← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2018:1971

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/820124-16 Datum uitspraak : 26 april 2018 Verstek vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april

  1. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 15 juli 2013 t/m 22 juli 2015 te Giesbeek, gemeente Zevenaar, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag (ongeveer 26.000,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, (dat geldbedrag was onverschuldigd door die [slachtoffer] gestort op bankrekening " [bankrekeningnummer en rekeninghouder] "), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over het geldbedrag van € 26.000,- dat aan aangever toebehoorde en dat verdachte dit bedrag zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot het verrichten van 180 uren werkstraf, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Voor een bewezenverklaring van verduistering van het geldbedrag van € 26.000,- dient allereerst te worden vastgesteld dat verdachte op enig moment de feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over voornoemd geldbedrag. In dat kader is van belang of verdachte (mede)rekeninghouder was van de rekening waarop aangever het geldbedrag van € 26.000,- heeft gestort. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet worden vastgesteld dat dit het geval was, nu het bedrag is overgemaakt op een rekening op naam van de partner van verdachte en niet blijkt dat er sprake was van een en/of rekening. De rechtbank stelt vast dat hiernaar ook geen nader onderzoek is gedaan. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat verdachte als (mede)rekeninghouder van de betreffende rekening kan worden aangemerkt en dat verdachte anderszins op enig moment de beschikkingsmacht heeft gehad over het geldbedrag van € 26.000,-. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat de rechtbank de verdachte hiervan zal vrijspreken. 3De vorderingen van de benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het ten laste gelegde feit. Nu verdachte wordt vrijgesproken zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. 4Beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. G. Noordraven en mr. F.M.A. ’t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van M.M.J.A. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april
  2. Mr. F.M.A. ’t Hart is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.