vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/325097 / HA ZA 17-424 Vonnis van 22 augustus 2018 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE NIJMEGEN, zetelend te Nijmegen, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaten mr. J.P.J.M. Naus en mr. Van Malssen te Nijmegen, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RIGTER B.V., gevestigd te Berg en Dal, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid R2 B.V., gevestigd te Nijmegen, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 3] , gevestigd te Berg en Dal, 4. [gedaagde sub 4], [woonplaats] , gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, advocaat mr. G.J.W. Pulles te Amsterdam. Eiseres zal hierna de Gemeente worden genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk aangeduid als Rigter B.V. (gedaagde sub 1), R2 B.V. (gedaagde sub 2), [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , en gezamelijk (gedaagden sub 2 tot en met 4) als R2 c.s. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het enkelvoudig gewezen tussenvonnis van 7 februari 2018 en de daarin genoemde processtukken, bij welk vonnis tussen de Gemeente en Rigter B.V. in conventie de procedure naar de parkeerrol is verwezen en in reconventie aan de Gemeente ontslag van instantie is verleend, terwijl tussen de Gemeente en R2 c.s. een meervoudige comparitie is bevolen; - de conclusie van antwoord in reconventie van de Gemeente met producties; - de brief van R2 c.s. van 21 maart 2018 met producties; - de brief van R2 c.s. van 26 maart 2018 met productie; - de akte overlegging producties van de Gemeente ingekomen op 14 juni 2018; - de brief van R2 c.s. van 19 juni 2018 met producties; - de akte overlegging producties van de Gemeente ingekomen op 2 juli 2018; - het proces-verbaal van comparitie van 5 juli 2018. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Rigter B.V. en R2 B.V. zijn zorgaanbieders in Nijmegen die zorg bieden aan cliënten met een verstandelijke beperking, psychiatrische problematiek of psychosociale problemen. Zij bieden individuele en groepsbegeleiding alsook woonbegeleiding en dagbesteding. [gedaagde sub 4] is – via haar persoonlijke holding [gedaagde sub 3] – (middelijk) bestuurder en medeaandeelhouder van Rigter B.V. en R2 B.V. De aan deze vennootschappen gelieerde vennootschap Rigterzorg B.V. biedt vergelijkbare zorg aan in de gemeente Arnhem. 2.2. Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) kunnen mensen met psychische en/of psychosociale problemen bij hun gemeente aanspraak maken op ondersteuning. Een gemeente kan zo iemand (hierna: “de budgethouder”) een persoonsgebonden budget (hierna: “pgb”) beschikbaar stellen, waarmee zorg of ondersteuning kan worden ingekocht. De budgethouder sluit daartoe een zorgovereenkomst met een zorgaanbieder. De hoogte van het pgb van een budgethouder wordt door een gemeente in een besluit vastgesteld aan de hand van een door de gemeente uit te voeren onderzoek (de indicatiestelling; artikel 2.3.2 Wmo 2015). Een pgb vertegenwoordigt daarmee de hoeveelheid uren zorg waaraan de budgethouder blijkens de indicatiestelling behoefte heeft en waarop hij aanspraak kan maken. Een pgb wordt niet rechtstreeks aan een budgethouder uitgekeerd, maar door de gemeente op een rekening bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gestort. De SVB betaalt rechtstreeks uit aan de zorgaanbieder (het zogenoemde trekkingsrecht). 2.3. Een pgb mag slechts worden uitgegeven voor het doel waarvoor het is verstrekt. De Gemeente heeft in dat verband nadere regels gesteld in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Nijmegen en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 2.4. Budgethouders hebben vanuit hun door de Gemeente toegekende pgb zorg en ondersteuning ingekocht bij Rigter B.V. en R2 B.V. Door middel van het trekkingsrecht is in de jaren 2015 en 2016 in totaal € 4.023.250,28 aan zorggelden door SVB uitbetaald: € 3.695.036,77 aan Rigter B.V. en € 328.213,50 aan R2 B.V. 2.5. In 2016 heeft Bureau Handhaving/Sociale Recherche van de Gemeente een onderzoek ingesteld naar de omvang en de kwaliteit van de zorg die door Rigter B.V. en R2 B.V. wordt geleverd en naar de rechtmatigheid van de bedragen die zij bij budgethouders hebben gefactureerd. Dit onderzoek heeft in mei 2017 geresulteerd in het Onderzoekrapport Rigter Groep (hierna: “het rapport”). Dit rapport houdt onder meer in: “Rigter heeft het zorggeld van cliënten die met pgb zorg inkochten bij Rigter in de periode 2015 en 2016 niet volledig gebruikt om, overeenkomstig de indicatie, zorg te verlenen op basis van Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Zowel (ex)cliënten als (ex)medewerkers bevestigen dit. De daadwerkelijk door Rigter geleverde zorg was zeer beperkt. Structureel werd minder zorg verleend dan de hoeveelheid zorg die paste bij de indicaties. Het betreft veel minder geleverde zorg (spookzorg) en diensten dan volgens de facturen (vast maandbedrag) zou zijn geleverd. De [zwartgemaakte passage] gaf in zijn verklaring een grove schatting aan dat qua bezetting, hij dacht, dat Rigter 75% aan begeleidingsuren kon inzetten en 25% aan begeleidingsuren te kort kwam. Gezien deze bezetting is de daadwerkelijk geleverde zorg veel minder dan nodig was. Uit verklaringen blijkt dat werkroosters structureel niet werden ingevuld en dat de indicatie-uren op locatie vele malen hoger zijn dan de beschikbare uren van de medewerkers. Een aantal cliënten verklaart dat dit ook al vóór 2015 het geval was. Verder blijkt uit verklaringen dat cliënten regelmatig aan hun lot werden overgelaten omdat er niet voldoende personeel aanwezig is, met alle risico’s van dien. Men generaliseert de zorg en gezien de sterke onderbezetting van personeel lijkt het er sterk op dat Rigter er méér op is gericht haar eigen omzet koste wat het kost te maximaliseren (door een vast maandbedrag te declareren) en anderzijds de uitgaven te minimaliseren. Rigter doet geen verantwoorde en zuivere poging om het aantal in rekening gebrachte uren aan zorg overeen te laten komen met het aantal daadwerkelijke aantal geleverde uren zorg. Er is bewust financieel voordeel verkregen door te factureren (vast maandbedrag) voor zeer beperkte zorg. Hieruit kan worden afgeleid dat declaratieregels en richtlijnen zijn overtreden. Met name minder mondige cliënten (beschermd wonend) met recht op zorg zijn een potentieel kwetsbaar slachtoffer van deze praktijken. Onderzoek toont aan dat er sprake is van opzettelijk en misleidend handelen. Handhaving concludeert op basis van de verklaringen van het toezicht voor sommige cliënten van Rigter onvoldoende is ten opzichte van hun begeleidingsvraag of zorgvraag. Het gevaar van een onveilige en onwenselijke situatie voor kwetsbare cliënten is hier aanwezig. (…) De zorgovereenkomst is verbonden met de huurovereenkomst, dit is geen wenselijke situatie. Geen zorg afnemen is vaak ook geen woonruimte meer hebben volgens de overeenkomsten. Cliënten lopen het risico dat ze letterlijk op straat staan. Verder staat in de zorgovereenkomst dat te leveren zorg die korter dan 24 uur van tevoren is afgezegd in rekening zal worden gebracht. Het betreft een zeer kwetsbare doelgroep, met als gevolg dat er regelmatig last minute afzeggingen kunnen voorkomen, dat betekent dat Rigter dit declareert. Uit verklaringen komt naar voren dat er een valse handtekening op een zorgcontract is gezet om niet geleverde zorg te kunnen declareren. Hier zou [gedaagde sub 4] een rol in hebben gespeeld. (…) Rigter is een aantrekkelijke zorgverlener omdat cliënten feitelijk een lage huur betalen om te wonen. De huurbedragen die cliënten betalen, variëren tussen de 0 (gratis wonen) en € 350,. Wat opvalt is dat deze huurbedragen niet overeenkomen met de bedragen die op de huurcontracten staan vermeld. Op de huurcontracten van een aantal cliënten staan hogere huurbedragen. Wat verder opvalt is dat een aantal cliënten in relatief dure appartementen in Nijmegen wonen. Dit zijn appartementen en woningen die voor bijna € 1.200,– huur en zelfs € 1.600,– huur per maand in de boeken staan van Rigter. Deze cliënten betalen een relatief klein bedrag aan huur. [gedaagde sub 4] verklaart dat Rigter een sociaal huurbeleid voert. Huurlasten De huurlasten worden bij lange na niet gedekt door de huurbaten. De formele en materiële controle laat zien dat er in de eerste vijf maanden van 2015 ongeveer € 100.000,– binnen komt voor huurbetalingen van cliënten, tegelijk wordt er ongeveer € 400.000,– aan huurbetalingen gedaan. Dit houdt in dat 75% van de huren niet gedekt worden door de huurbaten. Uit de jaarrekening van 2015 blijkt dat er een groot verschil zit tussen de inkoopwaarde van de huur en de opbrengsten van de huur. De vraag rijst hier hoe wordt deze discrepantie gefinancierd als de enige bron van inkomsten pgb/zorggeld is. De conclusie is dat deze discrepantie uit pgb/zorggeld wordt gefinancierd. In de administratie van Rigter wordt geen onderscheid gemaakt tussen zorg en gedeelte dat betrekking heeft op wonen. (…) Eén cliënt staat ingeschreven in de BRP op de [straatnaam A] te Nijmegen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de cliënt feitelijk op de locatie de kazerne in Arnhem woont. Cliënt heeft nooit op het adres [straatnaam A] in Nijmegen gewoond. [gedaagde sub 4] was hiervan op de hoogte, het pgb is onrechtmatig verstrekt. (…) In de portal van de SVB staat dat er in de periode van 1 november 2015 tot 29 februari 2016 een bedrag van € 6.678,50 aan pgb door R2 B.V. is gedeclareerd. Volgens de dienst justitiële zaken zat in deze periode cliënt [zwartgemaakte passage] gedetineerd. In het onderzoek is niet duidelijk geworden of hier sprake is van rechtmatig declareren en verstrekken van zorggelden, omdat in het verleden Justitie plaatsen inkocht bij Rigter”. 2.6. Het (123 pagina’s tellende) rapport bevat een groot aantal verklaringen van oud-cliënten en oud-medewerkers van Rigter B.V. en R2 B.V. Diverse passages in het rapport en de namen van deze oud-cliënten en oud-medewerkers zijn zwartgemaakt en zijn daardoor niet kenbaar. R2 c.s. heeft geen inzage gehad in conceptversies van het rapport alvorens de tekst ervan definitief werd vastgesteld. Ook tot op heden heeft R2 c.s. geen kennis kunnen nemen van een ongecensureerde versie van het rapport. 2.7. De Gemeente heeft in de conclusies van het rapport aanleiding gezien geen pgb’s meer te verstrekken aan budgethouders die ondersteuning en zorg bij Rigter B.V. of R2 B.V. willen betrekken. 2.8. Bij vonnis van deze rechtbank van 10 oktober 2017 is het faillissement van Rigter B.V. uitgesproken. 3De vordering in conventie 3.1. De Gemeente vordert in conventie dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ieder voor zich en gezamenlijk hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van “vooralsnog en ten minste” € 1.864.643,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en van een bedrag van € 6.775,00 te vermeerderen met de wettelijke rente wegens buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten, waaronder een bedrag van € 6.775,00 wegens beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. 3.2. De Gemeente stelt daartoe dat uit het rapport kan worden afgeleid dat Rigter B.V. en R2 B.V. vanaf januari 2015 structureel minder zorg en ondersteuning hebben verleend aan budgethouders dan op grond van de indicaties en de verstrekte pgb’s was vereist, alsook dat zij pgb’s hebben aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor deze waren verstrekt. Daardoor is volgens de Gemeente circa € 1.000.000,00 aan pgb-gelden onjuist aangewend. Volgens de Gemeente hebben gedaagden aldus, al dan niet als bestuurder, onrechtmatig jegens haar gehandeld, nu hierdoor niet alleen de budgethouders zijn benadeeld maar ook – gelet op haar publiek(rechtelijk)e verantwoordelijkheid – zijzelf. De door de Gemeente gevorderde hoofdsom betreft vergoeding van dit bedrag aan uitbetaalde pgb’s, alsook van kosten van financieel en rechtmatigheidsonderzoek en overige gevolgschade. Subsidiair stelt de Gemeente zich op het standpunt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. 3.3. Bij wijze van preliminair verweer stelt R2 c.s. zich op het standpunt dat deze procedure bij de civiele rechter een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling oplevert en dat de Gemeente daarom niet-ontvankelijk in haar vorderingen moet worden verklaard. Voorts betwist R2 c.s. de bevindingen uit het rapport en de stelling van de Gemeente dat pgb-gelden onjuist zijn aangewend en daarmee dat sprake is van onrechtmatig handelen of ongerechtvaardigde verrijking. Tot slot betwist zij de hoogte van de gestelde schade. 4De vordering en het verweer in reconventie 4.1. R2 c.s. vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de Gemeente jegens R2 c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door onzorgvuldig onderzoek te verrichten, door onderzoek openbaar te maken zonder R2 c.s. daarin te kennen en door negatieve uitlatingen in de media te doen, alsook de Gemeente veroordeelt tot vergoeding van de daardoor ontstane schade, nader op te maken bij staat, en tot rectificatie met een verbod om zich in de toekomst publiekelijk negatief over Rigter B.V. en R2 c.s. uit te laten, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente. 4.2. De Gemeente betwist dat het rapport als zodanig openbaar is gemaakt. Voorts betwist zij dat zij voor het overige onrechtmatig heeft gehandeld, nu zij haar publiekrechtelijke taak op de minst bezwarende wijze heeft opgepakt. 5De beoordeling Gevolgen van het faillissement van Rigter BV 5.1. Vanwege het faillissement van Rigter B.V. is de procedure jegens haar in conventie van rechtswege geschorst. Dit betekent dat de vorderingen gericht tegen de failliete Rigter B.V. in deze procedure niet worden beoordeeld. In reconventie is aan de Gemeente ten opzichte van Rigter B.V. bij vonnis van deze rechtbank van 7 februari 2018 ontslag van instantie verleend. In conventie 5.2. Gelet op de gemotiveerde betwisting door R2 c.s. moet de rechtbank beoordelen of het handelen van R2 c.s. kan worden aangemerkt als onrechtmatig jegens de Gemeente, dan wel of hier sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Voordat de rechtbank daaraan toekomt, moet zij echter het standpunt van R2 c.s. onderzoeken dat hier sprake is van onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling. Onaanvaardbare doorkruising 5.3. R2 c.s. wijst er in haar conclusie van antwoord op dat in (artikel 2.4.1 van) de Wmo 2015 een regeling is opgenomen om pgb’s bij budgethouders terug te vorderen in gevallen waarin de budgethouder opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt. Volgens R2 c.s. moet uit het bestaan van die regeling worden afgeleid dat de wetgever geen ruimte heeft willen laten voor andere vormen van terugvordering, zodat hier moet worden aangenomen dat het niet mogelijk is voor de Gemeente om via de civiele rechter pgb’s bij R2 c.s. terug te vorderen. 5.4. R2 c.s. heeft op zichzelf gelijk als zij stelt dat de Wmo 2015 geen uitdrukkelijke grondslag biedt voor een terugvorderingsactie van een gemeente bij de zorgaanbieder. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet mee dat een vordering zoals die door de Gemeente in deze procedure is ingesteld als onaanvaardbare doorkruising van artikel 2.4.1 Wmo 2015 onmogelijk moet worden geacht. Uit de tekst van de Wmo 2015 noch uit de wetgeschiedenis van die wet kan immers worden afgeleid dat de wetgever met artikel 2.4.1 Wmo 2015 een uitputtende regeling heeft willen geven en andere terugvorderingsacties heeft willen uitsluiten. Steun voor dat oordeel vindt de rechtbank in de invoering van artikel 2b lid 2 onder c van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 met ingang van 1 april 2017. Deze nieuwe bepaling in de uitvoeringsregeling voorziet in de verplichting voor zorgaanbieders om in toekomstige zorgovereenkomsten die zij met budgethouders sluiten een derdenbeding op te nemen ten gunste van de gemeente die het pgb verstrekt en waarin wordt geregeld dat de desbetreffende gemeente pgb’s rechtstreeks bij de zorgaanbieder kan terugvorderen in gevallen van fraude door die zorgaanbieder. Met deze nieuwe regeling wordt beoogd budgethouders die te goeder trouw zijn te ontzien (Stcrt. 2017, 11464). Een gemeente kan dan frauderende zorgaanbieders met een beroep op dat derdenbeding rechtstreeks aanspreken tot terugbetaling zonder de budgethouder (de cliënt) daarin te betrekken en met een procedure te belasten. Kennelijk wordt de regeling van artikel 2.4.1 Wmo 2015 niet als belemmering voor deze wijziging van de uitvoeringsregeling gezien. Daarbij merkt de rechtbank op dat de zorgovereenkomsten waarom het in deze zaak gaat, zijn gesloten vóór de wijziging van de uitvoeringsregeling en dat daarin dus niet een dergelijk derdenbeding is opgenomen. Een en ander brengt met zich dat, wanneer in dit geval het handelen van R2 c.s. als onrechtmatig jegens de Gemeente kan worden geoordeeld, op grond daarvan civielrechtelijke aansprakelijkheid wordt aangenomen. De rechtbank acht de Gemeente dus ontvankelijk in haar vorderingen. Onrechtmatig handelen 5.5. De Gemeente stelt dat R2 c.s. onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 in het kader van door Rigter B.V. en R2 B.V. verleende zorg te veel te declareren, althans zich door SVB te hoge bedragen te laten uitbetalen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op de maandelijkse declaraties van Rigter B.V. en R2 B.V. een vast aantal zorguren staat vermeld, terwijl dat aantal niet overeenstemt met het aantal zorguren dat in de desbetreffende maand feitelijk door deze vennootschappen werd geleverd. Volgens de Gemeente werden de door haar aan budgethouders toegekende jaarbedragen aan pgb door R2 c.s. eenvoudigweg door twaalf gedeeld en vervolgens als maandbedrag met een omgerekend aantal zorguren in rekening gebracht. Op deze wijze werden ook maandbedragen in rekening gebracht in periodes waarin budgethouders op vakantie waren en daarom geen zorg afnamen en zijn ook maandbedragen in rekening gebracht aan een budgethouder in een periode waarin deze in detentie verbleef. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft de Gemeente gewezen op deels in het rapport opgenomen en deels door haar in het geding gebrachte verklaringen van budgethouders die zorg hebben ingekocht bij Rigter B.V. en R2 B.V., waarin deze budgethouders verklaren dat zij minder zorguren hebben ontvangen dan het aantal dat was overeengekomen in de zorgovereenkomst die zij met deze vennootschappen hebben gesloten. Bovendien is, zo stelt de Gemeente onder verwijzing naar het rapport, ten onrechte door de Gemeente een pgb verstrekt en vervolgens door SVB aan R2 B.V. uitbetaald ten behoeve van een budgethouder die in Nijmegen in de BRP stond ingeschreven maar feitelijk in Arnhem woonde en daarom niet voor een door de gemeente Nijmegen verstrekt pgb in aanmerking behoorde te komen. De Gemeente stelt dat R2 c.s. de onjuiste declaraties heeft afgedekt door budgethouders declaraties en de bijhorende urenspecificaties te laten tekenen, terwijl in sommige gevallen die handtekeningen door (medewerkers van) R2 c.s. werden vervalst en die urenspecificaties achteraf met extra uren werden aangevuld. 5.6. R2 c.s. erkent dat de door Rigter B.V. en R2 B.V. verleende zorg door SVB door middel van vaste maandbedragen werd betaald. Dat het gaat om vaste maandbedragen blijkt ook uit de door de Gemeente overgelegde declaraties. Op die declaraties is telkens vermeld dat het gaat om een “vast maandtarief” en wordt dat vaste bedrag vervolgens uitgesplitst naar een aantal zorguren en een uurtarief. De rechtbank merkt in dat verband overigens op dat door de Gemeente slechts enkele declaraties zijn overgelegd, zodat de rechtbank zich maar een zeer beperkt beeld heeft kunnen vormen van de inhoud van de door Rigter B.V. en R2 B.V. in de periode 2015-2016 verzonden declaraties en de daarop geplaatste handtekeningen. Van de door de Gemeente genoemde urenspecificaties zijn in het geheel geen voorbeelden overgelegd. Nu dat door R2 c.s. niet is weersproken, gaat de rechtbank er evenwel vanuit dat op alle door Rigter B.V. en R2 B.V. in 2015-2016 verzonden declaraties is vermeld dat het gaat om een vast maandbedrag, alsook dat daarop een vergelijkbare uitsplitsing naar zorguren wordt gemaakt. R2 c.s. heeft ten aanzien van deze uitsplitsingen gesteld dat het gaat om rekeneenheden die gemiddelden uitdrukken en niet om het exacte aantal uren dat er in de desbetreffende maand zorg is verleend. Zij heeft in dat verband op de comparitie toegelicht dat in gevallen, waarin een zorgovereenkomst inhoudt dat gedurende een bepaald aantal uren per maand zorg wordt verleend, SVB op basis van die uren een vast maandbedrag bepaalt dat zij vervolgens maandelijks als vergoeding voor de verleende zorg aan de zorgaanbieder uitbetaalt. SVB controleert in die gevallen vooraf of een door een budgethouder met een zorgaanbieder gesloten zorgovereenkomst voldoet aan de eisen die in het indicatiebesluit van de gemeente zijn gesteld. Als dit het geval is, behoeven budgethouders vervolgens niet maandelijks declaraties of urenspecificaties bij SVB in te dienen om uitbetaling aan de zorgaanbieder te bewerkstelligen. R2 c.s. heeft erop gewezen dat die werkwijze uitdrukkelijk op de website van SVB wordt beschreven en dat daarbij ook wordt opgemerkt dat het insturen van urenbriefjes of facturen niet is vereist. Hanteren van vaste maandbedragen 5.7. Met de door haar op de comparitie gegeven toelichting heeft R2 c.s. gemotiveerd betwist dat zij door het sturen van onjuiste declaraties heeft bewerkstelligd dat door SVB (te hoge) bedragen aan Rigter B.V. en R2 B.V. werden uitbetaald. Dat het hanteren van vaste maandbedragen een gebruikelijke en ook door SVB geaccepteerde werkwijze is en dat voor de uitbetaling van pgb-gelden door SVB niet was vereist dat budgethouders declaraties van Rigter B.V. en R2 B.V. aan SVB instuurden, is door de Gemeente vervolgens niet betwist. Gelet op de gemotiveerde betwisting van R2 c.s. heeft de Gemeente daarmee onvoldoende aangevoerd om aan te kunnen nemen dat alleen al het enkele feit dat op declaraties van Rigter B.V. en R2 B.V. aantallen zorguren stonden vermeld die niet steeds overeenstemden met het feitelijke aantal geleverde zorguren en/of dat Rigter B.V. en R2 B.V. zich door SVB met vaste maandbedragen lieten uitbetalen meebrengt dat sprake is van onrechtmatig handelen jegens de Gemeente. Voor zover de Gemeente die stelling aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, kan dit dus niet tot een toewijzing leiden. Onzorgvuldig of opzettelijk onjuist laten uitbetalen 5.8. Het voorgaande neemt niet weg dat pgb-gelden aan zorg moeten worden besteed en afspraken over (het aantal) te verlenen zorguren in zorgovereenkomsten moeten worden nagekomen. Dat wil echter niet zeggen dat de enkele omstandigheid – voor zover zich dit heeft voorgedaan – dat Rigter B.V. en R2 B.V. zich meer zorguren hebben laten uitbetalen dan er door hen zijn geleverd zonder meer onrechtmatig handelen jegens de Gemeente oplevert, ook al komen de door SVB uitbetaalde pgb-gelden uiteindelijk ten laste van het vermogen van de Gemeente. Inherent aan het werken met vaste bedragen is dat dergelijke bedragen niet steeds overeenstemmen met de vergoeding die zou moeten worden betaald voor de feitelijke hoeveelheid uren gedurende welke in een maand zorg is verleend. Een vast bedrag wordt ook uitbetaald als een budgethouder op vakantie is of om een andere reden tijdelijk geen zorg afneemt. Voorwaarde is dan wel dat in een andere periode meer zorg wordt verleend waardoor over een langere periode bezien het aantal verleende uren zorg gemiddeld genomen overeenstemt met het aantal zorguren waarop de maandbedragen zijn gebaseerd. Budgethouders kunnen de zorgaanbieder met wie zij een zorgovereenkomst hebben gesloten, vragen om in dat kader rekening en verantwoording af te leggen en kunnen de zorgaanbieder erop aanspreken wanneer het aantal overeengekomen zorguren niet wordt geleverd. SVB en de Gemeente zijn bij zorgovereenkomsten echter geen partij. Zij kunnen daarom wel de budgethouder aan wie zij een pgb hebben verstrekt vragen om rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb, maar zij kunnen zich daarvoor niet rechtstreeks tot de zorgaanbieder wenden. Terecht verlangt de Gemeente in deze zaak dan ook niet dat R2 c.s. rekening en verantwoording aflegt over de door Rigter B.V. en R2 B.V. in 2015 en 2016 geleverde zorg. Het gaat er hier dan ook niet om óf kan worden vastgesteld dat tegenover ieder door SVB aan Rigter B.V. en R2 B.V. betaald bedrag ook daadwerkelijk geleverde zorguren staan en óf budgethouders aanspraak kunnen maken op terugbetaling van te veel betaalde zorguren. De rechtbank moet beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen door R2 c.s. jegens de Gemeente. Dat is naar het oordeel van de rechtbank alleen het geval als het laten uitbetalen van pgb-gelden zodanig onzorgvuldig of opzettelijk onjuist heeft plaatsgevonden, dat sprake is van fraude of ander misbruik waardoor pgb-gelden oneigenlijk zijn besteed. De Gemeente heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van onrechtmatig handelen aangevoerd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.