RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/3725 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en het college van burgemeester en wethouders gemeente Ede te Ede, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 mei 2018 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit) wegens niet tijdige indiening ervan niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 13 november 2018. Namens eiser is mr. D.W.M. van Erp verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Klok. Overwegingen 1. Met het primaire besluit heeft verweerder € 9.061,69 teruggevorderd van eiser. Eiser heeft daar bij brief van 13 februari 2018 bezwaar tegen genaakt. Tussen partijen is in geschil of dit bezwaar ontvankelijk is. 2.1 Verweerder stelt dat eiser (veel) te laat bezwaar heeft gemaakt. Het primaire besluit is op 20 juli 2016 naar het adres van eiser gezonden. Van problemen met de postbezorging is niet gebleken. De bezwaartermijn van zes weken is dus volgens verweerder op 21 juli 2016 aangevangen. Subsidiair stelt verweerder dat een afschrift van het primaire besluit als bijlage bij verweerders brief van 14 november 2016 aan eiser is toegezonden. Dit betekent dat de bezwaartermijn in ieder geval op 15 november 2016 is aangevangen. Eiser heeft ruim na afloop van de termijn bezwaar gemaakt zonder dat daar volgens verweerder een verschoonbare reden voor is. Verweerder heeft het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk verklaard. 2.2 Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt dat hij op 2 februari 2018 een aanmaning van verweerder ontving en naar aanleiding daarvan direct om toezending van het dossier heeft verzocht. Eerst op 9 februari 2018 heeft hij kennisgenomen van het primaire besluit. Door vervolgens binnen twee weken na kennisname bij brief aan verweerder te laten weten dat hij het niet eens is met het primaire besluit heeft eiser naar eigen zeggen tijdig bezwaar gemaakt. 3. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. De termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. 3.1 Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel door de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van de brief op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. 3.2 Vaststaat dat het primaire besluit niet aangetekend is verzonden. Het primaire besluit bevat geen verzenddatum. Van een deugdelijke verzendadministratie is niet gebleken. Verweerder heeft de gestelde verzending van het primaire besluit op 20 juli 2016 dus niet aannemelijk gemaakt. 4. Dan de door verweerder gestelde verzending van het primaire besluit als bijlage bij de brief van 14 november 2016. 4.1 Achtergrond voor het versturen van deze brief is een brief van 22 september 2016 waarin verweerder - kort gezegd - aan eiser bericht dat hij niet voldoet aan zijn betalingsverplichting en daardoor de achterstand is opgelopen tot € 9.061,69. Eiser heeft bij brief van 30 september 2016 aan verweerder gevraagd ‘waar de achterstand op gebaseerd is en aan welke betalingsverplichting [hij] niet zou voldoen’. In verweerders brief van 14 november 2016 staat, voor zover hier van belang: “U loste maandelijks € 420,99 af op uw schuld aan de gemeente Ede (zie brief 19 augustus 2015). Dit betreft de onderhoudsbijdrage, ten behoeve van uw kind Mitchell (…) De laatste betaling is echter van 14 januari 2016 terwijl er nog een bedrag van € 7.906,92 open staat. Verder heeft u nog een schuld aan de gemeente Ede omdat wij (…) aan mevrouw P.A. Brom bijstand [hebben] verleend, terwijl u over deze een gezamenlijke huishouding voerde met haar (…). U bent beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de bijstand die hierdoor ten onrechte is uitbetaald. Het gaat om een bedrag van € 9.061,69 bruto (zie beschikking 20 juli 2016).” 4.2 Verweerder wijst erop dat eiser zelf om uitleg heeft gevraagd en heeft erkend dat hij de brief van 14 november 2016 heeft ontvangen. Verweerder stelt dat uit het feit dat in de tekst van de brief van 14 november 2016 wordt verwezen naar twee (niet meer en niet minder) brieven die met data worden genoemd en het gegeven dat bovenaan de brief staat ‘bijlage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.