beschikking RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rekestnummer: C/05/322464 / HA RK 17-160 Beschikking van 17 april 2018 in de zaak van [Verzoekster] , [woonplaats], verzoeker, advocaat mr. S. Demirtas te Arnhem, tegen de naamloze vennootschap ASR SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Utrecht, verweerster, advocaat mr. L.K. de Haan te Rotterdam. Partijen worden hierna [Verzoekster] en ASR genoemd. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift het verweerschrift de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [Verzoekster], bijgestaan door mr. Demirtas voornoemd, mevrouw [naam], schadebehandelaar ASR, bijgestaan door mr. De Haan voornoemd. 2De feiten 2.1. Op 21 september 2012 is [Verzoekster] een ongeval overkomen waarbij hij als bestuurder van een auto stil stond voor een rood verkeerslicht en van achteren is aangereden door een bestuurder van een andere auto, die ingevolge de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd is bij ASR. Een ambulance is ter plaatse gekomen en het ambulancepersoneel heeft [Verzoekster] onderzocht. 2.2. Een dag na het ongeval is [Verzoekster] na verwijzing door de huisartsenpost op de Spoedeisende Hulp (SEH) onderzocht vanwege buikpijn, hoofdpijn en concentratiestoornissen. Daar is enig geheugenverlies geconstateerd en heeft [Verzoekster] aangegeven dat hij buikpijn had en nekpijn naast de wervels. [Verzoekster] is vervolgens kort ter observatie opgenomen geweest en op 23 september 2012 uit het ziekenhuis ontslagen. 2.3. ASR heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. 2.4. Na het ongeval ervaart [Verzoekster] (zenuw)pijnklachten aan hoofd, nek, schouder, arm en rug. Daarnaast is hij duizelig en is een achteruitgang van zijn ogen geconstateerd. Hij is prikkelbaar, heeft slaapproblemen, vermoeidheidsklachten, moeite met concentreren en depressieve klachten. [Verzoekster] heeft zich onder behandeling gesteld van onder meer een neuroloog, een revalidatiearts en een fysiotherapeut. 2.5. Voor het ongeval was [Verzoekster] fulltime in loondienst bij [naam bedrijf] als operator/ assistent teamleider. Daarnaast had [Verzoekster] naar eigen zeggen ook klussen waarmee hij zwarte inkomsten verdiende. 2.6. Na het ongeval heeft [Verzoekster] onder begeleiding van de bedrijfsarts gestaan. Van september 2012 tot oktober 2013 is de mate van arbeidsongeschiktheid van [Verzoekster] vastgesteld op 100%. Vanaf oktober 2013 heeft [Verzoekster] in aangepast werk opgebouwd naar 100% arbeidsgeschiktheid, rekening houdend met beperkingen ten aanzien van tillen, duwen, trekken en bovenhands werken. In maart 2014 tot 13 juni 2014 is [Verzoekster] 100% arbeidsongeschikt verklaard vanwege zijn operatie. Vanaf 13 juni 2014 is [Verzoekster] 60% arbeidsongeschikt. Na 25 augustus 2014 bedraagt het arbeidsongeschiktheidspercentage 25%. 2.7. Op 10 maart 2014 is [Verzoekster] geopereerd in verband met een nekhernia (HNP C5-C6). 2.8. Op gezamenlijk verzoek van partijen is een arbeidsdeskundige van [naam arbeidsdeskundige] ingeschakeld. Deze arbeidsdeskundige heeft een intake en een behandeling bij het Behandelcentrum voor Bewegen en functioneren (DBC) voorgesteld om te komen tot een volledige re-integratie van [Verzoekster] in de eigen functie. De intake heeft plaatsgevonden in november 2014, waarna een behandelingstraject van een aantal weken is gestart. 2.9. Van de zijde van ASR is de heer dr. [naam arts A], verzekeringsarts, ingeschakeld. Dr. [naam arts A] heeft op 16 december 2013, 9 februari 2015 en 1 juli 2015 een medisch advies uitgebracht. Dr. [naam arts A] komt in die adviezen, kort samengevat, tot de conclusie dat hij het beloop van de klachten niet vanuit de behandeling of het ongeval kan verklaren. Hij acht het onwaarschijnlijk dat [Verzoekster] als gevolg van het ongeval een nekhernia heeft opgelopen. Hij gaat er vervolgens vanuit dat de medische eindtoestand voor wat de gevolgen van het ongeval betreft, is bereikt en dat er geen blijvende gevolgen zijn. In zijn laatste medisch advies, gedateerd 29 maart 2016, komt dr. [naam arts A] tot de volgende conclusies: “Uit de nieuwe medische informatie blijkt het volgende. …) 1. Voorafgaande aan het ons regarderend ongeval vond in juli 2010 een vechtpartij plaats waarbij betrokkene nekklachten opliep. 2. Alcoholgebruik wordt vaker genoteerd. 3. Voorts komt flauwvallen in de voorgeschiedenis voor, ook neuroloog [naam neuroloog] vermeldt dit probleem in zijn correspondentie. 4. Het lijkt er inderdaad op dat de huisarts inderdaad na 2013 nooit meer is bezocht vanwege nekklachten door betrokkene. 5. Medisch wordt nergens bij betrokkene de diagnose acceleratie-deceleratie trauma bij betrokkene gesteld. 6. (…) 7. De bevindingen van het DBC, de aldaar ervaren belemmeringen, worden medisch niet onderbouwd en evenmin verholpen. 8. Het effect van DBC- of juister; het ontbreken daarvan - is tekenend voor een atypisch verloop, waarbij niet het ongeval, maar andere ongevalvreemde factoren een rol spelen. Indien immers de vermoedelijke oorzaak - dat ongeval - is weggenomen - mag wel effect in de vorm van herstel worden verwacht. Nu dat herstel echter uitblijft, kan men zich serieus afvragen of er niet een andere oorzaak aan de orde is. 9. De nekklachten zouden blijkens contact op 05-11-2012 alweer over zijn geweest. 10. Dit impliceert dat de nekklachten nadien geen ongevalsgevolg zijn. 11. Ook thans lijkt betrokkene weer ziek gemeld om andere redenen dan ongevalsgevolgen. Op basis van deze nieuwe gegevens kom ik tot de slotsom dat het onwaarschijnlijk is dat betrokkene thans nog enige hinder ondervindt van de gevolgen van het ons regarderend ongeval uit 2012, maar dat zulke klachten veeleer op andere, deels pre-existente (diverse ongevallen, vechtpartij, middelengebruik), deels op endogene predispositie (flauwvallen, stress) gebaseerde, kenmerken berust.“ 2.10. Van de zijde van [Verzoekster] is medisch adviseur de heer [naam medisch adviseur], verbonden aan [naam B.V.]., ingeschakeld. In zijn rapport van 28 november 2016 staat, voor zover hier van belang, het volgende: “Conclusies: - Bij betrokkene is er gezien de onderliggende medische informatie zeer waarschijnlijk sprake van een postwhiplashsyndroom. Waarbij de medisch adviseur de heer Dr. [naam arts A], in zijn advies aan ASR verzekeringen van 9 februari 2015 en zijn advies van 1 juli 2015, niet met een deugdelijke, op medische onderzoeken en medische literatuur gemotiveerde onderbouwing komt, dat het niet om een postwhiplashsyndroom bij [Verzoekster] gaat. - Gezien de duur van de klachten en het feit dat vrijwel alle behandelmodaliteiten zijn ingezet, zoals fysiotherapie/manuele therapie, pijnbehandeling door anaesthesioloog, revalidatiebehandeling en operatie door een neurochirurg in de vorm van een cervicale anterieure discectomie van C5-C6, met het plaatsen van een cage, lijkt er sprake te zijn van blijvende invaliditeit. Mijn advies aan u als zijnde de advocaat van de heer [Verzoekster] is: - Neurologische expertise laten uitvoeren om vast te stellen welke huidige klachten en beperkingen thans nog het gevolg zijn van het doorgemaakte whiplash-trauma. - Verzekeringsgeneeskundig onderzoek en AD-onderzoek laten uitvoeren na de neurologische expertise om te bepalen wat uiteindelijk de verzekeringsgeneeskundige mate van arbeidsongeschiktheid is en wat dit betekend voor het theoretische inkomensverlies voor de heer [Verzoekster].” 3Het verzoek en het verweer 3.1. [Verzoekster] verzoekt, samengevat weergegeven, de rechtbank, op de voet van 1019w Rv, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. te bepalen dat ASR gehouden is om de door [Verzoekster] geleden en te lijden schade als gevolg van het hem op 21 september 2012 overkomen ongeval periodiek middels adequate bevoorschotting te vergoeden, 2. ASR te veroordelen tot betaling aan [Verzoekster] van een bedrag van € 50.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, ten titel van voorschot op de door [Verzoekster] geleden en nog te lijden schade, zowel materiële als immateriële, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening, 3. te bepalen dat ASR gehouden is alle noodzakelijke maatregelen te treffen c.q. haar medewerking te verlenen, “zo ook aan verdere onderzoeken mee te werken, om (verdere) schade te voorkomen of op te heffen, en het een en ander inzichtelijk te kunnen maken, zodat het voor [Verzoekster] mogelijk blijft externe/professionele hulp in te schakelen/te krijgen, dit om hem wel een reëel toekomstperspectief te bieden (middels ondersteuning en begeleiding) en hem te blijven helpen met zijn herstel en werk. Door een goede/tijdige diagnose kan de deskundige de ernst van de situatie beter inschatten en spoedig de gepaste maatregelen nemen. Dit zowel op financieel, juridisch vlak als wat betreft de manier waarop [Verzoekster] zijn zorg in de toekomst ziet. Men kan dan vooruit kijken welke behandelingen en benaderingen voor [Verzoekster] wel mogelijk zijn, zodat hij snel en effectief geholpen wordt (welk in gezamenlijk overleg dient plaats te blijven vinden)”, 4. te beslissen dat ASR gehouden is een voorschot van € 35.000,00 op de buitengerechtelijke kosten te voldoen, dan wel een door de rechtbank vast te stellen voorschotbedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf indiening van de buitengerechtelijke kosten met urenstaat bij ASR, 5. de kosten van behandeling van het deelgeschil op de voet van artikel 1019aa Rv te begroten en ASR te veroordelen dit bedrag, inclusief griffierecht, aan [Verzoekster] te voldoen. 3.2. Aan zijn verzoek legt [Verzoekster], samengevat, het volgende ten grondslag. Hij heeft ernstige klachten overgehouden aan de kopstaartbotsing waarbij een auto met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur achter op hem is gebotst, terwijl hij stil stond voor een rood verkeerslicht. Deze klachten (opgenomen onder 2.4) staan in causaal verband met het ongeval en zijn reële klachten, zoals blijkt uit het medisch dossier en de informatie van de bedrijfsarts. Voor het ongeval had [Verzoekster] geen klachten, de klachten zijn direct na het ongeval ontstaan en er is geen andere oorzaak aan te wijzen voor de klachten. [Verzoekster] heeft door het ongeval schade geleden, bestaande uit verlies aan verdienvermogen, de onmogelijkheid om zijn extra kluswerkzaamheden voort te zetten, kosten wegens huishoudelijke hulp, verlies aan zelfwerkzaamheid, medische kosten en reiskosten. Daarnaast maakt [Verzoekster] aanspraak op een voorschot op het smartengeld van € 5.000,00. De schade bedraagt in totaal ongeveer € 148.055,00, plus buitengerechtelijke kosten van in totaal € 40.513,02. De weigering van ASR om over te gaan tot een redelijke bevoorschotting of het aanbieden van professionele hulp heeft een nadelige invloed op het herstel van [Verzoekster], terwijl [Verzoekster] zelf alles in het werk stelt om zijn herstel te bevorderen. De gevraagde beslissingen in dit deelgeschil kunnen bijdragen aan een goede schadeafwikkeling, aldus [Verzoekster]. 3.3. ASR is primair van mening dat de verzoeken van [Verzoekster] op formele gronden dienen te worden afgewezen. ASR voert aan dat de verzoeken zich niet lenen voor een deelgeschilprocedure, aangezien tussen partijen in geschil is of er causaal verband is tussen het ongeval en de gestelde klachten en op dit punt nadere bewijslevering aan de zijde van [Verzoekster] noodzakelijk is. Subsidiair heeft ASR op inhoudelijke gronden verweer gevoerd tegen hetgeen [Verzoekster] heeft verzocht. ASR betwist dat sprake is van medische en juridische causaliteit. Volgens ASR volgt uit het medisch dossier dat [Verzoekster] de door hem ervaren nekklachten (als gevolg van een vechtpartij in 2010) alsook de neiging tot flauwvallen en duizeligheid al had vóór het onderhavige ongeval. Verder is [Verzoekster] voor het onderhavige ongeval betrokken geweest bij twee eerdere aanrijdingen, die ook een alternatieve oorzaak voor zijn klachten kunnen opleveren. Na het onderhavige ongeval heeft er een incident plaatsgevonden waarbij [Verzoekster] onder invloed van alcohol van de trap is gevallen. Dit incident kan ook de oorzaak zijn van (enkele van) de door [Verzoekster] gestelde klachten. Verder stelt ASR dat [Verzoekster] een a-typisch verloop vertoont ten aanzien van zijn gestelde postwhiplashklachten, aangezien hij eerst is hersteld om na een nekhernia weer als volledig arbeidsongeschikt uit te vallen. Wat betreft de nekhernia betwist ASR dat dit een ongevalsgevolg is. Verder leiden de door [Verzoekster] gestelde klachten volgens ASR niet per definitie tot beperkingen, hetgeen bevestigd wordt door het feit dat [Verzoekster] thans weer volledig aan het werk is in zijn oude functie inclusief ploegendienst. Tot slot heeft ASR verweer gevoerd tegen de gestelde schadeposten, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het deelgeschil. ASR heeft een bedrag van € 16.300,00 bevoorschot op de schade van [Verzoekster], inclusief een bedrag van € 2.500,00 aan smartengeld. Daarnaast heeft ASR rekeningen betaald van ARAG, de voormalige gemachtigde van [Verzoekster], en de nota van de medische adviseur van [Verzoekster]. ASR heeft daarnaast een bedrag van € 14.000,00 betaald voor aanpassingen aan de werkplek van [Verzoekster]. 4De beoordeling 4.1. Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18). Verder geldt dat het voorleggen van meerdere deelgeschillen in één procedure in beginsel mogelijk is. Daarbij moet echter wel voor ogen worden gehouden dat de deelgeschil-procedure er niet op is gericht de rechter over een groot aantal deelgeschillen te laten oordelen. Het verder onderhandelen, al dan niet met behulp van een mediator, of het instellen van een bodemprocedure, is dan een meer geëigende weg (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 7). De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). 4.2. De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van [Verzoekster] om te bepalen dat ASR gehouden is tot vergoeding van de door [Verzoekster] geleden en te lijden schade door middel van adequate bevoorschotting en ASR te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding in beginsel ter beoordeling in een deelgeschil aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Een beslissing op die verzoeken zal, naar mag worden verwacht, bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarom kan, anders dan ASR heeft opgeworpen, niet worden gezegd dat het verzoek niet voldoet aan de eisen die in artikel 1019w Rv daaraan zijn gesteld. Op de vraag of in het kader van de in dit deelgeschil voorgelegde verzoeken ter beantwoording van de daarmee opgeworpen vragen (nadere) bewijslevering en/of deskundigenonderzoek(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.