vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/301936 / HA ZA 16-235 Vonnis van 24 januari 2018 in de zaak van [Eiser] , [woonplaats] , eiser, advocaat mr. C.C.J.M. Weijers te Nijmegen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BERG EN DAL, zetelend te Groesbeek, gedaagde, advocaat mr. R.M. Pieterse te Middelburg. Partijen zullen hierna [Eiser] en de gemeente genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 4 oktober 2017 (verder: het tussenvonnis) - de akte uitlating deskundigenbericht van [Eiser] van 15 november 2017 - de akte uitlaten deskundige van de gemeente van 15 november 2017 - de akte uitlating van [Eiser] van 13 december 2017 - de brief van 20 december 2017 zijdens de gemeente met bijlagen, alsmede het mailbericht zijdens [Eiser] van 3 januari 2017 waarin [Eiser] wordt bevestigd dat hij geen bezwaar heeft tegen het als processtuk toelaten van die brief. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen behoefte te hebben aan informatie van een daartoe te benoemen deskundige over de in het tussenvonnis onder genoemde vraagpunten (r. o. 2.14). Daarbij heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het gelasten van een deskundigenbericht ter bepaling van de schade, over de persoon van de deskundige en over de vraagstelling aan deze deskundige. 2.2. De partijen hebben zich niet tegen benoeming van een deskundige verzet. Daartoe zal, behoudens hetgeen hierna onder r. o. 2.7. aan de orde wordt gesteld, worden overgegaan. In dat verband is het volgende van belang. 2.3. [Eiser] heeft in zijn akte geschreven dat wat hem betreft kan worden volstaan met één deskundige op het gebied van bouwkunde, met de specialisatie funderingen. Hij heeft als deskundige voorgesteld de heer [naam A] van [naam] uit Huissen. De gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen de door [Eiser] aangedragen deskundige en voert aan dat in haar optiek niet volstaan kan worden met één deskundige op het gebied van bouwkunde, met specialisatie funderingen. Zij stelt zich op het standpunt dat minimaal twee deskundigen aangesteld dienen te worden waarvan één met de specialisatie bouwkunde c.q. funderingen en één geotechniscus/bodemdeskundige. Zij voert aan dat bureau [naam bureau] uit Amselveen en Deventer alle daartoe benodigde expertise in huis heeft. [Eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen laatstgenoemd bureau, omdat dit per 3 juli 2017 is overgenomen door ingenieursbedrijf [naam B] , dat eerder in deze procedure door [Eiser] in de arm is genomen. [Eiser] acht de situatie dat feitelijk één entiteit voor beide partijen optreedt of heeft opgetreden onwenselijk. 2.4. Nu de door partijen voorgestelde deskundigen over en weer niet wenselijk werden bevonden zijn partijen in overleg getreden, wat erin heeft geresulteerd dat de gemeente als deskundige Movares adviseurs & ingenieurs voorstelt en [Eiser] aangeeft daar geen bezwaar tegen te hebben. 2.5. De rechtbank heeft met inachtneming van de standpunten van partijen ing. O.S. Langhorst van Movares adviseurs & ingenieurs (verder: ing. Langhorst) aangezocht, die zich bereid en in staat heeft verklaard in deze zaak als deskundige op te treden en daartoe ook vrij te staan. Nu ing. Langhorst over deskundigheid beschikt op de gebieden van bouwkunde/funderingen en bodemgesteldheid, ziet de rechtbank vooralsnog geen reden voor het benoemen van een tweede deskundige. 2.6. De rechtbank is voornemens het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht overeenkomstig de opgave van de deskundige te bepalen op een bedrag van € 17.318,73, inclusief btw. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de hoofdregel van artikel 195 Rv, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Omdat [Eiser] met een toevoeging procedeert, zal echter aan hem geen voorschot worden opgelegd. Het voorschot zal vooralsnog ten laste van ’s Rijks kas komen en voorlopig in debet worden gesteld ten behoeve van [Eiser] . 2.7. Partijen moeten er rekening mee houden dat de rechtbank uiteindelijk over de kosten van de procedure, waaronder begrepen de kosten van het deskundigenbericht, zal beslissen en dat deze kosten dan - in beginsel - volledig voor rekening van de partij die in het ongelijk wordt gesteld zullen komen. Gelet hierop en gelet op de hoogte van het genoemde voorschot zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om zich daar nog over uit te laten vóórdat tot benoeming van de deskundige zal worden overgegaan. Daarbij wordt aan partijen overgelaten of zij nogmaals met elkaar in overleg treden teneinde gezamenlijk nog een andere deskundige voor te stellen en de naam van deze deskundige aan de rechtbank mede te delen. Indien dit niet gebeurt zal de rechtbank het voornoemde voorschot vaststellen en tot benoeming van ing. Langhorst overgaan, tenzij [Eiser] bericht dat hij wenst dat van benoeming van de deskundige en van het in debet stellen van het voorschot wordt afgezien. In dat laatste geval dient hij er echter rekening mee moeten houden dat de rechtbank, naar analogie van het bepaalde in artikel 196 Rv, de gevolgtrekkingen maakt die zij geraden acht en tot het oordeel komt dat het gestelde niet voldoen aan de zorgplicht door de gemeente en het causaal verband met de door [Eiser] geschelde schade niet is komen vast te staan, met afwijzing van de vordering tot gevolg. 2.8. Ten aanzien van de vraagstelling hebben beide partijen om aanvullingen of aanpassingen verzocht. De rechtbank overweegt daarover het volgende. 2.9. De door [Eiser] voorgestelde toevoeging: “waar het zettingsproces al plaatsvindt?” achter het woord “woning” in de tweede door de rechtbank in het tussenvonnis in r.o. 2.14. genoemde vraag, wordt niet overgenomen. Wat de precieze betekenis, bedoeling en relevantie van deze toevoeging is, is door [Eiser] niet toegelicht. Niet duidelijk is of [Eiser] daarmee bedoelt te stellen dat hetzij de grond al gezet was, hetzij er een nieuw proces van zetting van de grond ontstaan was óf dat hij met het “zettingsproces” een proces van verzakking van de woning bedoelt. Toelichting had wel verwacht mogen worden, temeer nu niet eerder is vastgesteld of gemotiveerd is gesteld dat bij het onderzoek naar eventuele gevolgen van het overstromen van de put er van zou moeten worden uitgegaan dat het “zettingsproces” (in welke betekenis dan ook) van of in de nabijheid van de woning “reeds plaatsvond”. Ook de voorgestelde toevoegingen aan de andere vragen die zien op dit zettingsproces worden om deze reden niet overgenomen. Dit geldt ook voor de door [Eiser] voorgestelde toevoeging aan vraag 2:“En wat in het geval er sprake is van een frequentie van meer dan twee keer in een jaar wat ook al voorgekomen is”. In het tussenvonnis is door de rechtbank immers, als uitkomst van de bewijslevering, als uitgangspunt aangemerkt dat de overstroming van de put gemiddeld één à twee keer per jaar plaats vindt. Er is niet gemotiveerd gesteld dat van dat uitgangspunt zou moeten worden teruggekomen. 2.10. De gemeente heeft eveneens, evenmin met toelichting, een aantal voorstellen gedaan voor extra of aangepaste vragen. Zijdens [Eiser] zijn daartegen geen bezwaren geuit. De gemeente heeft allereerst voorgesteld voorafgaand aan de door de rechtbank voorgestelde vragen de volgende vijf vragen toe te voegen: 1) Hoeveel water stroomt er (gemiddeld) per overstroming uit de put? 2) Hoeveel water uit de put stroomt er per overstroming via de openbare weg het perceel van [Eiser] op? 3) Hoe lang duurt een dergelijke overstroming van het perceel van [Eiser] door water uit de put gemiddeld? 4) Hoe stroomt dit water op/over het perceel van [Eiser] c.q. hoe dicht komt dit water in de buurt van de (fundering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.