vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/343214 / KG ZA 18-404 Vonnis in kort geding van 6 november 2018 in de zaak van wijlen de heer [naam eiser] , laatstelijk wonende te [woonplaats eiser] , eiser, advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. A.H.M. van den Broek te Maastricht, waarin hebben gevorderd als voegende partij aan de zijde van [naam eiser] te worden toegelaten: DE GEZAMENLIJKE ERVEN VAN [naam eiser], laatstelijk wonende te [woonplaats eiser] , eisers in het incident, advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen. Partijen zullen hierna wijlen de heer [naam eiser] , [naam gedaagde] en de erven worden genoemd. 1De procedure in de hoofdzaak en in het incident tot voeging aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 18 de nagezonden producties 19 tot en met 21 van wijlen de heer [naam eiser] de incidentele conclusie van eis tot voeging aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] de producties 1 tot en met 3 van [naam gedaagde] de mondelinge behandeling van 23 oktober 2018, tijdens welke behandeling namens [naam gedaagde] videobeelden zijn vertoond het ter zitting opgemaakte proces-verbaal van schikking van het geschil tussen wijlen de heer [naam eiser] en [naam] en gedeeltelijke schikking van het geschil tussen wijlen de heer [naam eiser] en [naam gedaagde] de pleitnota van wijlen de heer [naam eiser] de pleitnota van [naam gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten in de hoofdzaak en in het incident tot voeging aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] 2.1. De rechtsvoorganger van wijlen de heer [naam eiser] was eigenaar van een perceel grond gelegen in [woonplaats eiser] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats eiser] , sectie R, nummer 166, groot 74 are en 50 centiare. 2.2. De vader van [naam gedaagde] was eigenaar van het perceel aan de [adres wijngaard] 57 in [woonplaats eiser] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats eiser] , sectie R, nummer [nummer perceel] , groot 11 are en 90 centiare. Dit perceel grensde aan perceel 166. 2.3. Bij akte toedeling ruilverkaveling van 15 mei 2003 zijn alle percelen in het gebied van en rondom de percelen [nummer perceel] en 166 aan de eigenaren toebedeeld. Daarbij zijn de perceelsgrenzen niet gewijzigd. Wel is kavel 166 toen omgenummerd naar kavel [nummer perceel] . 2.4. Op 1 april 2004 is wijlen de heer [naam eiser] eigenaar geworden van perceel [nummer perceel] . Op dit perceel heeft wijlen de heer [naam eiser] een wijngaard aangelegd, welke wijngaard via de maatschap [naam maatschap] wordt geëxploiteerd. 2.5. Bij akte afgifte legaat en verdeling van 23 december 2004 heeft [naam gedaagde] onder algemene titel de eigendom verkregen van perceel [nummer perceel] . 2.6. Aan de westzijde van perceel [nummer perceel] en aan de oostzijde van perceel [nummer perceel] is een pad gesitueerd dat volledig op perceel [nummer perceel] ligt, hierna ook wel het oostelijke pad genoemd. [naam gedaagde] maakt gebruik van dit pad als toegang tot zijn perceel en door daarop (in ieder geval) voertuigen te parkeren en een aanhangwagen te stallen. 2.7. Wijlen de heer [naam eiser] heeft aan [naam gedaagde] bij brief van 3 augustus 2007 het volgende bericht: ‘Bij deze deel ik u mede dat wij dezer dagen onze wijngaard aan de [adres wijngaard] – in de omgeving van uw huis – met palen en draad gaan afzetten. Dit impliceert dat u met ingang van 1 september a.s. niet meer gebruik kunt maken van ons terrein. We verzoeken u vriendelijk uw eigendommen vóór de hiervoor genoemde datum te verwijderen.’ 2.8. In reactie daarop heeft [naam gedaagde] bij brief van 26 augustus 2017 onder meer het volgende aan wijlen de heer [naam eiser] bericht: ‘(…) Het is uw goed recht om uw eigendommen te omheinen. Echter, waar u op doelt is een pad dat grenst aan ons woonerf. Dit pad heeft de familie [naam gedaagde] al in gebruik sinds 1967 (…). Gelet op het feit dat het onderhave pad al 40 jaar door de familie [naam gedaagde] gebruikt wordt, kunt u vanwege verjaring, dit gebruik niet zondermeer laten beëindigen. (…) Gelet op het bovenstaande kan en zal ik niet tegemoet komen aan uw verzoek. Desgewenst ben ik bereid om nader te overleggen over het (toekomstig) gebruik van het pad. Ook ben ik bereid de betreffende strook grond tegen een redelijke prijs, mede vanwege de verjaring, van u over te nemen.’ 2.9. [naam gedaagde] heeft het gebruik van het oostelijke pad vervolgens ongewijzigd voortgezet. 2.10. Bij brief van 26 december 2011 heeft wijlen de heer [naam eiser] het volgende aan [naam gedaagde] bericht: ‘Nogmaals verzoek ik u dringend uw materialen en afval te verwijderen van mijn perceel, grenzend aan de tuin van uw woning aan de [adres gedaagde] . Nametingen van het kadaster hebben ook aangegeven dat u bij de zuidelijke begrenzing van uw tuin een ruime overschrijding van de grens hebt genomen. In het verleden heb ik u daar zowel schriftelijk als mondeling op aangesproken. In een reactie gebruikt u data en argumenten die niet overeenkomen met de waarheid. U beroept zich op een verjaring. Deze mening deel ik echter niet.’ 2.11. [naam gedaagde] heeft niet op deze brief gereageerd en heeft het gebruik van het oostelijke pad ook nadien ongewijzigd voortgezet. 2.12. Bij brief van 28 december 2013 heeft wijlen de heer [naam eiser] het volgende aan [naam gedaagde] bericht: ‘Wederom verzoek ik u om uw materialen en afval te verwijderen van het aan mij toebehorende perceel, grenzend aan de tuin van uw woning aan de [adres gedaagde] . Ik heb geconstateerd dat u zich direct een toegang hebt verschaft naar mijn perceel door een stuk van de haag, die de afscheiding vormt tussen uw tuin en mijn perceel, weg te halen. Dit is een situatie die ik niet accepteer.’ 2.13. [naam gedaagde] heeft niet op deze brief gereageerd. Hij heeft het gebruik van het oostelijke pad niet gestaakt. 2.14. Op 3 juli 2018 heeft de toenmalige gemachtigde van wijlen de heer [naam eiser] [naam gedaagde] opnieuw aangeschreven het gebruik van het oostelijke pad te staken en gestaakt te houden. Partijen hebben hierover gecorrespondeerd, maar dit heeft niet tot een oplossing van het gerezen geschil geleid. 2.15. Wijlen de heer [naam eiser] is medio oktober 2018 overleden. Zijn erven hebben de exploitatie van de op perceel [nummer perceel] gesitueerde wijngaard voortgezet. 3. Het geschil in de hoofdzaak 3.1. Wijlen de heer [naam eiser] vordert, na vermindering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I [naam gedaagde] te veroordelen binnen dertig dagen na de betekening van dit vonnis, ten aanzien van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats eiser] , [nummer perceel] , de op het pad aanwezige voertuigen, waaronder begrepen de aanhangwagen, en andere aan [naam gedaagde] toebehorende zaken te verwijderen en verwijderd te houden; II [naam gedaagde] te veroordelen te gehengen en gedogen dat wijlen de heer [naam eiser] een erfafscheiding plaatst langs de grenzen van perceel [nummer perceel] ; III [naam gedaagde] te veroordelen bij overtreding van het bepaalde onder I en/of II een dwangsom te betalen van € 250,00 bij elke overtreding en voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [naam gedaagde] in gebreke blijft de overtreding ongedaan te maken tot een maximum van € 10.000,00; IV [naam gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. [naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 3.3. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang, worden ingegaan. in het incident tot voeging aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] 3.4. De erven vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hen toe te laten tot het geding als aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] gevoegde partij. 3.5. [naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. 3.6. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan. 4De beoordeling van het geschil in het incident tot voeging aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] 4.1. De erven vorderen als voegende partij aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] te worden toegelaten. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat het een wens van wijlen de heer [naam eiser] was om de grensgeschillen met betrekking tot perceel [nummer perceel] te beslechten voor zijn overlijden en dat het, nu dit helaas niet is gelukt, hun wens is om dit geschil alsnog te regelen. De erven stellen dat zij daarom als belanghebbenden hebben te gelden in dit kort geding, zodat zij een belang hebben zich aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] te voegen om zo als eisende partij hetzelfde van [naam gedaagde] te vorderen als wijlen de heer [naam eiser] . [naam gedaagde] voert verweer en voert aan dat aan de voor voeging geldende eisen niet is voldaan, zodat de vordering strekkende daartoe dient te worden afgewezen. 4.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In artikel 225 lid 1 Rv is (ten aanzien van bodemprocedures) bepaald dat een geding kan worden geschorst bij de dood van een partij. Deze regeling is niet zonder meer ook van toepassing op kort geding, omdat het spoedeisende karakter van deze procedure daaraan in beginsel in de weg staat. Nu namens wijlen de heer [naam eiser] bovendien niet om schorsing van het geding is verzocht, is artikel 225 lid 2 Rv van toepassing. Hierin is bepaald dat bij gebreke van schorsing het geding wordt voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij. Dit betekent dat het onderhavige kort geding op de voet van voornoemd artikel kan worden voortgezet op naam van wijlen de heer [naam eiser] . De erven hebben geen (rechtens te respecteren) belang bij een voeging aan zijn zijde, omdat dit vonnis in zijn gevolgen de erven ook zonder voeging regardeert. De vordering tot voeging zal daarom worden afgewezen. 4.3. De erven zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het incident worden veroordeeld, welke kosten aan de zijde van wijlen de heer [naam eiser] en [naam gedaagde] tot op heden worden begroot op nihil. in de hoofdzaak 4.4. De vordering van wijlen de heer [naam eiser] komt er in de kern genomen op neer dat [naam gedaagde] het gebruik van het oostelijk gelegen pad op perceel [nummer perceel] moet staken en gestaakt moet houden. Wijlen de heer [naam eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat dit pad door [naam gedaagde] wordt gebruikt als toegang tot zijn perceel en om zijn voertuigen te parkeren en zijn aanhangwagen te stallen, waardoor het pad thans niet voor de exploitatie van de op perceel [nummer perceel] gesitueerde wijngaard kan worden gebruikt. Wijlen de heer [naam eiser] stelt dat hij weer de mogelijkheid wil hebben om het pad te gebruiken om ten behoeve van de wijngaard met (grote) machines en voertuigen zijn garage/schuur te kunnen bereiken en mogelijk zijn wijngaard uit te breiden en dat, nu [naam gedaagde] ook na aanschrijving niet tot staking van het gebruik wil overgaan, hij daartoe in deze procedure dient te worden veroordeeld. [naam gedaagde] voert verweer en voert aan dat het oostelijke pad door hem en zijn rechtsvoorganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.