RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/987041-15 Datum uitspraak : 7 maart 2019 Tegenspraak vonnis van de meervoudige economische kamer in de zaak van de officier van justitie bij het functioneel parket tegen besloten vennootschap [verdachte rechtspersoon], gevestigd op het adres [vestigingsplaats] , vertegenwoordigd door: [wettelijk vertegenwoordiger 1] , algemeen directeur, en [wettelijk vertegenwoordiger 2] , operationeel directeur. raadsvrouw: mr. E. Benhaim, advocaat te Rotterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2019. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 t/m 8 mei 2015 in de gemeente Wijchen, aan of nabij de [adres] te Wijchen, als werkgever zoals daaronder wordt verstaan in de 'Arbeidsomstandighedenwet', al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met de 'Arbeidsomstandighedenwet' en/of de daarop berustende bepalingen in het 'Arbeidsomstandighedenbesluit', door haar werknemer dhr. [betrokkene 1] en/of een of meer andere werknemers spuit- en/of conserveringswerkzaamheden te laten verrichten, in/op een of meer arbeidsplaatsen (spuitcabines aangeduid als C1 t/m C5), zijnde ruimtes met gevaar voor een explosieve atmosfeer als bedoeld in artikel 3.1 sub c van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit' en/of waarbij de werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit', zulks terwijl A. in strijd met artikel 3.5c van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit' de gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico's die daaruit kunnen voortvloeien, in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de 'Arbeidsomstandighedenwet', niet voor de aanvang van die arbeid en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats(en), de arbeidsmiddelen en/of het arbeidsproces, in hun geheel waren beoordeeld en schriftelijk vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument, immers was het aanbrengen van scheidingswanden en/of het aanbrengen van of verrichten van aanpassingen aan installaties (Graco XP 70 en/of verlichtingsarmaturen) binnen deze ruimtes en/of de aanwezigheid van verschillende open emmers en vaten gevuld met thinner en/of oplosmiddelhoudende (verf)stoffen en/of slangen waarin zich oplosmiddelhoudende producten bevonden en/of de mogelijkheid tot ontsteking door statische elektriciteit niet doorgevoerd in het actuele Explosieveiligheidsdocument (EVD d.d. 9 oktober 2006); en/of B. in strijd met artikel 3.5d van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit' geen, althans onvoldoende doeltreffende maatregelen waren genomen om het ontstaan van een explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats(
(2011)volgt dat de ondergrens voor de vrijstelling (afval)stoffen uit ADR klasse 3, afhankelijk van verpakkingsgroep II of III, maximaal 50 kilo of liter bedraagt. Daarbij is opgemerkt dat hoeveelheden van verpakte gevaarlijke stoffen die deze grenzen niet overschrijden wel verantwoord moeten worden opgeslagen. Dat wil zeggen dat opslag niet op de werkvloer mag plaatsvinden, tenzij het gaat om een hoeveelheid die als werkvoorraad kan worden aangeduid. Voorschrift 3.1.3 definieert werkvoorraad als de voorraad verpakte gevaarlijke stoffen die ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld. In de toelichting op dit voorschrift is vermeld dat de werkvoorraad zodanig moet zijn dat de productie normaal doorgang kan vinden. Deze moet evenwel niet zodanig groot zijn dat meerdere niet geopende eenheden onnodig dagenlang of zelfs wekenlang in een werkruimte of dergelijke verblijven. Dan zou er sprake zijn van verkapte opslag. Deze eenheden behoren dan te worden bewaard in een opslagruimte. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat in de spuitcabines afvalstoffen bestaande uit thinner, verf, primer en harder in de 200 liter vaten aanwezig waren. Deze stoffen zijn aan te merken als licht ontvlambare/brandbare, en dus gevaarlijke afvalstoffen. Zoals hierboven reeds is overwogen, volgt uit de verklaringen van de spuiters dat deze vaten in de spuitcabines stonden totdat ze (vrijwel) vol waren, waarna ze uit de spuitcabines werden afgevoerd. Soms stonden die vaten er volgens deze verklaringen weken. In sommige spuitcabines zijn twee 200-liter vaten aangetroffen. Hieruit volgt dat er doorgaans meer dan de vrijgestelde ondergrens van gevaarlijke (afval)stoffen volgens de PGS 15 in de spuitcabines aanwezig waren en dat deze opslag niet werd beperkt tot de dag- of werkvoorraad. Waar de toelichting op boven vermeld voorschrift 3.1.3 het heeft over ongeopende hoeveelheden, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank zeker waar het over (verbruikte) afvalstoffen gaat. De vaten waarin deze gevaarlijke afvalstoffen zaten, waren dus niet opgeslagen in een PGS 15 opslagvoorziening. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat onvoldoende maatregelen zijn genomen door [verdachte rechtspersoon] om ervoor te zorgen dat zo min mogelijk ontbrandingsbronnen in de spuitcabines aanwezig waren die brand en explosies konden veroorzaken met mogelijk ernstige lichamelijke gevolgen tot gevolg. [verdachte rechtspersoon] moest redelijkerwijs weten dat door het niet op de juiste manier opslaan van de gevaarlijke (afval)stoffen een gevaarlijke situatie ontstond en dat bij een incident levensgevaar dan wel ernstige gezondheidsschade voor medewerkers te verwachten was. Door op een onjuiste wijze gevaarlijke (afval)stoffen in de spuitcabines op te slaan, heeft [verdachte rechtspersoon] bewust het risico genomen dat een gevaarlijke situatie zou ontstaan in de zin van een ontploffing of brand, waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte rechtspersoon] het onder feit 1 tenlastegelegde opzettelijk heeft begaan. Feit 2 De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 10.54a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Ingevolge artikel 10.54a, eerste lid, Wet Milieubeheer (hierna: Wm) is het verboden gevaarlijke afvalstoffen te mengen, daaronder mede begrepen verdunnen, met andere bij ministeriële regeling aangewezen categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere bij ministeriële regeling aangewezen afvalstoffen, stoffen of materialen. Ingevolge het tweede lid geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet voor zover het mengen van gevaarlijke afvalstoffen is toegestaan krachtens een omgevingsvergunning. Voor bevestigende beantwoording van die vraag biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank overweegt dat de gemeente Wijchen in de aan [verdachte rechtspersoon] verstrekte oprichtingsvergunning van 16 maart 2004, haar reacties nadien op de meldingen van [verdachte rechtspersoon] in het kader van het Activiteitenbesluit en in de door haar in de loop der jaren uitgevoerde milieu inspecties bij [verdachte rechtspersoon] slechts opmerkingen heeft gemaakt over de wijze waarop de afvalstoffen die vrijkwamen als gevolg van het aan de gemeente bekende procedé in de spuitcabines, moesten worden opgeslagen. Daargelaten de vraag of het schoonspoelen van de spuitkoppen door het mengen van thinner met primer en vervolgens het mengen van thinner met lak en verharder (en het vervolgens opvangen van deze mengsels in hetzelfde vat) al dan niet moet worden opgevat als mengen in de zin van artikel 10.54a, eerste lid, Wm, houdt de rechtbank het er om die reden voor dat in het geval van [verdachte rechtspersoon] ten tijde van het tenlastegelegde sprake is geweest van vergund handelen in de zin van artikel 10.54a, tweede lid, Wm, en kan zij niet tot de conclusie komen dat hier sprake is van strafrechtelijk verwijtbaar handelen. Voor een ander standpunt biedt het dossier geen aanknopingspunten. De NFI rapporten van 26 oktober 2015 (p. 101051) en van 17 november 2016 (aanvullend dossier p. 000041) beantwoorden deze vraag niet, en ook de verwijzing van de officier van justitie naar het proces-verbaal van 16 december 2016 (p. 101089) kan niet tot de conclusie leiden dat hier sprake is geweest van mengen in de zin van artikel 10;54a, eerste lid, Wm. Weliswaar wordt in laatstgenoemd proces-verbaal geconcludeerd dat sprake is van mengen, maar die conclusie is slechts gebaseerd op de visuele aspecten en niet op de juridische grondslag van artikel 10;54a, eerste lid, Wm en de daarop gebaseerde wet- en regelgeving. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van het haar ten laste gelegde feit 2. Om die reden wijst de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om een deskundige te benoemen, af. Feit 3 Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit voldoen de verpakking en de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. Ingevolge het zevende lid voldoen de verpakking en de opslag van vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en afvalstoffen waaruit vloeibaar bodembedreigende stoffen kunnen lekken ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. Een van de uit deze bepalingen voortvloeiende regelgeving betreft de voorschriften genoemd in de PGS15. Ten tijde van het tenlastegelegde gold de (bijgewerkte) versie uit 2011. [verdachte rechtspersoon] heeft in 2002 en 2003 aanvragen ingediend bij de gemeente Wijchen voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ex artikel 8.4 Wm voor het produceren van wegtransportmiddelen en constructies. Uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting als activiteiten worden verricht: de verkoop en fabricage van wegtransportmiddelen en constructies, inclusief verfspuiten, testen en reparatie, inclusief onderhoud. Op 16 maart 2004 is een Wm-vergunning verleend aan [verdachte rechtspersoon] . De gemeente Wijchen heeft beslist dat de inrichting vanaf 1 januari 2008 was aan te merken als een type B-inrichting en derhalve onder de werkingssfeer van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer viel. [verdachte rechtspersoon] is een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer in verband met artikel 2.1 Besluit omgevingsrecht jo. Bijlage I, onderdeel C, onder andere categorie 13 onder 13.1. De gemeente Wijchen heeft een integrale milieucontrole uitgevoerd op 23 mei 2008. [verdachte rechtspersoon] is er bij brief van 19 juni 2008 onder meer op gewezen dat de lege 200 liter vaten bij de spuiterij in de PGS15-voorziening dienden te worden opgeslagen dan wel uit de inrichting dienden te worden verwijderd. Daarbij werd opgemerkt dat niet meer dan 10 ton aan gevaarlijke stoffen in de opslagvoorziening mocht worden opgeslagen. Uit de bewijsmiddelen onder feit 1 komt naar voren dat in de spuitcabines vaten met verf en oplosmiddelen stonden. De rechtbank acht de betreffende bewijsmiddelen daarover als herhaald en ingelast. Tijdens het onderzoek naar aanleiding van de brand bij [verdachte rechtspersoon] zijn in de buitenlucht op 13 pallets in totaal 26 blauwe 200 liter vaten aangetroffen. De pallets stonden op een ondergrond van open straatklinkers. Deze buiten opslagplaats lag tussen de verfkluis, een hek naar de openbare weg, een elektriciteitsgebouw en het naastgelegen keukenbedrijf. Op de open straatklinkers lagen restanten van verschillende kleuren verf. De stickers op de vaten waren met zwarte verf overgespoten. Hierdoor was niet dan wel moeilijk herleidbaar welke (afval)stof in de vaten was opgeslagen dan wel welke gevaarzetting de vaten opleverden. Op verschillende vaten werden de letters/cijfers TE10 en 3216/3261 aangetroffen. De vaten waren behoorlijk gevuld. Een medewerker van [verdachte rechtspersoon] deelde mee dat vaten afvalstoffen bevatten en afkomstig waren uit onder andere de spuitstraten en de verfkluis/mengruimte. De vaten die bij het onderzoek in de spuitcabines en in de buitenlucht stonden, zijn genummerd met de nummers 11 tot en met 30. Uit de genummerde vaten zijn monsters genomen die door het NFI zijn onderzocht. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat de inhoud van de vaten 11, 12, 14, 15, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 26, 27, 28 en 29 afvalstoffen bevatten die op basis van het proces van herkomst en de chemische samenstelling konden worden ingedeeld onder de euralcodes 07 01 04* of 08 01 11*. De inhoud van de vaten was hierdoor aan te merken als een gevaarlijke afvalstof. Van de vaten 13, 16, 17, 23 en 25 kon niet worden vastgesteld of de inhoud als gevaarlijk afval was aan te merken. Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte rechtspersoon] afval afvoerde onder de codes 07 01 04* en 08 01 11*. De inhoud van de 200-liter vaten en de kleinere vaten in de spuitcabines/ spuitstraten bij [verdachte rechtspersoon] is aan te merken als afvalstof als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, Wm. Dat geldt ook voor de inhoud van de 200 liter vaten die naar de opslag buiten zijn gebracht in afwachting van afvoer. Volgens de door [verdachte rechtspersoon] aangeleverde gevaarkaarten waren de verf, primers en oplosmiddelen ingedeeld in de ADR klasse 3 (ontvlambare stoffen). De Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS 15) is daarmee van toepassing op deze stoffen. PGS 15 is ook van toepassing op verf, primers en oplosmiddelen die in het afvalstadium zijn gekomen. [naam 5] heeft verklaard dat de etikettering door Jan, de rechtbank begrijpt [naam 3] (medewerker van [verdachte rechtspersoon] in de mengruimte), zwart werd gespoten: het hele etiket, de gegevens en ook de gevaarsymbolen. [naam 5] of zijn collega namen de (lege) 200 liter vaten zelf mee naar de spuitcabine. Als een vat vol was, reden ze het om het gebouw heen en zetten het bij de poort. Er lagen daar klinkers, geen speciale vloer. [naam 3] heeft verklaard dat hij de etiketten op de vaten zwart spoot. De vaten met afval werden misschien twee keer in het jaar opgehaald. Ook getuige [naam 12] heeft verklaard dat de vaten eens per half jaar werden opgehaald en dat er gemiddeld 20 vaten stonden. Getuige [naam 7] heeft over de buitenopslag verklaard dat het niet de officiële opslagplek was voor de vaten maar dat dat historisch zo was gegroeid, omdat het gemakkelijker was op die plaats. Om een beeld te krijgen van de duur van de buitenopslag is op internet een historisch onderzoek ingesteld op de website van Globespotter. Op een foto uit 2014 werd gezien dat op het terrein aan de oostzijde van de mengruimte in de buitenlucht ronde voorwerpen stonden langs de buitenmuur van het gebouw en langs de erfgrens. Geschat werd dat het ging om ongeveer 25 stuks. Uit informatie van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (hierna: LMA) komt naar voren dat in 2014 drie keer vervuilde oplosmiddelen met de euralcode 07.01.04* van [verdachte rechtspersoon] zijn afgevoerd, in februari 2014 4.362 kilo, in juli 2014 3.576 kilo en in november 2014 4.088 kilo. De rechtbank leidt uit voormelde bewijsmiddelen af dat van vaten die leeg waren de etiketten werden zwart gespoten. Daarna werden de vaten gebruikt in de spuitcabines om restanten thinner, verf, primer en harder op te vangen. In de vaten, zowel in de spuitcabines als in de opgeslagen vaten buiten, zaten gevaarlijke afvalstoffen, waarvoor PGS 15 van toepassing was. Vastgesteld is dat er meer vaten waren dan was toegestaan en dat deze niet waren opgeslagen in een PGS 15 opslagvoorziening. Vast staat dat de aangetroffen vaten met afvalstoffen niet waren voorzien van etiketten die weergaven wat de inhoud van de vaten was. De UN codes betreffen vervoercodes en werden door Interchem in Beuningen aangebracht voordat ze naar dat bedrijf werden afgevoerd. Vast staat tevens dat [verdachte rechtspersoon] ten aanzien van de buitenopslag ook geen voorzieningen had getroffen als bedoeld in PGS15, zoals de opslag boven een vloeistofdichte vloer, verharding of lekbak of een andere bodem beschermende voorziening. Gelet hierop acht de rechtbank het onder feit 3 tenlastegelegde bewezen. De rechtbank acht ook bewezen dat het feit opzettelijk is begaan in die zin dat men wist dat dit gebeurde. [verdachte rechtspersoon] is er in voorgaande jaren op gewezen dat de vaten dienden te worden opgeslagen in een PGS 15 voorziening en dat niet meer dat 10 ton mocht worden opgeslagen. Door haar bedrijfsprocessen niet hierop aan te passen en evenmin te controleren dat de regels hieromtrent werden nageleefd heeft [verdachte rechtspersoon] willens en wetens structureel de opslagregels niet nageleefd. Voor zover door de raadsvrouw is betoogd dat tijdelijke opslag buiten een PGS 15 opslagvoorziening is toegestaan, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat sprake was van een tijdelijke situatie. Het dossier logenstraft dit, mede gezien de luchtfoto’s uit 2014 en de informatie van het LMA. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 t/m 8 mei 2015 in de gemeente Wijchen, aan of nabij de [adres] te Wijchen, als werkgever zoals daaronder wordt verstaan in de 'Arbeidsomstandighedenwet', al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met de 'Arbeidsomstandighedenwet' en/of de daarop berustende bepalingen in het 'Arbeidsomstandighedenbesluit', door haar werknemer dhr. [betrokkene 1] en/of een of meer andere werknemers spuit- en/of conserveringswerkzaamheden te laten verrichten, in/op een of meer arbeidsplaatsen (spuitcabines aangeduid als C1 t/m C5), zijnde ruimtes met gevaar voor een explosieve atmosfeer als bedoeld in artikel 3.1 sub c van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit' en/of waarbij de werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit', zulks terwijl A. in strijd met artikel 3.5c van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit' de gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico's die daaruit kunnen voortvloeien, in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de 'Arbeidsomstandighedenwet', niet voor de aanvang van die arbeid en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats(en), de arbeidsmiddelen en/of het arbeidsproces, in hun geheel waren beoordeeld en schriftelijk vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument, immers was het aanbrengen van scheidingswanden en/of het aanbrengen van of verrichten van aanpassingen aan installaties (Graco XP 70 en/of verlichtingsarmaturen) binnen deze ruimtes en/of de aanwezigheid van verschillende open emmers en vaten gevuld met thinner en/of oplosmiddelhoudende (verf)stoffen en/of slangen waarin zich oplosmiddelhoudende producten bevonden en/of de mogelijkheid tot ontsteking door statische elektriciteit niet doorgevoerd in het actuele Explosieveiligheidsdocument (EVD d.d. 9 oktober 2006); en/of B. in strijd met artikel 3.5d van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit' geen, althans onvoldoende doeltreffende maatregelen waren genomen om het ontstaan van een explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats(
- en)te voorkomen, althans - terwijl het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer, gezien de aard van het werk niet mogelijk was - geen, althans onvoldoende maatregelen waren genomen om de ontsteking van explosieve atmosferen te voorkomen en/of de schadelijke gevolgen van een explosie te beperken, immers was er geen, althans onvoldoende rekening gehouden met elektrostatische ontladingen die van werknemer(
- s)en/of de arbeidsplaats(
- en)als ladingsdrager of ladingsproducent konden uitgaan, aangezien in die cabine(
- s)- ten tijde van (voorbereidende) spuitwerkzaamheden geen, althans niet steeds antistatische kleding werd gedragen, en/of - een of meer vaten, gevuld met verf- en/of oplosmiddelen, aanwezig waren die niet (doelmatig) waren geaard, en/of - geen passend toezicht op die arbeid in een explosieve atmosfeer werd uitgeoefend, en/of - de gevarenzone(
- s)en/of de spuitcabine(
- s)als gevarenzone(
- s)niet waren gemarkeerd door middel van een of meer waarschuwingsborden (pictogrammen EX overeenkomstig het Explosieveiligheidsdocument); en/of C. in strijd met artikel 4.6 van het 'Arbeidsomstandighedenbesluit' het gevaar, dat zich met betrekking tot gevaarlijke stoffen of met betrekking tot de arbeid met die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordeed, niet zoveel mogelijk was vermeden, immers werden/waren er geen, althans onvoldoende maatregelen getroffen om er voor te zorgen dat in die cabine(
- s)geen ontbrandingsbronnen aanwezig waren die brand en explosies konden veroorzaken, of om ongunstige omstandigheden te vermijden die ertoe konden leiden dat chemisch onstabiele stoffen of mengsels van stoffen ongelukken met ernstige fysieke gevolgen veroorzaken, aangezien thinner en/of verf(afval)stoffen, zijnde - licht ontvlambare/brandbare - gevaarlijke (afval)stoffen, in die cabine(
- s)werden opgeslagen/bewaard in zogenaamde 200-liter vaten, niet zijnde in een ruimte of geschikte kluis die voldeed aan de PGS-15 normen; terwijl daardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van genoemde in spuitcabine C1 werkzame werknemer [betrokkene 1] (die bij een ontstane explosie/brand 2e- en 3e-graads brandwonden over het gehele lichaam opliep) en/of een of meer andere werknemers ontstond of te verwachten was; 3. verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 t/m 8 mei 2015 in de gemeente Wijchen, althans in of omstreeks de maand mei 2015, als degene die aan of nabij de [adres] te Wijchen een inrichting voor het vervaardigen, onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren en/of proefdraaien van motorvoertuigen als bedoeld in bijlage I onderdeel C categorie 13.1 van het 'Besluit omgevingsrecht' dreef, zijnde een inrichting type B als gedefinieerd in artikel 1.2 van het 'Activiteitenbesluit milieubeheer', al dan niet opzettelijk, aldaar in de buitenlucht buiten gebouw 3 in een aantal niet (leesbaar) geëtiketteerde zogenaamde 200-liter vaten gevaarlijke (afval)stoffen, bestaande uit restanten thinner, primer, harder en/of verf, heeft opgeslagen gehouden op een ondergrond van (open) straatklinkers, waardoor werd gehandeld in strijd met artikel 4.1 van het 'Activiteitenbesluit milieubeheer', aangezien die verpakking en/of de opslag van die gevaarlijke stoffen en/of CMR stoffen in verpakking, ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk was het zoveel mogelijk beperken van de risico's voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordeden en de gevolgen hiervan, niet voldeed/voldeden aan de bij artikel 4.1 en/of artikel 4.10 en/of artikel 4.3 van de 'Activiteitenregeling milieubeheer' in samenhang met voorschrift 3.1.1 en/of 3.11.2 van PGS 15:2011 versie 1.1 gestelde eisen dat: (zakelijk weergegeven) - verpakte gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening; - de etikettering van de aanwezige gevaarlijke stoffen zodanig is dat de gevaaraspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen; - het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking plaatsvindt boven een vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak of een bodembeschermende voorziening. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; Feit 3: Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte [verdachte rechtspersoon] is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte rechtspersoon] ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 150.000,-, waarvan € 50.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: [verdachte rechtspersoon] zal binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis op haar kosten een EVD en een RI&E laten opstellen door een door het Openbaar Ministerie aan te wijzen veiligheidsdeskundige; [verdachte rechtspersoon] zal binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de in het EVD en RI&E aanbevolen maatregelen doorvoeren in haar bedrijfsproces; [verdachte rechtspersoon] legt binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis het EVD, de RI&E en een bewijs van de getroffen maatregelen over aan het Openbaar Ministerie. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om, in het geval dat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring voor één of meer feiten, rekening te houden met de volgende omstandigheden. [verdachte rechtspersoon] heeft volledige medewerking verleend aan het strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast heeft het bedrijf ook zelf onderzoek laten doen om de oorzaak van de brand te achterhalen. Het strafrechtelijk onderzoek heeft grote impact gehad op de gehele organisatie en op het productieproces. De gehele organisatie is nauw betrokken geweest bij het herstel van [betrokkene 1] en [verdachte rechtspersoon] heeft aan haar reïntegratieverplichtingen jegens [betrokkene 1] voldaan. [verdachte rechtspersoon] is altijd transparant geweest ten opzichte van de gemeente Wijchen en is de met hen gemaakte afspraken nagekomen. De raadsvrouw heeft verder naar voren gebracht dat [verdachte rechtspersoon] een nieuwe spuiterij heeft gebouwd volgens de nieuwste technieken en dat zij haar bedrijfsprocessen heeft aangepast. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat [verdachte rechtspersoon] een blanco strafblad heeft. Daarnaast is de redelijke termijn overschreden wat dient te leiden tot strafvermindering. Beoordeling door de rechtbank [verdachte rechtspersoon] heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Arbowet en het Arbobesluit. [verdachte rechtspersoon] heeft nagelaten zorg te dragen voor een actueel EVD, waarin alle risico’s waaraan werknemers werden of konden worden blootgesteld waren vastgelegd. Daarnaast heeft [verdachte rechtspersoon] er onvoldoende voor gezorgd dat het ontstaan van een explosieve atmosfeer in de spuitcabines werd voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk werd beperkt. Evenmin heeft [verdachte rechtspersoon] ervoor gezorgd dat zo min mogelijk ontbrandingsbronnen in de spuitcabines aanwezig waren. Door het nalaten van datgene wat van [verdachte rechtspersoon] als werkgever mocht worden verwacht, kon een gevaarlijke situatie ontstaan in de zin van een ontploffing of brand, waarbij de medewerkers ernstig lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen of waarbij sprake was van levensgevaar. [verdachte rechtspersoon] heeft zich verder schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer. Zij heeft op haar terrein in de buitenlucht vaten met afvalstoffen opgeslagen die opgeslagen hadden moeten worden conform de voorschriften in PGS 15. Bovendien waren de etiketten onleesbaar en stonden de vaten op een klinkerondergrond. De opslag van de vaten was naar het oordeel van de rechtbank niet alleen gevaarlijk, er had ook ernstige schade aan het milieu kunnen worden toegebracht. De vaten stonden immers op (open) klinkers. De rechtbank waardeert het dat [verdachte rechtspersoon] na het incident steeds contact heeft onderhouden met [betrokkene 1] . De rechtbank houdt rekening met het feit dat [verdachte rechtspersoon] niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank ook rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank acht alles in aanmerking nemend een geldboete gerechtvaardigd. Gelet op de door de officier van justitie in haar requisitoir genoemde jurisprudentie, waarbij bij het incident steeds een werknemer was overleden, en mede gezien de vrijspraak van feit 2, zal de rechtbank een lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een geldboete van € 100.000,- passend. Een deel daarvan, te weten € 25.000,- zal de rechtbank in voorwaardelijke vorm opleggen teneinde te voorkomen dat [verdachte rechtspersoon] opnieuw strafbare feiten pleegt. Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de proeftijd worden vastgesteld op twee jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden. Uit het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat [verdachte rechtspersoon] een nieuwe spuiterij heeft gebouwd volgens de laatste of beste beschikbare technieken. Daarbij is rekening gehouden met alle aspecten die mogelijk hebben geleid tot de explosie en brand op 8 mei 2015. Ook is een nieuw EVD opgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen meerwaarde in het door de officier van justitie gevorderde strafrechtelijke kader voor toezicht op naleving van de bestuursrechtelijke normen. Er zijn ook geen indicaties dat er onvoldoende toezicht wordt uitgeoefend door de reeds betrokken autoriteiten. 8In beslag genomen voorwerpen Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de in beslag genomen primerpomp XP70 en de drukslang aan [verdachte rechtspersoon] . 9De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; 1, 1a, 2, 6 van de Wet op de Economische Delicten; 5 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet; 3.5c, 3.5d en 4.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit; 8.40 van de Wet milieubeheer; 4.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; 4.1, 4.3 en 4.10 van de Activiteitenregeling milieubeheer. 10De beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft gedaan en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 100.000,-(honderdduizend euro); bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete groot € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: een primerpomp XP70 en een drukslang. Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. T. Bertens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 maart 2019. Mr. T. Bertens en mr. C.C.M. Althoff zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 10] van de Inspectie SZW en verbalisant [naam 11] van de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2015223321 (onderzoek ONRBA 15007 LEEUW), gesloten op 5 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van bevindingen, p. 000014. Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 100407, p. 100409. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2] , p. 000153. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] , p. 1001542. Proces-verbaal van bevindingen, p. 000014, Uittreksel uit rapportage medisch onderzoek gezondheidsschade na arbeidsongeval, nagekomen stuk. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3] , p. 101793. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 4] , p. 101772-101775. Proces-verbaal omschrijving soort inrichting, p. 000030-000031, Uittreksel Kamer van Koophandel, p. 000038. Explosieveiligheidsdocument, p. 100591. Brief van BMD Advies, p. 100639. Risico-inventarisatie en -evaluatie, p. 100139, p. 100174. Brief van Wiltec van 19 november 2008, p. 100875-100878, Inkooporder, p. 100817. Facturen van Wiltec, p. 100822-1100827. Proces-verbaal sporenonderzoek. P. 100401-100402. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] , p. 101830-101833. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , p. 101955. Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 100406. Proces-verbaal, p. 100585-100586. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100895. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100287. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100346, 100349-100350, 100352. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100300. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100363-100366. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100313. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100382, 100386-100389. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100326. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100392, 100395-100396. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100544. Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 100405. Rapport DNV-GL, p. 100734. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2] , p. 101525. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] , p. 101620-101621. Proces-verbaal van de terechtzitting van 7 februari 2019, p. 5. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] , p. 101624, 101626. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 8] , p. 101608-101609. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 4] , p. 101777. NFI-rapport van 17 november 2016, aanvullend dossier, p. 000079. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] , p. 101620-101621 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 8] , p. 101610. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 9] , p. 101658. Explosieveiligheidsdocument, p. 100613, 100612. Proces-verbaal van bevindingen, schouw ongevallocatie, p. 100573. Proces-verbaal van bevindingen, p. 100544. Processen-verbaal van verhoor van getuigen [naam 5] , p. 101627; [naam 8] , p. 101609; [betrokkene 1] , p. 101541. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2] , p. 101519. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] , p. 101540A-101541. Voorschriften bij de milieuvergunning van 16 maart 2004, p. 000071. Proces-verbaal, p. 200121-200130. Proces-verbaal, p. 101093-101094. Proces-verbaal omschrijving soort inrichting, p. 000031. Wet Milieubeheer beschikking, p. 000049. Proces-verbaal omschrijving soort inrichting, p. 000036. Brief gemeente Wijchen van 19 juni 2008, p. 000109. Proces-verbaal van bevindingen, p. 101107-101108. NFI-rapport, p. 101050. NFI-rapport, p. 101069. Proces-verbaal, p. 101090-101091. Proces-verbaal, p. 101093-101094. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] , p. 101626-101267. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 3] , p. 101737. Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 12] , p. 101785. Proces-verbaal van verhoor van de als verdachte gehoorde [naam 7] , p. 102163. Proces-verbaal onderzoek historie luchtfoto’s internet, p. 101116-101117. Proces-verbaal van bevindingen LMA, p. 300042.