← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2018:5756

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/825 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. O.F.X. Roozemond), en de Raad voor Rechtsbijstand te Utrecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus

  1. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Rutten. Overwegingen
  2. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser in het bestreden besluit alsnog een toevoeging (4MR9605) heeft verleend. Hierdoor is tussen partijen nog slechts in geschil of verweerder de proceskosten van eiser dient te vergoeden.
  3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om eiser een proceskostenvergoeding te verlenen. In dat kader heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser pas voor het eerst in de bezwaarfase heeft aangegeven dat de toevoeging zal worden gebruikt voor het voeren van een (afzonderlijke) procedure. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de gemachtigde van eiser in de toevoegingsaanvraag bij ‘soort rechtsbijstand’ heeft ingevuld: ‘nog niet bekend’. Dit terwijl de gemachtigde van eiser bij dit veld ook ‘procedure’ had kunnen invullen, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht.
  4. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om vergoeding van de proceskosten te worden afgewezen.
  5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.G. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.