vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/300992 / HA ZA 16-195 / 546 / 560 Vonnis van 6 juni 2018 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MACÉDES B.V., gevestigd te Arnhem, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. T. Kressin te Arnhem, tegen de vennootschap naar Pools recht FF POLMEX SPOLKA Z.O.O., gevestigd te (59-620) Gryfow Slaski (Polen), gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. P.A.J.M. Lodestijn te Nijmegen. Partijen zullen hierna Macédes en Polmex worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 november 2017 - de akte uitlating benoeming deskundige van 13 december 2017 van de zijde van Macédes - de akte van 13 december 2017 van de zijde van Polmex - de antwoordakte van 31 januari 2018 van de zijde van Polmex. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie 2.1. In het tussenvonnis van 1 november 2017 heeft de rechtbank onder meer als volgt overwogen. In conventie ligt de vraag voor of Macédes terecht aanspraak maakt op creditering van door Polmex gestuurde facturen. In reconventie ligt de vraag voor of Polmex terecht aanspraak maakt op betaling van diezelfde facturen. Het antwoord op deze vragen hangt ervan af of Polmex de meubels die zij had geleverd en gefactureerd, heeft teruggenomen. Om op de vorderingen in conventie en in reconventie te kunnen beslissen, moet worden vastgesteld of Polmex heeft nagelaten facturen te crediteren in gevallen waarin zij meubels heeft teruggenomen. De rechtbank heeft overwogen dat zij voornemens is een deskundige te benoemen om dat vast te stellen en de partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het zowel in conventie als in reconventie Macédes is die zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat Polmex de meubels heeft teruggenomen, zodat de bewijslast daarvan op haar (Macédes) rust. 2.2. De partijen hebben zich vervolgens bij akte uitgelaten. Macédes heeft allereerst opgemerkt (akte onder 1.3) dat in het tussenvonnis onder 2.1 ten onrechte is opgenomen dat de heer [Naam A] directeur-groot aandeelhouder is van Indalo Holding B.V. De directeur van Indalo Holding B.V. is echter de heer [naam B] en de aandeelhouders zijn mevrouw [naam C] en mevrouw [naam D]. [Naam A] was tot eind 2015 wel bestuurder van Indalo Holding B.V., tezamen met de heer [naam E], maar dat is al geruime tijd niet meer het geval. Polmex is in de gelegenheid geweest hierop bij akte te reageren, maar zij heeft dat niet gedaan. De rechtbank komt daarom terug van de hier aangehaalde overweging en stelt de feiten vast als door Macédes onbetwist gesteld. 2.3. Macédes heeft vervolgens de rechtbank verzocht (akte onder 6): primair alvorens over te gaan tot benoeming van een deskundige een oordeel te geven over de vraag of aan Polmex een opschortingsbevoegdheid toekwam; subsidiair, namelijk als de rechtbank zal oordelen dat aan Polmex een opschortingsbevoegdheid toekwam, een oordeel te geven over de vraag of de niet-betaling van het gevorderde bedrag van € 55.574,75 door Macédes de opschorting rechtvaardigde, meer subsidiair de bewijslastverdeling als hiervoor weergegeven te heroverwegen. 2.4. Volgens Macédes kan ook zonder dat een deskundige vaststelt hoeveel meubels er zijn geretourneerd, worden geoordeeld dat Polmex de nakoming van haar verplichting tot levering niet heeft mogen opschorten en dat Polmex schadeplichtig is geworden doordat zij dat toch heeft gedaan. Macédes voert daartoe het volgende aan. De partijen hadden afgesproken dat Macédes de door Polmex geleverde meubels pas aan haar zou betalen als zij (Macédes) ze zou hebben verkocht en voorts dat de meubels zouden worden geretourneerd en door Polmex gecrediteerd als Macédes ze niet binnen 180 dagen zou hebben verkocht. Dergelijke retourneringen hadden in grote hoeveelheden plaatsgevonden. Het was dus niet Macédes die moest presteren maar Polmex, hetzij door facturen van geretourneerde meubels te crediteren, hetzij door aan Macédes duidelijk te maken welke meubels zij meende niet retour te hebben ontvangen. Omdat Macédes dus niet behoefde te presteren, mocht Polmex volgens Macédes niet opschorten. 2.5. Polmex brengt hier het volgende tegen in. Het betoog van Macédes is gebaseerd op het terugnamebeding uit de aanvullende overeenkomst van 1 juli 2013 (onder D). Uit dat beding volgt volgens Polmex de verplichting voor Macédes om specifieke meubels die niet waren verkocht te retourneren, zodat Polmex de desbetreffende factuur zou kunnen crediteren. Polmex heeft Macédes over de periode van juli 2014 tot begin augustus 2015 in de gelegenheid gesteld de terug te nemen meubels te specificeren, maar Macédes heeft dat niet gedaan, ook niet nadat zij bij e-mail van 4 augustus 2015 in gebreke was gesteld. Omdat Macédes niet aan deze verplichting voldeed, heeft Polmex de nakoming van haar (toekomstige) leveringsverplichting opgeschort. 2.6. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op Macédes rustte de verplichting om hetzij de facturen van Polmex na 180 dagen (dan wel een nader overeengekomen termijn) te voldoen, hetzij de meubels waarvoor die facturen waren gestuurd te retourneren. Als Macédes met betrekking tot alle meubels hetzij aan de ene, hetzij aan de andere verplichting heeft voldaan, dan heeft Polmex ten onrechte opgeschort en dan kan de vordering van Macédes tot schadevergoeding toewijsbaar zijn. Als Macédes echter met betrekking tot bepaalde meubels noch het een, noch het ander heeft gedaan, dan is zij daardoor tekortgeschoten in de nakoming van een op haar rustende verbintenis. De verbintenis tot betaling van facturen dan wel tot retournering van onverkochte meubels door Macédes enerzijds, en die tot levering van nieuwe meubels door Polmex staan in voldoende nauw verband met elkaar om opschorting mogelijk te maken. Het is dan de vraag of de mogelijk vast te stellen tekortkomingen van Macédes van die omvang zijn dat zij de opschorting door Polmex rechtvaardigden. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet worden vastgesteld of Polmex heeft nagelaten facturen te crediteren in gevallen waarin zij meubels heeft teruggenomen en zo ja in welke gevallen en tot welke bedragen. Daartoe is een deskundigenonderzoek nodig. De rechtbank zal daarom overgaan tot benoeming van een deskundige. 2.7. Macédes verzoekt de rechtbank voorts terug te komen van haar oordeel over de bewijslastverdeling. Macédes betoogt daartoe dat niet in geschil is dat Polmex de nakoming van haar verplichting tot levering heeft opgeschort, zodat dit niet behoeft te worden bewezen, en dat degene die zich beroept op opschorting dient te bewijzen dat zij daartoe gerechtigd was. 2.8. Polmex brengt daartegen in dat Macédes zich niet heeft verzet tegen het oordeel dat zij in reconventie een bevrijdend verweer voert en dat zij dus de bewijslast heeft van hetgeen zij daartoe stelt, namelijk dat Polmex de facturen waarvan zij betaling vordert had moeten crediteren omdat zij de meubels die met de facturen in rekening zijn gebracht heeft teruggenomen, en dat de keerzijde daarvan is dat zij dezelfde stelplicht en bewijslast heeft in conventie. 2.9. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Terecht betoogt Macédes dat de partij die een beroep doet op opschorting, in deze zaak Polmex, een bevrijdend verweer voert, zodat de stelplicht en de bewijslast van feiten die opschorting rechtvaardigen in beginsel op die partij rusten. Dat neemt echter niet weg dat Macédes op haar beurt een bevrijdend verweer voert door te stellen dat Polmex meubels heeft teruggenomen. De stelplicht en bewijslast van die stelling rusten op Macédes, zowel in conventie, waarin die stelling de basis is voor het betoog dat Polmex ten onrechte aanspraak maakt op betaling van facturen zodat zij ten onrechte haar verplichtingen tot levering heeft opgeschort, als in reconventie, waarin die stelling de basis is voor het verweer dat Macédes de facturen van Polmex, die Macédes in beginsel is verschuldigd tenzij de meubels worden teruggestuurd, niet hoeft te betalen omdat Polmex deze dient te crediteren. De rechtbank blijft daarom ook bij haar oordeel over de bewijslastverdeling. 2.10. Beide partijen stellen dat zij overleg hebben gevoerd en dat zij het erover eens zijn geworden dat de heer R.J. Stoltenhoff (AA), werkzaam bij Alfa Accountants en Adviseurs te Naaldwijk, in aanmerking komt voor benoeming als deskundige in het geval de rechtbank tot benoeming van een deskundige zal willen overgaan. De heer Stoltenhoff heeft de rechtbank desgevraagd te kennen gegeven dat hij bereid is een benoeming te aanvaarden en dat hij vrij staat ten opzichte van de partijen en hun advocaten. 2.11. Macédes stelt voor dat de rechtbank aan de deskundige de volgende vraag stelt: “Op basis van de administraties van [naam bedrijf A] en Macédes, tot welk bedrag heeft Polmex de meubels zoals genoemd op de lijst bijgevoegd als productie LXXVIII teruggenomen en tot welk bedrag was en is Polmex aldus – bovenop de reeds gecrediteerde € 23.035,50 – gehouden haar facturen te crediteren?” De rechtbank zou daarbij volgens Macédes in zijn rapport inzichtelijk moeten maken: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.