RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/5108 T Uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J.H. Brouwer), en de minister voor Rechtsbescherming (voorheen: de minister van Veiligheid en Justitie), verweerder. Procesverloop Per brief van 23 april 2015 (hierna: Wob-verzoek) heeft eiser gevraagd om openbaarmaking van een aantal nader aangeduide documenten met betrekking tot veertien specifieke kwesties die samenhangen met vervroegde en voorwaardelijke invrijheidstelling. Bij besluit van 7 juli 2015 (hierna: primair besluit) heeft verweerder het Wob-verzoek gedeeltelijk ingewilligd. Op 17 augustus 2015 heeft eiser bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt. Op 13 september 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, en verzocht om binnen twee weken (wederom) op het bezwaar te beslissen. Bij besluit van 17 augustus 2017 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder a. het bezwaar gegrond verklaard; en b. besloten om enige in het Wob-verzoek aangeduide documenten als-nog openbaar te maken. Op 28 september 2017 heeft eiser beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Op 19 oktober 2017 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, met het verzoek om een aantal van die stukken – met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – niet aan eiser door te sturen. In haar uitspraak van 26 oktober 2017 heeft een enkelvoudige kamer van de rechtbank (mr. J.A. van Schagen) het verzoek van 19 oktober 2017 toegewezen. Op 1 november 2017 heeft eiser de rechtbank toestemming – als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb – verleend om kennis te nemen van de gedingstukken die niet aan hem zijn doorgestuurd. Bij besluit van 18 februari 2018 (hierna: verbeurtebeschikking) is door verweerder bepaald dat hij aan eiser een dwangsom van € 40 heeft verbeurd, wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Eiser is het hiermee niet eens. Daarom heeft het beroep mede betrekking op de verbeurte-beschikking, gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Awb. Op 12 februari 2018 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 26 februari 2018 is het beroep tijdens een zitting behandeld. Daarbij waren eiser en zijn gemachtigde aanwezig. Verweerder liet zich vertegenwoordigen door drs. J.C. Menken en mr. J. Perenboom. Overwegingen Verweerder 1. Zowel het Wob-verzoek als het bezwaar zijn gericht aan en beantwoord door (het college van procureurs-generaal van) het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie en het college van procureurs-generaal kunnen echter niet worden aangemerkt als bestuursorganen in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Deze instanties functioneren, als onderdelen van de uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen, onder de politieke verantwoordelijk-heid van de minister voor Rechtsbescherming. Gelet hierop rekent de rechtbank het primaire en het bestreden besluit toe aan de minister voor Rechtsbescherming. Daarom kwalificeert de rechtbank de minister voor Rechtsbescherming als verweerder. Verloop van de bezwaarprocedure 2.1. Verweerder heeft erkend dat eiser tijdens de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord en daarmee dat het bestreden besluit een gebrek kent. In aansluiting hierop heeft verweerder de rechtbank verzocht om het beroep gegrond te verklaren. 2.2. De rechtbank zal aan dit verzoek voldoen. Daarom zal zij het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb. 2.3. Gelet hierop onderzoekt de rechtbank vervolgens of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe overweegt zij het volgende. Omvang van het geding 3.1. Uit de gedingstukken en de behandeling tijdens de zitting blijkt dat partijen nog verdeeld worden gehouden door de volgende onderwerpen: - de reikwijdte van het deel van het Wob-verzoek dat ziet op het overgangsrecht dat behoort bij de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling (kwestie 7 als bedoeld in het Wob-verzoek); - de niet openbaar gemaakte delen van het rapport ‘De v.i. in 2010’ gedateerd 19 januari 2011 (kwestie 12 als bedoeld in het Wob-verzoek); - de niet openbaar gemaakt delen van het document ‘v.i.-zier, versie 1.0 (kwestie 13 als bedoeld in het Wob-verzoek); - de beslissing om een aantal bij het document ‘v.i.-zier, versie 1.0’ behorende bijlagen niet openbaar te maken. Wettelijk kader 4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. 4.2. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang bij het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. 4.3. Volgens artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt geen informatie verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen die zijn neergelegd in documenten ten behoeve van intern beraad. 4.4. Ingevolge artikel 15 van de Wob – zoals deze bepaling geldt per 1 oktober 2016 – is afdeling 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing op besluiten op grond van deze wet en op beslissingen op bezwaar tegen deze besluiten. Overgangsrecht Wet voorwaardelijke invrijheidstelling 5. Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van “informatie met betrekking tot” het overgangsrecht dat behoort bij de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: over-gangsrecht). 6.1. Volgens verweerder hoefde hij hieruit niet te begrijpen dat eiser streeft naar openbaarmaking van meer documenten dan het document waarin het overgangsrecht zelf is vastgelegd. 6.2. Eiser stelt dat verweerder dit deel van het Wob-verzoek te beperkt heeft opgevat. Tijdens de zitting heeft eiser hierover verklaard dat het hem gaat om nog niet openbare documenten waaruit kan worden afgeleid hoe het overgangsrecht tot stand is gekomen. 7.1. De term ‘met betrekking tot’ is een synoniem voor het begrip ‘over’. Dit heeft tot gevolg dat de betekenis van de term ‘met betrekking tot’ afhangt van het onderwerp waarop deze term ziet. Hoe preciezer en concreter het onderwerp is omschreven, des te beperkter is de reikwijdte van de term ‘met betrekking tot’. 7.2. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderwerp ‘overgangsrecht dat behoort bij de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling’ zo precies en concreet, dat verweerder niet hoefde te begrijpen dat eiser ook streeft naar openbaarmaking van documenten waaruit kan worden afgeleid hoe het overgangsrecht tot stand is gekomen. 7.3. Het oordeel van de rechtbank wijzigt niet doordat eiser geen kans heeft gekregen om zijn standpunten tijdens een hoorzitting (als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb) toe te lichten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser de gelegenheid had om zijn bedoeling met het Wob-verzoek te preciseren in zijn bezwaarschrift van 12 oktober 2015, maar van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. 7.4. De beroepsgrond slaagt niet. De v.i. in 2010 8. Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van het rapport ‘De v.i. in 2010’ gedateerd 19 januari 2011. Het gaat om een rapport van twee bladzijden met managementinformatie over de voorwaardelijke invrijheidstelling. 9.1. Verweerder heeft het rapport openbaar gemaakt, met uitzondering van de passages die volgens hem persoonlijke beleidsopvattingen voor intern beraad bevatten. In dit kader stelt verweerder dat de onleesbaar gemaakte passages subjectieve interpretaties van de opsteller bevatten. 9.2. Eiser betwist dat de weggelakte passages persoonlijke beleidsopvattingen voor intern beraad bevatten. 10.1. Cijfermatige gegevens kunnen op zichzelf niet worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen in de zin van de Wob, ook niet als het gaat om prognoses die achteraf bezien onjuist (b)lijken te zijn. Meningen en conclusies over cijfermatige gegevens kunnen onder omstandigheden wel worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen, net als aanbevelingen naar aanleiding van cijfermatige gegevens. 10.2. De rechtbank heeft de integrale versie van het rapport bestudeerd. Daaruit is haar gebleken dat een aantal weggelakte passages uitsluitend cijfermatige gegevens bevatten, en dat een aantal weggelakte passages bestaan uit cijfermatige gegevens die door de opsteller van het rapport van een waardering zijn voorzien. 10.3. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder een aantal passages ten onrechte geheel heeft weggelakt. Verder is de rechtbank van oordeel dat sommige passages in ieder geval gedeeltelijk openbaar moeten worden gemaakt; door het weglakken van de woorden waaruit blijkt hoe de opsteller van het rapport de cijfermatige gegevens waardeert, resteren namelijk slechts cijfermatige gegevens die niet kunnen worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen in de zin van de Wob. 10.4. De beroepsgrond slaagt. V.i.-zier, versie 1.0 11. Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van versie 1.0 van het rapport ‘v.i.-zier’. Het gaat om een rapport gedateerd 9 december 2009, van 42 bladzijden, met diverse beleids- en procesafspraken over voorwaardelijke invrijheidstelling. 12.1. Verweerder heeft het rapport openbaar gemaakt, met uitzondering van mailadressen en telefoonnummers – op bladzijde 39 – die zijn bestemd voor intern gebruik, dus slechts voor onderlinge contacten tussen ambtenaren die werken bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Naar de mening van verweerder zou het openbaar maken van die gegevens leiden tot onevenredige benadeling van de (ambtenaren die werkzaam zijn bij) Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI). In dit kader stelt verweerder dat interne werkprocessen van de DJI (nodeloos) zullen worden belemmerd als derden gebruik (kunnen) gaan maken van mail-adressen en telefoonnummers die niet voor hen zijn bestemd. 12.2. Eiser staat op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de DJI onevenredig zal worden benadeeld door het openbaar worden van mailadressen en telefoonnummers die (slechts) voor intern gebruik zijn bestemd. 13.1. Een overheidsorganisatie heeft recht op – en een te respecteren belang bij – een systeem waarbij burgers de betreffende organisatie slechts via algemene mailadressen en telefoonnummers kunnen bereiken, om onnodige belasting van de individuele medewerkers te voorkomen. Het openbaar worden van interne mailadressen en telefoonnummers maakt dat zo’n systeem een belangrijk deel van haar waarde dreigt te verliezen, gezien het reële risico dat derden de interne mailadressen en telefoonnummers gaan gebruiken, met de verwachting dat zij aldus sneller en/of efficiënter zullen worden geholpen. 13.2. Op basis van het vorenstaande mocht verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, menen dat het openbaar maken van interne mailadressen en telefoonnummers (die worden vermeld op bladzijde 39 van het rapport) leidt tot een onevenredige benadeling van de ambtenaren die bij DJI werkzaam zijn. 13.3. De beroepsgrond slaagt niet. Bijlagen bij versie 1.0 van het rapport ‘v.i.-zier’ 14. Bij versie 1.0 van het rapport ‘v.i.-zier’, gedateerd 9 december 2009, hoort een aantal bijlagen (hierna: bijlagen). Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van alle bijlagen, Bijlagen V, VII, VIII, XI en XIII 15.1. Verweerder stelt dat hij niet beschikt over de bijlagen V (niet nader aangeduid), VII (productenboek voorwaardelijke invrijheidsstelling, versie 1.4.2), VIII (begrippen-gegevensdefinitie, versie 1.2), XI (‘een aantal werkinstructies van ketenpartners’) en XIII (memo ‘niet meewerkende justitiabelen’, reclassering Nederland, 21 mei 2007). Naar zijn zeggen heeft hij die documenten wel gezocht maar niet aangetroffen. 15.2. Eiser acht die stelling van verweerder weinig geloofwaardig. 16.1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft al vele malen – zoals in haar uitspraak van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:481) – het volgende overwogen: het ligt op de weg van de persoon die om openbaarmaking van een document verzoekt, om aannemelijk te maken dat dit document (toch) berust onder het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, indien a. het betreffende orgaan beweert dat het document in kwestie ondanks onderzoek niet is aangetroffen; en b. die bewering de bestuursrechter niet ongeloofwaardig voorkomt. De rechtbank volgt deze vaste jurisprudentie van de Afdeling. 16.2. De rechtbank acht de stelling dat verweerder niet beschikt over bijlage V, niet ongeloofwaardig. Het is, volgens de rechtbank, namelijk aannemelijk dat bijlage V nooit heeft bestaan. 16.3. De rechtbank acht de stelling dat verweerder niet beschikt over de bijlagen XI en XIII, evenmin ongeloofwaardig. Daartoe overweegt de rechtbank dat a. die documenten zijn opgesteld door derden; b. het niet heel ongebruikelijk is wat minder zorgvuldig om te springen met bijlagen van derden die behoren bij een concept dat door een ander concept is vervangen; en c. tussen de datering van het rapport (9 december 2009) en de ontvangst van het Wob-verzoek (23 april 2015) een periode van ruim vijf jaren zit. 16.4. Eiser heeft onbetwist gesteld – en de rechtbank neemt voorlopig aan – dat de bijlagen VII en VIII zijn opgesteld door ambtenaren van het toenmalige ministerie van Veiligheid en Justitie. Verder lijkt het erop dat de bijlagen VII en VIII belangrijk zijn om de inhoud van het rapport goed te kunnen duiden. Daarom acht de rechtbank het on-waarschijnlijk dat de bijlagen VII en VIII verloren zijn gegaan. 16.5. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het op de weg van verweerder lag om a. serieus te onderzoeken of de bijlagen VII en VIII ‘toch’ – eventueel op minder voor de hand liggende locaties – binnen het ministerie van Justitie en Veiligheid beschikbaar zijn; en b. in het bestreden besluit verantwoording af te leggen over de aard en intensiteit van het betreffende onderzoek. 16.6. Vervolgens constateert de rechtbank dat het bestreden besluit geen informatie bevat over de locaties waar naar de bijlagen VII en VIII is gezocht, en evenmin informatie over de wijze waarop het onderzoek naar de vindplaats(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.