met verweerder een aflossingsregeling te treffen, waarbij acht wordt geslagen op eisers (gewijzigde) financiële omstandigheden. 5.
  14. Eiser voert ten slotte nog aan het niet eens te zijn met het besluit van verweerder tot intrekking van de AIO-aanvulling en terugvordering van het bedrag van € 28.060,
  15. 5.
  16. De rechtbank oordeelt daarover dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het onderhavige geding valt. Eiser kan in de nog lopende procedure van hoger beroep die gaat over de intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling zijn daarop betrekking hebbende gronden naar voren brengen.
  17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 april 2018 griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1504.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.