vonnis _________________________________________________________________ _ RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer: NL17.14165 Vonnis van 1 februari 2019 in de zaak van [naam eiseres] ,wonende te [woonplaats eiseres] ,eiseres van de vordering,verweerster op de tegenvordering, hierna te noemen: [naam eiseres] ,advocaat mr. R.C.H. Bruinier te Ede, tegen [naam verweerder] ,wonende te [naam verweerder] ,verweerder op de vordering,eiser van de tegenvordering, hierna te noemen: [naam verweerder] ,advocaat mr. M.A.M. Lem te Breda. 1De procedure 1.
(5)dat jij je zal onthouden van iedere samenwerking met [naam ondernemer] zowel tijdens [naam vof] als binnen 1 jaar na afloop ervan, zoals geformuleerd in de tussen [naam vof] en [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016. Indien je niet (tijdig) geheel of gedeeltelijk aan deze sommatie voldoet dan stel ik je hierbij reeds voor alsdan aansprakelijk voor alle schade die ik dientengevolge lijdt en nog zal lijden. Voorts dien je er in dat geval rekening mee te houden dat ik mogelijk een kort geding zal starten om te voorkomen dat ik (nog meer) schade zal lijden als gevolg van de handelwijze van jou en [naam ondernemer] . Vooralsnog ga ik er van uit dat dit niet nodig moet zijn. Dit schrijven is per aangetekende post alsmede per mail aan je verzonden. Tevens is dit schrijven op 24 oktober persoonlijk aan je ter hand gesteld. 2.22. [naam verweerder] heeft vervolgens [naam ondernemer] per direct de toegang ontzegd tot de (computer)systemen van [naam vof] . Ook heeft [naam verweerder] [naam eiseres] op 25 oktober 2017 aansprakelijk gesteld voor alle schade die hij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het laten verrichten van werkzaamheden voor [naam vof] door [naam ondernemer] . 2.23. Bij brief van 25 oktober 2017 heeft de advocaat van [naam eiseres] onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht: Cliënte wenst op dit moment tot liquidatie van de onderneming over te gaan zulks met inachtneming van de gemaakte afspraken in artikel 14 van de overeenkomst van 19 november 2012. Zij heeft in dat kader u op 5, 6 en 7 oktober 2017 diverse e-mailberichten gestuurd op welke e-mailberichten u niet dan wel afwijzend heeft gereageerd. Om de beëindiging van de samenwerking zowel intern als extern op correcte wijze te regelen, stelt cliënte voor op korte termijn met elkaar in overleg te treden en daarbij tevens te betrekken uw gezamenlijke accountant, mevrouw [naam accountant] , alsook uw eventuele juridische adviseur. In het kader van het overleg kan dan door mevrouw [naam accountant] een liquidatiebegroting worden opgesteld. Tot slot merkt cliënte op dat op basis van de overeenkomst van 19 november 2012 de vennoten over en weer zich dienen te onthouden van het doen van negatieve uitlatingen over elkaar alsook elkaars werkzaamheden en ook dienen zij geen handelingen te verrichten waartegen de ander zich uitdrukkelijk verzet. In strijd met deze verplichtingen ex de artikelen 2 en 7 van de overeenkomst heeft u in de eerste plaats op 2 oktober 2017 een e-mail toegezonden naar mevrouw [naam medewerker] van [namen klanten] . Zolang tussen u en cliënte geen overeenstemming is bereikt over de liquidatie van de onderneming en de wijze van berichtgeving daaromtrent richting derden, dienen u en cliënte zich te onthouden van het doen van (negatieve) mededelingen tegenover derden. Cliënte gaat er dan ook vanuit dat dergelijke berichtgeving zich niet meer zullen voordoen. In de tweede plaats verzet cliënte zich uitdrukkelijk tegen de door u reeds genomen alsook voorgenomen maatregelen richting mevrouw [naam ondernemer] , bestaande uit het uiten van verwijten over schending van contractuele afspraken, haar op non-actief te zetten, haar internet- en e-mailtoegang blokkeren alsook het aanvangen van rechtsmaatregelen. De thans door u reeds getroffen maatregelen dienen dan ook te worden opgeheven nu de onderneming als gevolg daarvan schade leidt. De inzet van mevrouw [naam ondernemer] komt immers ten goede aan de onderneming. Cliënte verneemt graag uiterlijk aanstaande vrijdag 27 oktober 2017 of u de interne en externe gevolgen van de liquidatie van de onderneming in onderling overleg wenst te regelen respectievelijk of u uw (voorgenomen) maatregelen richting mevrouw [naam ondernemer] opheft. Uitgaande van een positieve reactie kan aansluitend een concrete datum en tijdstip voor een bespreking (samen met mevrouw [naam accountant] , uw eventuele juridische adviseur en ondergetekende) worden afgesproken. Een eventuele gerechtelijke traject - bestaande uit een of meerdere procedures - zal namelijk aanzienlijke kosten met zich meebrengen en verdergaande schade toebrengen aan de onderneming alsook de toekomstige ondernemingen van u en cliënte. 2.24. [naam verweerder] heeft niet op voornoemde brief gereageerd. Wel heeft hij in de periode van 24 oktober tot en met 1 november 2017 met [naam eiseres] gecorrespondeerd over – kort gezegd – een map met contracten van de vennootschap (waaronder al dan niet ook de met [naam ondernemer] gesloten freelanceovereenkomsten), het begeleidingstraject van [naam ondernemer] , de wijze van betaling van facturen van [naam vof] en declaraties van partijen en de betaling van de openstaande facturen van [naam ondernemer] . 2.25. Bij brief van 1 november 2017 heeft de advocaat van [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht: Uit de inhoud van het door cliënt aan mij ter beschikking gesteld dossier blijkt geenszins van een opzegging van de V.o.f. [naam vof] door cliënt. Uit de inhoud van mijn dossier blijkt hetgeen cliënt in zijn brief d.d. 24 oktober jl. aan u heeft beschreven. Cliënt heeft geconstateerd dat u niet aan de sommatie uit zijn brief d.d. 24 oktober 2017 heeft voldaan. Sterker nog, inmiddels is hem gebleken dat mevrouw [naam ondernemer] reeds op 25 september 2017 en op 18 oktober 2017 met medewerking van u onder eigen naam diensten aangeboden heeft aan cliëntèle van [naam vof] V.o.f., zonder medeweten, laat staan toestemming, van cliënt. Dat betekent niet alleen dat ten aanzien van mevrouw [naam ondernemer] ter zake andermaal een boete verbeurd is geraakt van € 30.000,-, maar ook dat u reeds vanaf 25 september 2017 respectievelijk 18 oktober 2017 heeft gehandeld in strijd met de overeenkomst [naam vof] V.o.f, d.d. 19 november 2012. Ten aanzien van cliënt bent u dan ook reeds vanaf 25 september 2017, resp. 18 oktober 2017 en in ieder geval vanaf 30 oktober 2017 in verzuim, met alle gevolgen van dien. Namens cliënt stel ik u hierbij dan ook aansprakelijk voor de schade die cliënt lijdt en nog zal lijden als gevolg van het feit dat u ten opzichte van hem handelt in strijd met de inhoud van de overeenkomst [naam vof] V.o.f. d.d. 19 november 2012. Voorts houdt cliënt u hierbij aansprakelijk voor de schade die hij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het feit dat u (actief) medewerking verleent aan het overtreden door mevrouw [naam ondernemer] van de tussen V.o.f. [naam vof] en mevrouw [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d, 28 juni 2016. Om zijn schade zo veel als mogelijk te beperken zal cliënt namens V.o.f. [naam vof] per omgaande overgaan tot de op non actiefstelling van mevrouw [naam ondernemer] , alsook tot het incasseren van de inmiddels door mevrouw [naam ondernemer] verbeurde boetes ad in totaal € 74.000,-. Client zal iedere betaling die V.o.f [naam vof] verschuldigd is aan mevrouw [naam ondernemer] verrekenen met de openstaande boetes. Uit de inhoud van de brief van uw advocaat blijkt ook geenszins dat u de verschuldigdheid van genoemde boetes door mevrouw [naam ondernemer] aan V.o.f. [naam vof] betwist. Cliënt zal dan ook in kort geding een verbod vorderen iedere samenwerking tussen u en mevrouw [naam ondernemer] , zowel gedurende de overeenkomst [naam vof] V.o.f. d.d. 19 november 2012, als binnen 1 jaar na afloop ervan (datum afloop is 1 januari 2018), zoals geformuleerd in de tussen Vof [naam vof] en mevrouw [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016. 2.26. Eveneens op 1 november 2017 heeft [naam verweerder] [naam eiseres] per e-mail bericht dat hij [naam ondernemer] namens [naam vof] per direct op non-actief heeft gesteld. Ook heeft hij [naam eiseres] verzocht om samen de caseload van [naam ondernemer] te herverdelen tussen beiden. 2.27. Daarop heeft [naam eiseres] bij e-mailbericht van 1 november 2017 gereageerd met de mededeling dat zij dit onderwerp met [naam verweerder] wil bespreken in het kader van de algehele afwikkeling van de samenwerking, zoals voorgesteld bij brief van 25 oktober 2017 van haar advocaat. Verder heeft zij aangegeven niet akkoord te zijn met de eenzijdig genomen beslissing van [naam verweerder] om [naam ondernemer] op non-actief te stellen. Daarop heeft [naam verweerder] [naam eiseres] aansprakelijk gesteld voor alle additionele schade als gevolg van de weigering om zo snel mogelijk de caseload van [naam ondernemer] te herverdelen. 2.28. Bij brief van 1 november 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam ondernemer] bericht: Zoals je bekend hebben mijn compagnon [naam eiseres] en ik in onderling overleg besloten de V.o.f. [naam vof] ingaande 1 januari 2018 te beëindigen, en dientengevolge V.o.f. [naam vof] op te heffen per die datum. Op 4 oktober 2017 heb ik van jou vernomen dat je voornemens bent de onderneming van V.o.f. [naam vof] na 1 januari 2018, tezamen met [naam eiseres] , voort te zetten in een nog op te richten nieuwe V.o.f. Daar ben ik uitdrukkelijk niet mee akkoord gegaan. Sinds 4 oktober 2017 ben je in overtreding van artikel 2, 4, 6 Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 nu jij aantoonbaar: • aan een toekomstige op te richten nieuwe V.o.f. direct mededeling hebt gedaan over informatie waarvan jij in het kader van de inleenovereenkomst kennis hebt genomen betreffende V.o.f. [naam vof] , en die als vertrouwelijk moet worden aangemerkt; • het voornemen hebt geuit zonder mijn schriftelijke toestemming per 1 januari 2018 door middel van een - in samenwerking met [naam eiseres] - op te richten nieuwe V.o.f., in enigerlei vorm diensten aan te bieden die V.o.f. [naam vof] thans aan haar (potentiële) klanten aanbiedt en/of heeft aangeboden. De laatste mededeling is aan te merken als een mededeling ex artikel 6:80 BW, waarmee jij tweemaal de Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 hebt overtreden, en om die reden ingevolge artikel 8 Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 een bedrag ad € 30.000,- aan V.o.f. [naam vof] verschuldigd bent, te vermeerderen met een bedrag ad € 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot op heden is dat ten aanzien van de eerste overtreding (van 4 oktober tot en met 1 november 2017) een bedrag van in totaal 28 x € 500,- = € 14.000,-. Daarnaast heb ik inmiddels geconstateerd dat jij op 29 september 2017 en 18 oktober 2017 met medewerking van [naam eiseres] onder eigen naam diensten hebt aangeboden aan clientèle van [naam vof] V.o.f., zonder medeweten, laat staan toestemming, van mij. Dat betekent dat andermaal een boete verbeurd is geraakt van (2 x € 15.000,-) = € 30.000,- De totale boete bedraagt tot en met heden aldus € 74.000.-. Namens V.o.f. [naam vof] deel ik jou hierbij dan ook mede dat jij met onmiddellijk ingang op non actief bent gesteld, tot aan de datum dat de overeenkomst tussen jou en V.o.f. [naam vof] rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zijnde 1 januari 2018. Voorts deel ik je hierbij mede dat V.o.f. [naam vof] ten aanzien van enige aan jou verschuldigde betaling hierbij een beroep op verrekening doet met de door jou (hiervoor genoemde) aan V.o.f, [naam vof] verschuldigde boetes. Voorts verzoekt ik jou hierbij, en voor zover vereist sommeer ik jou daartoe, om uiterlijk binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief: 1. een bedrag ad € 69.199,95 te voldoen aan V.o.f. [naam vof] ter zake restant verbeurde boetes uit hoofde van de tussen V.o.f. [naam vof] en jou gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016; 2. schriftelijk te bevestigen dat jij je zal onthouden van iedere samenwerking met [naam eiseres] zowel gedurende het bestaan van V.o.f. [naam vof] als binnen 1 jaar na afloop ervan (zijnde 1 januari 2918), zoals geformuleerd in de tussen V.o.f. [naam vof] en [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016. Indien je niet (tijdig) geheel of gedeeltelijk aan deze sommatie voldoet dan stel ik je hierbij reeds nu voor alsdan aansprakelijk voor alle schade die V.o.f. [naam vof] dientengevolge lijdt en nog zal lijden. Voorts dien je er in dat geval rekening mee te houden dat ik een kort geding zal starten om te voorkomen dat V.o.f. [naam vof] (nog meer) schade zal lijden als gevolg van de handelwijze van jou en [naam eiseres] . 2.29. Bij e-mailbericht van 3 november 2017 aan [naam verweerder] met een cc aan [naam eiseres] heeft de advocaat van [naam ondernemer] , mr. R.D. Rischen, de gepretendeerde vordering van [naam verweerder] weerlegd en aanspraak gemaakt op betaling van de op dat moment openstaande facturen van [naam ondernemer] voor een totaalbedrag van € 4.800,05. 2.30. Omdat [naam verweerder] weigerde de facturen van [naam ondernemer] te voldoen, heeft [naam eiseres] op 7 november 2017 vanuit de zakelijke rekening van [naam vof] de op dat moment openstaande facturen van [naam ondernemer] voldaan. 2.31. Daarop heeft [naam verweerder] zonder medeweten en toestemming van [naam eiseres] het positieve saldo van de zakelijke rekening van [naam vof] voor een bedrag van op dat moment € 30.373,00 overgemaakt naar zijn privérekening. Ook heeft [naam verweerder] klanten van [naam vof] aangeschreven met het verzoek de openstaande facturen te voldoen op zijn privérekening. Twee klanten van [naam vof] hebben vervolgens op 10 november 2017 (Supergarant B.V.) en op 1 december 2017 (IW4) een totaalbedrag van € 3.009,88 overgemaakt op de privérekening van [naam verweerder] . 2.32. Bij emailbericht van 8 november 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht: Op 7 november om 12:33 uur heb je zonder mijn toestemming en zonder mij te informeren eenzijdig de facturen aan [naam ondernemer] ter hoogte van € 3.394,00 en € 1.406,00 (totaal € 4.800,00) aan haar overgemaakt via onze bedrijfsrekening. En dat ten eerste terwijl ik degene ben die sinds de oprichting van V.o.f. [naam vof] alle betalingen verricht en ik je voorts in een eerder stadium schriftelijk expliciet heb meegedeeld niet akkoord te gaan met het betalen van de 2 facturen aan [naam ondernemer] , vanwege het feit dat door [naam ondernemer] ten aanzien van V.o.f. [naam vof] tenminste een aantal boetes van ruim € 70.000,- zijn verbeurd, wegens het meermaals overtreden van het Geheimhoudings- en concurrentiebeding tussen haar en [naam vof] . Je hebt met de betaling van deze facturen aantoonbaar in strijd met de overeenkomst V.o.f. [naam vof] gehandeld althans ten opzichte van V.o.f. [naam vof] en mij onrechtmatig gehandeld. Ik stel je hierbij dan ook aansprakelijk voor de schade die V.o.f. [naam vof] en ik dientengevolge lijden en nog zullen lijden. Voorts sommeer ik je hierbij per omgaande om er binnen 3 dagen na heden voor zorg te dragen dat voornoemde betalingen aan [naam ondernemer] worden teruggedraaid, bij gebreke waarvan ik de verplichtingen van V.o.f. [naam vof] en mij ten opzichte van jou opschort, totdat de betalingen aan [naam ondernemer] ongedaan zijn gemaakt. Met het eenzijdig en zonder mijn toestemming betalen van deze facturen aan [naam ondernemer] ben je een grens overgegaan. Helaas ben ik alle vertrouwen in jou met betrekking tot onze bedrijfsrekening daardoor verloren. Ter voorkoming van verdere door V.o.f. [naam vof] en mij te lijden financiële schade heb ik het positieve saldo van de bedrijfsrekening ter hoogte van € 30.373,00 daarom veiliggesteld. 2.33. Op of omstreeks 9 november 2017 heeft [naam verweerder] nog een bedrag van € 4.114,00 van de bedrijfsrekening naar zijn privérekening overgeboekt. 2.34. Bij aangetekend schrijven van 13 november 2017 heeft de advocaat van [naam eiseres] onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht: Cliënte stelt vast dat sinds haar e-mail van 30 september 2017 - bij welke e-mail uw voorstel tot voortzetting van [naam vof] door cliënte per 1 oktober 2017 niet werd aanvaard - verdere samenwerking als gevolg van uw handelwijze onmogelijk is geworden alsook dat u bij herhaling in strijd heeft gehandeld met diverse bepalingen in het vennootschapscontract van 19 november 2012. In dat kader heeft u in strijd met de vereiste toestemming van cliënte: - maatregelen genomen richting mevrouw [naam ondernemer] , bestaande feitelijk uit het uitsluiten van haar binnen de vennootschap en het haar beletten van de uitvoering van haar werkzaamheden voor de vennootschap (schending artikel 6 lid 2 sub c); - diverse klanten en kandidaten van de vennootschap benaderd welke klanten en kandidaten door cliënte respectievelijk mevrouw [naam ondernemer] werden bediend en daarbij tevens onjuiste uitlatingen gedaan (artikel 7); - op 8 en 9 november 2017 een totaalbedrag van € 34.487,00 overgeboekt van de zakelijke rekening van de vennootschap naar uw privérekening (artikel 6 lid 2 sub j alsook artikel 11 lid 1); - klanten van de vennootschap aangeschreven met het verzoek verdere betalingen te verrichten op uw privérekening in plaats van op de zakelijke rekening van de vennootschap. Als gevolg van voornoemde toerekenbare tekortkomingen roept cliënte door middel van deze brief/e-mail haar recht op onmiddellijke ontbinding van de vennootschap in. Zij verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 13 sub d van het vennootschapscontract. Als gevolg van de ontbinding dient per direct tot liquidatie van (het vermogen van) de vennootschap moeten worden overgegaan. In dat kader sommeert cliënte u uiterlijk 17 november 2017 de navolgende acties te verrichten: - mevrouw [naam accountant] toegang te verstrekken tot het computer- en boekhoudsysteem van de vennootschap zodat zij de administratie van de vennootschap vanaf 1 januari 2016 in orde kan maken; - het verlenen van medewerking aan het opstellen van een liquiditeitsbalans door mevrouw [naam accountant] ; - het restitueren van het totaalbedrag van € 34.487,00 op de bankrekening van de vennootschap en het zich onthouden van het doen van verdere onttrekkingen, behoudens wederzijdse instemming met cliënte, zulks in afwachting van de uitkomst van de liquidatie; - de door u inmiddels aangeschreven klanten van de vennootschap te berichten dat de thans openstaande facturen alsnog dienen te worden voldaan op de bankrekening van de vennootschap in plaats van uw privérekening . 2.35. [naam verweerder] heeft hierop niet gereageerd. Evenmin heeft hij gevolg gegeven aan de sommatie. Daarop heeft [naam eiseres] diverse partijen, waaronder Rabobank als verhuurder van het kantoorpand en klanten van [naam vof] , van de ontbinding van de vennootschap op de hoogte gesteld. 2.36. Op 28 november 2017 heeft [naam verweerder] zichzelf zonder toestemming van [naam eiseres] een fee toegekend van € 5.000,00. 2.37. Begin januari 2018 heeft [naam verweerder] de toegang van [naam eiseres] tot haar e-mailaccount alsook haar agenda van [naam vof] geblokkeerd door haar wachtwoord te wijzigen. Ook de toegang tot het zakelijk account van [naam vof] bij Microsoft van de systeembeheerder [naam bedrijf] . is door [naam verweerder] geblokkeerd. 2.38. Bij e-mailbericht van 13 januari 2018 heeft [naam eiseres] [naam verweerder] gesommeerd om haar weer onmiddellijk toegang te geven tot haar e-mailaccount en agenda. [naam verweerder] heeft dit niet gedaan. 2.39. Partijen hebben daarna nog veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd. Ook is [naam verweerder] nog verschillende malen door [naam eiseres] in de gelegenheid gesteld de gevolgen van de beëindiging van de samenwerking en de onmiddellijke ontbinding van de vennootschap in onderling overleg te regelen. Tot een oplossing heeft dat niet geleid. 2.40. Op 7 maart 2018 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende per e-mail aan [naam eiseres] bericht: De Belastingdienst heeft mij desgevraagd bevestigd dat je op 6-3-2018 rond 16:45 uur het vestigingsadres van VOF [naam vof] gewijzigd hebt naar je privéadres aan (…) te Arnhem. Ook heb je een nieuwe gebruikersnaam en wachtwoord voor het beveiligde gedeelde van de internetsite van de Belastingdienst voor de VOF [naam vof] aangevraagd. Zie onder. Je hebt eenzijdig en zonder mijn toestemming het adres van de VOF naar je privéadres laten overzetten. Ook heb je eenzijdig en zonder mijn toestemming het huidige wachtwoord geblokkeerd en een nieuw wachtwoord voor het beveiligde deel van de internetsite van de Belastingdienst aangevraagd. Je eenzijdig handelen is des te opmerkelijker, omdat ik sinds 2012 bij [naam vof] degen ben die alle digitale aangiftes bij de belastingdienst verzorg. Ik ga niet akkoord met de adreswijziging van VOF [naam vof] naar je privéadres in Arnhem. Ook ga ik niet akkoord met het door jou eenzijdig wijzigen van het wachtwoord. Ik sommeer je om de wijzigingen bij de Belastingdienst per direct ongedaan te maken. 2.41. Daarop heeft [naam eiseres] bij e-mailbericht van 11 maart 2018 onder meer als volgt gereageerd: Aangezien noch jij, noch ik, verdere stappen kunnen zetten totdat wij eens zijn geworden hoe wij gaan liquideren, zie ik niet in waarvoor jij de inloggegevens van de belastingdienst nodig hebt, en ook niet de map met administratie. Daarom zal ik die allemaal goed in bewaring houden. Jij hebt zonder mijn toestemming aangifte omzetbelasting 4e kwartaal 2017 gedaan terwijl ik je heb gevraagd daarvoor uitstel te vragen wegens ons juridische conflict. Dat jij in het verleden de administratieve handelingen voor [naam vof] verrichtte is van geen enkel belang. Wij waren toen vennoten en hadden dat zo afgesproken, maar zijn nu in conflict. Wij kunnen niet verder tenzij wij het eens worden hoe. Het ziet er naar uit dat dit in een rechterlijk vonnis zal worden vastgelegd, tenzij jij bereid bent met mijn advocaat en mijzelf en [naam accountant] om tafel te gaan om tot een oplossing te komen. Dat is je ettelijke malen gevraagd en daaraan heb je geen gehoor gegeven. Wanneer je een correct voorstel tot liquidatie voorlegt zal ik die in overweging nemen. Deze dient uit te gaan van liquidatie per 13 november 2017, eerlijke verdeling van het tegoed van [naam vof] in twee gelijke delen na betaling van verschuldigde bedragen aan derden en ontvangst van bedragen die derden aan [naam vof] verschuldigd zijn. Ik verzoek je met klem mij een nieuw overzicht van de geldstromen van [naam vof] vanaf het moment waarop jij de tegoeden naar een rekening op jouw naam overmaakte te sturen en het tegoed van [naam vof] naar de rekening van [naam vof] terug te storten. Ik heb sinds 3 december geen overzicht meer van jou ontvangen. Betalingen van fees aan de vennoten, zijnde jou en mij, moeten gelijk zijn. In een eerder overzicht had jij jezelf een fee van € 5.000 betaald voor de maand november en mij niet. Gelieve dit bedrag terug over te maken naar het saldo van [naam vof] , dan wel mij ook deze fee uit te keren z.s.m. 2.42. Bij e-mailbericht van 14 maart 2018 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht: De aangifte voor Q4 2017 omzetbelasting is gebaseerd op de mij bekende omzet en inkoopcijfers van [naam vof] over het vierde kwartaal. Wegens jouw weigering om mij de financiële administratie/gegevens over Q4 2017 van [naam vof] ter beschikking te stellen, is de aangifte een zo goed mogelijke inschatting van de af te dragen BTW. Bij nacalculatie kan er een suppletie btw-aangifte gedaan worden zoals te doen gebruikelijk. Jouw suggestie om geen btw-aangifte over Q4 2017 te doen is door de Belastingdienst niet toegestaan en zou leiden tot additionele financiële schade voor VOF [naam vof] . Ik verwijs je hiervoor ook naar je eigen eerdere correspondentie hierover. Ik ben op zich altijd bereid om aan tafel te gaan, maar wij laten ons nu beiden bijstaan door advocaten. Ik stel dan ook voor om jouw advocaat zich met een redelijk voorstel voor een mogelijke oplossing te laten wenden tot mijn advocaat. 2.43. [naam eiseres] heeft bij e-mailbericht van 18 maart 2018 onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht: In onderstaande e-mail geef jij aan bereid te zijn om aan tafel te gaan, en stel jij voor dat mijn advocaat zich met een redelijk voorstel voor een mogelijke oplossing wendt tot jouw advocaat. Wij staan open voor overleg zoals vanaf het begin door ons is aangegeven. Nu jij een verweer en tegeneis hebt ingediend bij de rechtbank, vinden wij het eerst noodzakelijk daarop een reactie te geven naar de rechtbank. Nadat deze reactie op jouw verweer en tegeneis is ingediend begin april, zullen wij een voorstel doen via jouw advocaat om naar aanleiding daarvan om tafel te gaan. 2.44. Na daartoe op 23 maart 2018 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [naam eiseres] op 26 maart 2018 ten laste van [naam verweerder] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder Rabobank en een opdrachtgever van [naam verweerder] , te weten Keerpunt B.V., alsmede conservatoir beslag op een personenauto (Audi A4) van [naam verweerder] . 2.45. Na daartoe op 2 mei 2018 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [naam eiseres] op 14 mei 2018 ten laste van [naam verweerder] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder een andere opdrachtgever van [naam verweerder] , te weten [naam klant 1] Netwerk B.V. 3Het geschil de vordering 3.1. [naam eiseres] vordert na wijzing van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: 1. voor recht verklaart dat de vennootschap per 13 november 2017 rechtsgeldig is ontbonden, 2. [naam verweerder] veroordeelt om binnen zeven dagen na dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan het opstellen van de jaarrekening 2016 alsook een liquidatiebalans c.q. -jaarrekening per de peildatum van 13 november 2017 door de accountant van de vennootschap mevrouw [naam accountant] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [naam verweerder] geheel of gedeeltelijk in gebreke is of blijft aan deze verplichting of veroordeling te voldoen, 3. bepaalt dat de kosten voor het opstellen van de jaarrekening 2016, alsook de liquidatiebalans c.q. -jaarrekening voor rekening komen van de vennootschap en bij onvoldoende vermogen voor rekening van partijen zelf, ieder voor de helft, 4. bepaalt dat partijen overeenkomstig de nader op te stellen liquidatiebalans c.q. -jaarrekening binnen 14 dagen na totstandkoming tot financiële afwikkeling dienen over te gaan, 5. de wijze van verdeling gelast ex artikel 3:185 BW met inachtneming van de standpunten van [naam eiseres] zoals uiteengezet in de namens [naam eiseres] ingediende processtukken, 6. [naam verweerder] veroordeelt aan de vennootschap te restitueren een bedrag van € 37.244,51 uit hoofde van de overgeboekte gelden van 8, 9 en 10 november 2017, alsook 1 december 2017, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente ex artikel 6:119 BW over voornoemd bedrag vanaf 18 november 2017 tot aan de dag van voldoening, 7. [naam verweerder] veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis (
- a)te overleggen zijn rekeningafschriften respectievelijk de bij- en afschrijvingen op zijn privérekening met nummer [rekeningnummer 2] vanaf 7 november 2017 ter vaststelling van de ontvangst van en de omvang van de aan de vennootschap toekomende gelden afkomstig van klanten zoals vermeld in productie 41 bij procesinleiding en (
- b)op de zakelijke rekening van de vennootschap met nummer [rekeningnummer 3] te storten alle aan de vennootschap toekomende gelden zoals die kunnen worden vastgesteld aan de hand van de hiervoor genoemde rekeningafschriften, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [naam verweerder] geheel of gedeeltelijk in gebreke is of blijft aan deze verplichtingen of veroordelingen (ieder afzonderlijk) te voldoen, 8. [naam verweerder] veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis [naam eiseres] , alsook de systeembeheerder van de vennootschap, te weten [naam bedrijf] . te Nootdorp, onbeperkte toegang te verlenen en te blijven verlenen tot het zakelijke (internet)account van de vennootschap, en wel op een zodanige wijze dat alle opgeslagen informatie vanaf 1 januari 2015 ten aanzien van de vennootschap in het algemeen, ten aanzien van Van der Vlag en ten aanzien van [naam ondernemer] toegankelijk wordt, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [naam verweerder] geheel of gedeeltelijk in gebreke is of blijft aan deze verplichtingen of veroordelingen (ieder afzonderlijk) te voldoen, 9. [naam verweerder] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsook de kosten van de gelegde conservatoire beslagen, primair zijnde een integrale proceskostenveroordeling en subsidiair conform het liquidatietarief, en bepaalt dat [naam verweerder] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als hij niet binnen 14 dagen na dit vonnis heeft betaald, 10. [naam verweerder] veroordeelt in de nakosten voor een bedrag van € 131,00 zonder betekening en voor een bedrag van € 199,00 met betekening en bepaalt dat [naam verweerder] de wettelijke rente over de nakosten verschuldigd zal zijn als hij niet binnen 14 dagen na dit vonnis heeft betaald. 3.2. [naam verweerder] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. de tegenvordering 3.4. [naam verweerder] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [naam eiseres] veroordeelt: 1. aan [naam verweerder] te voldoen een bedrag van € 100.000,00 ter zake door [naam eiseres] ten opzichte van [naam verweerder] verbeurde boetes ex artikel 16 lid 3 juncto artikel 16 lid 1 van de overeenkomst, 2. ingevolge artikel 6 lid 2 sub i van de overeenkomst medewerking te verlenen aan het starten en het voeren van een gerechtelijke procedure tegen mevrouw M.L. [naam ondernemer] door [naam vof] , ter zake de incasso van door [naam ondernemer] ten opzichte van [naam vof] verbeurde boetes ingevolge de overtreding van de geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016, door middel van het verlenen van een schriftelijke volmacht aan [naam verweerder] ter zake, uiterlijk binnen twee dagen na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat [naam eiseres] in verzuim is met de aan haar bij vonnis opgelegde medewerking, 3. in de kosten van deze procedure. 3.5. [naam eiseres] voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling van de vordering 4.1. In de kern genomen gaat het in deze zaak om de liquidatie van de vennootschap onder firma [naam vof] . In dat verband zijn er tussen de twee vennoten, [naam eiseres] en [naam verweerder] , allerlei geschilpunten ontstaan. 4.2. Een van die geschilpunten betreft de vraag of [naam eiseres] [naam vof] heeft overgenomen nadat [naam verweerder] had aangegeven te stoppen met [naam vof] (zie 2.7). De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Op 17 maart 2017 heeft [naam verweerder] mondeling te kennen gegeven dat hij tegen het einde van het boekjaar 2017 met [naam vof] wil stoppen. Dit heeft hij op 23 maart 2017 bij aangetekend schrijven aan [naam eiseres] bevestigd. Op grond van artikel 13 aanhef en sub b van de overeenkomst (zie 2.4) eindigt de vennootschap door opzegging door een van de vennoten. Indien de vennootschap door opzegging eindigt, bestaat ingevolge artikel 15 lid 1 sub a van de overeenkomst voor de niet-opzeggende vennoot een recht tot voortzetting van het bedrijf van de vennootschap. Deze niet-opzeggende vennoot dient op straffe van verval van het recht zijn verlangen daartoe binnen drie maanden na het eindigen van de vennootschap schriftelijk te kennen te geven aan de andere vennoot (artikel 15 lid 2). 4.3. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat [naam eiseres] op enig moment aan [naam verweerder] schriftelijk heeft kenbaar gemaakt dat zij [naam vof] wilde voortzetten. De transcriptie van de opname van een bespreking tussen [naam verweerder] en [naam eiseres] op 20 september 2017 (productie 11 van [naam verweerder] ), in welke bespreking [naam eiseres] heeft aangegeven [naam vof] toch te willen voortzetten, kan niet als zo’n aanknopingspunt worden beschouwd. Het betreft hier immers geen schriftelijk stuk van [naam eiseres] en bovendien heeft zij onweersproken gesteld dat dit een van de voorstellen was die tijdens genoemde bespreking aan de orde zijn gekomen in het kader van de voortzetting dan wel liquidatie van de vennootschap en dat zij niet tot enige wilsovereenstemming zijn gekomen. 4.4. Er zijn daarentegen verschillende duidelijke aanwijzingen die erop wijzen dat [naam eiseres] [naam vof] niet wilde voortzetten. Zo heeft [naam verweerder] bij e-mailberichten van 11 april en 15 mei 2017 [naam eiseres] verzocht schriftelijk te bevestigen dat zij de vennootschap na 1 januari 2018 niet zal voortzetten. Aan dit verzoek heeft [naam eiseres] bij e-mailberichten van 11 april en 6 juni 2017 gehoor gegeven (zie 2.8). Later, op 30 september 2017, heeft [naam eiseres] aan [naam verweerder] geschreven dat ze niet langer de wens heeft om onder de naam [naam vof] door te gaan c.q. [naam vof] over te nemen (zie 2.12). Overigens lijkt [naam verweerder] hier – in ieder geval in correspondentie – zelf ook van uit te gaan. Zo schrijft hij op 2 oktober 2017 aan mevrouw [naam medewerker] van [naam klant 3] Werkt! te Zutphen dat de onderneming [naam vof] haar activiteiten uiterlijk 31-12-2017 staakt (zie 2.13), schrijft hij op 4 oktober 2017 aan [naam ondernemer] dat zij, [naam ondernemer] , heeft aangegeven na het beëindigen van de werkzaamheden van [naam vof] samen met [naam eiseres] in een nieuwe constructie te willen doorgaan en schrijft hij op 6 oktober 2017 aan [naam eiseres] dat hij in voorkomende situaties transparantie, eerlijkheid en zorgvuldigheid betracht naar klanten en hen op de hoogte stelt van de beëindiging van [naam vof] (zie 2.16). 4.5. Op grond van het voorgaande is [naam vof] door de opzegging van [naam verweerder] per aangetekende brief van 23 maart 2017 in beginsel dan ook op 31 december 2017 beëindigd. 4.6. [naam eiseres] heeft evenwel bij brief van 13 november 2017 met een beroep op het bepaalde in artikel 13 sub d van de overeenkomst de onmiddellijke ontbinding van [naam vof] ingeroepen (zie 2.34). De vraag die derhalve voorligt, is wanneer [naam vof] nu is beëindigd, per 13 november 2017 of per 31 december 2017. Om tot de conclusie te kunnen komen dat [naam vof] al per 13 november 2017 is beëindigd, dient eerst komen vast te staan dat [naam eiseres] de onmiddellijke ontbinding van de vennootschap terecht heeft ingeroepen. 4.7. [naam eiseres] heeft aan die ontbinding verschillende (vermeende) toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [naam verweerder] ten grondslag gelegd. Centraal staan daarbij de gebeurtenissen rondom [naam ondernemer] . Op 4 oktober 2017 heeft [naam verweerder] een gesprek gehad met [naam ondernemer] . Over de inhoud van dit gesprek verschillen partijen van mening. Wel staat vast dat [naam verweerder] [naam ondernemer] op 1 november 2017 per direct op non-actief heeft gesteld. Volgens [naam verweerder] overtrad [naam ondernemer] de tussen haar en [naam vof] overeengekomen geheimhoudingsovereenkomst. 4.8. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de stukken echter niet evident af te leiden dat aan [naam ondernemer] is kenbaar gemaakt op welke concrete feiten en/of omstandigheden de op non-actiefstelling ziet. Het enige stuk waaruit dat zou kunnen worden afgeleid is de brief van [naam verweerder] van 1 november 2017 (zie 2.28), maar die ziet vooral op de gestelde overtredingen van de geheimhoudingsovereenkomst, op grond waarvan [naam ondernemer] boetes heeft verbeurd. In die brief staat ten aanzien van de op non-actiefstelling niet meer dan dat [naam verweerder] [naam ondernemer] namens [naam vof] meedeelt dat zij “dan ook” met onmiddellijke ingang op non-actief is gesteld. 4.9. Mede gelet op het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling gaat het [naam verweerder] kennelijk met name om het verwijt dat [naam ondernemer] [naam vof] beconcurreert, door klanten van [naam vof] te benaderen. Vaststaat dat [naam ondernemer] ook ten tijde van haar samenwerking met de VOF wel als zzp-er zelf nieuwe klanten voor haarzelf mocht werven. Ze werkte dus niet exclusief voor de vennootschap. De rechtbank acht het in zo’n geval voor de hand liggend dat er een gesprek plaatsvindt met de betreffende freelancer/zzp-er, waarin wordt aangegeven wat er is geconstateerd, waarom dat in strijd is met het overeengekomen concurrentie- en/of relatiebeding en waarom dit onmiddellijke op non-actiefstelling rechtvaardigt, dan wel wat voor sancties er eventueel volgen indien dit nogmaals gebeurt. Gesteld noch gebleken is dat [naam ondernemer] in de onderhavige zaak een dergelijk gesprek of waarschuwing heeft gekregen. [naam verweerder] is direct overgegaan tot op non-actiefstelling, terwijl hij ook in de brief van 24 oktober 2017 aan medevennoot [naam eiseres] niet duidelijk heeft aangegeven welke specifieke gedragingen met betrekking tot welke klanten hij [naam ondernemer] verwijt (zie 2.20). Wel eiste hij in genoemde brief van [naam eiseres] onder meer dat zij zou meewerken aan de op non-actiefstelling van [naam ondernemer] en dat zij zich zou onthouden van iedere samenwerking met [naam ondernemer] zowel tijdens [naam vof] als binnen een jaar na afloop daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde [naam eiseres] als medevennoot evenwel niet stilzwijgend langs de zijlijn toe te kijken en deze eenzijdig door [naam verweerder] aangekondigde sanctie van op non-actiefstelling te accepteren. Het gaat hier om een groter belang van de VOF waar [naam eiseres] ook voor moest waken. [naam ondernemer] werd als zzp-er immers vanuit [naam vof] ingezet bij de begeleiding van verschillende trajecten van personeel van werk naar werk. Wanneer die begeleiding als gevolg van een niet voorzienbare op non-actiefstelling ineens zou eindigen of vertraging zou oplopen, zonder dat het traject op een goede wijze was afgerond, is het niet denkbeeldig dat er onrust en/of schade zou ontstaan bij degenen die werden begeleid en hun werkgevers, de klanten van de vennootschap. Daarmee komt indirect dus ook het voortbestaan van de onderneming op het spel te staan. 4.10. Los van het voorgaande stond het [naam verweerder] overigens ook niet vrij om zonder medeweten en instemming van [naam eiseres] tot op non-actiefstelling van [naam ondernemer] over te gaan. Het is op zichzelf juist, zoals [naam verweerder] stelt, dat artikel 6 lid 1 van de overeenkomst onder meer bepaalt dat iedere vennoot bevoegd is voor de vennootschap te handelen. Maar uitgerekend in een situatie als hier aan de orde bepaalt artikel 6 lid 2 sub c dat de medewerking van alle vennoten wordt gevorderd voor het in dienst nemen en het ontslaan van personeel, externe inhuur en overige contracten met derden. Dat hier niet met zoveel woorden ook ‘op non-actiefstellen’ wordt genoemd betekent niet dat daarvoor andere regels gelden. Het had ook voor [naam verweerder] duidelijk moeten zijn dat het op non-actiefstellen van een derde (in dit geval een freelancer) waarmee je als vennootschap een overeenkomst hebt gesloten eveneens onder deze bepaling dient te worden begrepen. 4.11. Bij dit alles komt bovendien dat de advocaat van [naam ondernemer] bij e-mail van 3 november 2017 heeft aangegeven dat [naam ondernemer] niet begrijpt waarop de schending van het geheimhoudings- en/of relatiebeding ziet, maar dat zij bovenal iedere vermeende overtreding betwist, alsmede dat zij bezwaar maakt tegen de op non-actiefstelling en dat zij onverkort aanspraak maakt op betaling van haar openstaande facturen. De advocaat heeft [naam verweerder] gesommeerd om deze facturen te voldoen, bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op de wettelijke rente. Ook worden rechtsmaatregelen in het vooruitzicht gesteld. Het is in dit verband met deze plotselinge niet onderbouwde op non-actiefstelling door [naam verweerder] alleszins voorstelbaar en zelfs logisch dat [naam eiseres] er in het belang van [naam vof] voor heeft gekozen ter voorkoming van grotere schade de facturen van [naam ondernemer] vanuit de zakelijke rekening van [naam vof] te betalen, toen [naam verweerder] bleef weigeren deze te voldoen (zie 2.30). 4.12. Vervolgens bleek [naam eiseres] echter dat [naam verweerder] zonder medeweten en toestemming van [naam eiseres] het positieve saldo van de zakelijke rekening van [naam vof] had overgemaakt naar zijn privérekening. Ook bleek haar dat hij klanten van [naam vof] had aangeschreven met het verzoek de openstaande facturen te voldoen op zijn privérekening. Twee klanten van [naam vof] hebben dat ook daadwerkelijk gedaan (zie 2.31). Ten slotte bleek [naam eiseres] dat [naam verweerder] ondanks andersluidende afspraken eenzijdig naar klanten toe mededelingen deed over het beëindigen van [naam vof] . 4.13. Naar het oordeel van de rechtbank maken de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien dat [naam eiseres] op dat moment op grond van overtreding door [naam verweerder] van de artikelen 6 lid 2 sub c, 6 lid 2 sub j, 7 en 11 lid 1 van de overeenkomst gerechtigd was de vennootschap onmiddellijk te ontbinden. Dit betekent dus dat [naam vof] per 13 november 2017 is beëindigd. Het gevorderde onder 3.1 sub 1 ligt daarmee voor toewijzing gereed. 4.14. [naam verweerder] voert nog aan dat zowel [naam ondernemer] als [naam eiseres] zich reeds tijdens de duur van [naam vof] hebben gericht op de door hen voort te zetten, dan wel nieuw op te richten onderneming/samenwerking/vof, hetgeen in strijd is met de overeenkomst en de geheimhoudingsovereenkomst. Daarnaast heeft [naam verweerder] geconstateerd dat [naam ondernemer] met toestemming van [naam eiseres] aan een klant van [naam vof] op naam van haar eigen onderneming een offerte heeft uitgebracht over een coaching- en begeleidingstraject. Verder heeft [naam verweerder] geconstateerd dat [naam ondernemer] op haar eigen bedrijfsnaam en briefpapier met toestemming van [naam eiseres] een offerte heeft uitgebracht aan een klant/relatie van [naam vof] , te weten de heer [naam klant 2] . [naam verweerder] heeft een en ander bij brief van 24 oktober 2017 aan [naam eiseres] kenbaar gemaakt. Omdat [naam eiseres] volgens [naam verweerder] hierop niet reageerde, is [naam eiseres] bij brief van 1 november 2017 medegedeeld dat zij sinds eind oktober 2017 in verzuim is. Aldus is [naam eiseres] in schuldeisersverzuim geraakt, als gevolg waarvan [naam verweerder] niet in verzuim kan raken. Nadat [naam eiseres] de facturen van [naam ondernemer] van de zakelijke rekening van [naam vof] had voldaan, is zij opnieuw in verzuim geraakt. Aangezien [naam verweerder] al zijn verplichtingen uit de overeenkomst ten opzichte van [naam eiseres] heeft opgeschort totdat [naam eiseres] de betalingen aan [naam ondernemer] ongedaan heeft gemaakt, is [naam eiseres] andermaal in schuldeisersverzuim geraakt, aldus [naam verweerder] . 4.15. De rechtbank overweegt dat dit verweer van [naam verweerder] voor een deel al is verworpen met hetgeen hiervoor is overwogen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [naam eiseres] de voorgaande stellingen van [naam verweerder] gemotiveerd heeft betwist. Zo stelt zij dat [naam ondernemer] aan [naam eiseres] in haar hoedanigheid van vennoot van [naam vof] en bij afwezigheid van [naam verweerder] wegens vakantie ter controle een offerte heeft voorgelegd die was bestemd voor de heer [naam 4] , die geen klant was van [naam vof] , dat nooit is geweest en ook nooit is geworden. Bovendien is de uiteindelijk uitgebrachte offerte door de heer [naam 4] niet aanvaard. Voorts, zo stelt [naam eiseres] , kan de heer [naam klant 2] niet worden aangemerkt als een klant c.q. relatie van [naam vof] . Er zijn namelijk tot en met december 2016 twee offertes uitgebracht die niet zijn aanvaard, terwijl het bovendien ging om een relatie die door [naam ondernemer] uit haar eigen netwerk was aangebracht. In september 2017 heeft [naam ondernemer] op verzoek van [naam klant 2] een derde offerte uitgebracht, maar dit gebeurde met medeweten en toestemming van [naam verweerder] . Zij verwijst daarbij naar verschillende producties. [naam verweerder] heeft daar tegenover in zijn antwoordakte eiswijziging en tijdens de mondeling behandeling onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat aan deze stellingen van [naam eiseres] moet worden getwijfeld. 4.16. Ten slotte overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien op welke wijze in deze zaak sprake is van schuldeisersverzuim. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam verweerder] dit niet duidelijk kunnen maken, hoewel hem nadrukkelijk is gevraagd om aan de hand van concrete feiten aan te geven waaruit het schuldeisersverzuim precies bestaat. Daarop heeft de advocaat van [naam verweerder] niet meer verklaard dan hetgeen hiervoor onder 4.14 al is weergegeven, zij het in iets andere bewoordingen. Zo stelt zij dat [naam verweerder] geen toestemming nodig had om [naam ondernemer] op non-actief te stellen, maar dat hij die toestemming wel aan [naam eiseres] heeft gevraagd. Daarbij is ook een termijn gesteld. Toen [naam eiseres] niet binnen die termijn reageerde, verkeerde zij in verzuim. Wanneer je vervolgens je vordering baseert op het feit dat [naam ondernemer] zonder medeweten op non-actief is gesteld, is er sprake van schuldeisersverzuim, aldus de advocaat van [naam verweerder] . Voorts heeft de advocaat van [naam verweerder] verklaard dat het zonder toestemming van [naam verweerder] doen van betalingen aan [naam ondernemer] , terwijl zij het non-concurrentiebeding overtreedt, ook een tekortkoming oplevert. [naam verweerder] heeft vervolgens zijn daartegenover staande verplichtingen op grond van artikel 6:59 BW opgeschort. Een en ander wordt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.9 en volgende is overwogen verworpen. 4.17. [naam verweerder] voert ook nog aan dat hij gelet op artikel 6 lid 1 van de overeenkomst geen toestemming van [naam eiseres] nodig heeft om de gelden van de zakelijke rekening over te boeken naar een andere rekening. Hij heeft dit gedaan met als doel de gelden van [naam vof] veilig te stellen. Er is dan ook geen sprake van handelen in strijd met artikel 6 lid 2 sub j van de overeenkomst, aldus [naam verweerder] . Ook betwist hij dat het veiligstellen van het batige bedrijfssaldo een rechtshandeling betreft. Ten slotte voert [naam verweerder] aan dat uit de inhoud van de artikelen 2 en 6 lid 1 van de overeenkomst blijkt dat hij met het verzoek aan klanten om betalingen voortaan op een andere rekening te doen heeft gehandeld conform de inhoud en geest van die artikelen. 4.18. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het stond [naam eiseres] op grond van artikel 6 lid 1 van de overeenkomst vrij om namens [naam vof] de facturen van [naam ondernemer] te voldoen. Ten aanzien van het overboeken van gelden naar een privérekening kan [naam verweerder] zich daarentegen niet op die bepaling beroepen. Iedere vennoot is bevoegd voor de vennootschap te handelen en gelden voor haar uit te geven, tenzij dit niet met het doel van de vennootschap in verband staat. Het moge duidelijk zijn dat het overboeken van gelden van de zakelijke rekening van [naam vof] naar een privérekening zonder medeweten van [naam eiseres] , en zonder enige noodzaak, niet strookt met het ‘voor gezamenlijke rekening exploiteren van een bedrijf gericht op het mobiel krijgen van personeel van werk naar werk en al hetgeen daartoe behoort en daarmee in verband staat’, zoals artikel 2 van de overeenkomst bepaalt. Bovendien heeft [naam verweerder] tot op heden geweigerd dat geld weer terug te boeken. Overigens valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom het overboeken van gelden waarmee deze uit het vermogen van de vennootschap worden gehaald, geen rechtshandeling zou zijn, zoals [naam verweerder] heeft betoogd. 4.19. Het voorgaande betekent dat de liquidatie van de vennootschap per 13 november 2017 zal moeten plaatsvinden. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 lid 2 van de overeenkomst is bij het eindigen van de vennootschap ieder van de vennoten in het vermogen van de vennootschap gerechtigd, voor de bedragen waarvoor hij in de boeken van de vennootschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies, gemaakt of geleden blijkens de overeenkomstig artikel 8 opgemaakte jaarrekening. Lid 3 van genoemd artikel bepaalt dat op de na het eindigen van de vennootschap op te maken balans de activa zullen worden gewaardeerd tegen de door de vennoten geschatte waarde. Ten slotte bepaalt lid 4 dat in de liquidatiewinst of het liquidatieverlies, casu quo de meerwaarde of de minderwaarde, door ieder der vennoten met toepassing van de onder de artikelen 9 en 10 weergegeven winstverdeling zal worden deelgenomen. 4.20. Met inachtneming van deze bepalingen uit de overeenkomst zal [naam verweerder] moeten meewerken aan het opstellen van de jaarrekening 2016 alsook een liquidatiebalans c.q. -jaarrekening per peildatum 13 november 2017. Partijen dienen vervolgens tot financiële afwikkeling over te gaan. 4.21. Zoals hierna zal blijken, zal de tegenvordering van [naam verweerder] worden afgewezen. In de liquidatie behoeft dan ook niet te worden betrokken de resultaten van de tegenvordering van [naam verweerder] (een bedrag van € 100.000,00 aan verbeurde boetes ten aanzien van [naam eiseres] en/of een nader vast te stellen bedrag aan verbeurde boetes ten aanzien van [naam ondernemer] in een namens [naam vof] tegen [naam ondernemer] te starten gerechtelijke procedure). 4.22. [naam verweerder] maakt bezwaar tegen accountant mevrouw [naam accountant] , omdat zij niet onafhankelijk is, want bevriend met [naam eiseres] . De rechtbank passeert dit bezwaar van [naam verweerder] . [naam eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat er een vriendschapsrelatie bestaat tussen haar en [naam accountant] . Bovendien heeft [naam eiseres] onweersproken gesteld dat [naam accountant] tevens de accountant was van [naam verweerder] respectievelijk zijn eenmanszaak Meerconsult. Ten slotte is [naam accountant] bekend met de vennootschap en haar ondernemersactiviteiten. 4.23. Een en ander betekent dat het gevorderde onder 3.1 sub 2, 3 en 4 zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd. 4.24. Met betrekking tot de wijze van verdeling stelt [naam eiseres] dat [naam vof] uit de volgende vermogensbestanddelen bestaat (de eerste vijf zijn baten, de laatste zijn schulden): - het huurrecht van de onroerende zaak aan de Vendelier 11 te Veenendaal, - inventaris, - debiteuren, - liquide middelen (dit onderdeel komt hierna apart aan de orde), - klanten, - crediteuren, belastingen en overige schulden. 4.24.a. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank in de eerste plaats te bepalen dat het huurrecht aan haar toekomt, nu zij haar onderneming vanuit het huidige kantoorpand zal voortzetten. Zij is bereid de verschuldigde huur in de periode 13 november 2017 tot en met 31 december 2017 als eigen schuld te voldoen, zonder nadere verrekening. 4.24.b. [naam eiseres] heeft als productie 40 een overzicht in het geding gebracht van de inventaris van [naam vof] , alsook een voorstel tot verdeling daartoe. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank overeenkomstig dit voorstel tot verdeling van de inventaris over te gaan, zonder nadere verrekening. 4.24.c. Ten aanzien van de debiteuren verzoekt [naam eiseres] de rechtbank te bepalen dat ontvangen gelden van debiteuren na de peildatum, indien en voor zover niet reeds meegenomen in de liquidatiebalans c.q. de liquidatiejaarrekening, bij helfte tussen haar en [naam verweerder] dienen te worden verdeeld. 4.24.d. [naam eiseres] heeft als productie 41 een overzicht in het geding gebracht van de klanten van [naam vof] , alsook een voorstel tot verdeling daartoe. Zij verzoekt de rechtbank overeenkomstig dit voorstel tot verdeling van de klanten over te gaan, zonder nadere verrekening. 4.24.e. Voor wat betreft de openstaande schulden van [naam vof] per de peildatum dan wel de schulden na de peildatum welke voortvloeien uit het voor gezamenlijke rekening exploiteren van de vennootschap, verzoekt [naam eiseres] de rechtbank te bepalen dat deze schulden uit het vermogen van [naam vof] dienen te worden voldaan. Indien en voor zover dit vermogen ontoereikend mocht blijken te zijn, verzoekt [naam eiseres] de rechtbank te bepalen dat partijen ten aanzien van de overblijvende schulden beiden draagplichtig zijn, ieder voor de helft. 4.25. [naam verweerder] kan zich niet vinden in de door [naam eiseres] voorgestelde verdeling van het vermogen van [naam vof] . In de eerste plaats dient bij de verdeling te worden betrokken de opbrengst van de nog lopende verplichtingen van [naam vof] , alsook de ten aanzien van [naam ondernemer] te incasseren boetes. Volgens [naam verweerder] vallen in beginsel alle schulden en baten voor 50% aan ieder der vennoten, maar dat is volgens hem anders ten opzichte van de vordering van [naam vof] op [naam ondernemer] . Indien uit een gerechtelijke procedure tegen [naam ondernemer] zou blijken dat [naam eiseres] medewerking heeft verleend aan de overtreding van de geheimhoudingsovereenkomst door [naam ondernemer] , dan dient het totaal aan verbeurde boetes in redelijkheid in zijn geheel aan [naam verweerder] ten goede te komen. Voorts is [naam verweerder] van mening dat hij niet mede verantwoordelijk kan worden gehouden voor schulden die [naam eiseres] heeft gemaakt namens [naam vof] zonder zijn instemming. [naam verweerder] betwist verder de voorgestelde verdeling van roerende zaken. Een aantal goederen betreft persoonlijke eigendommen van [naam verweerder] . Veel kantoortafels, bureaustoelen, loungestoelen en archiefkasten zijn in 2015 door [naam verweerder] persoonlijk gekocht van het bedrijf Keerpunt in Hilversum en zijn zijn eigendom. Voorts betreffen de door [naam eiseres] genoemde goederen van de verhuurder niet die van de verhuurder, maar die van [naam vof] . De genoemde kluis, telefooncentrale, verdeelkast computer, stellage, koelkast en vaatwasser zijn door [naam vof] van de vorige huurder overgenomen en dus geen eigendom van de verhuurder. Daarnaast wordt er een verkeerde indeling van de tafels gemaakt. Alle tafels met een licht blad heeft [naam verweerder] zelf aangekocht en zijn zijn eigendom. De tafels met een donker blad moeten tussen hem en [naam eiseres] worden verdeeld. [naam verweerder] stelt voor dat geïnventariseerd wordt welke roerende goederen tot het gezamenlijke eigendom van [naam vof] behoren. Aan elk van die roerende goederen wordt een waarde in euro’s toegekend. Vervolgens worden die roerende goederen op basis van de toegekende waarde om en om aan een der vennoten toegekend. [naam verweerder] is het ook niet eens met de voorgestelde klantenverdeling. Veel klanten die door [naam eiseres] aan [naam verweerder] toebedeeld worden, zijn geen actieve klanten meer. Ook heeft [naam eiseres] zichzelf veel klanten met grote personeelsbestanden toebedeeld en [naam verweerder] kleine bedrijven waarmee [naam vof] al jaren geen zaken doet. Bovendien zou de wens van de klant belangrijk moeten zijn. Veel genoemde klanten/bedrijven komen voort uit het eigen zakelijk netwerk van [naam verweerder] . Die zullen nooit voor [naam eiseres] kiezen. [naam verweerder] stelt de volgende verdeling voor: - de bedrijven uit de lijst die door [naam verweerder] eerder vanuit zijn bedrijf Meerconsult zijn ingebracht worden uit de lijst gehaald, - de resterende bedrijven worden onderverdeeld in actieve klanten en overige relaties (niet actief), - de actieve klanten worden gevraagd voor wie zij de voorkeur hebben: [naam verweerder] of [naam eiseres] , - achter de resterende actieve klanten die geen keuze hebben gemaakt wordt het geschatte aantal fte genoteerd en op basis van het aantal daar werkzame personen gelijkelijk verdeeld. 4.26. [naam eiseres] heeft in haar verweerschrift op tegeneis nog het volgende opgemerkt. 4.26.a. Ten aanzien van bepaalde verplichtingen richting de vennootschap zijn aanvullende kosten ontstaan doordat [naam verweerder] niet althans niet tijdig reageerde op verzoeken van [naam eiseres] . Zo moest een abonnement bij Telfort door [naam verweerder] worden opgezegd. [naam eiseres] heeft hem daarop in oktober 2017 gewezen. Pas in maart 2018 heeft [naam verweerder] de overeenkomst opgezegd. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank dan ook te bepalen dat de schuld aan Telfort op basis van factuur 3091187 – voor zover deze ziet op een bedrag [naam verweerder] dan euro 30,60 – door [naam verweerder] als eigen schuld dient te worden voldaan, zonder verrekening. 4.26.b. [naam eiseres] betwist voorts de stellingen van [naam verweerder] met betrekking tot de roerende zaken. Wel is het juist dat zij per abuis een professioneel koffiezetapparaat niet heeft meegenomen in haar voorstel tot verdeling. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank derhalve te bepalen dat zij dit apparaat overneemt, waarbij een bedrag van € 50,00 aan [naam verweerder] wordt voldaan uit hoofde van overbedeling. 4.26.c. Met betrekking tot de tafels stelt [naam eiseres] dat zij de vergaderopstelling (4 tafels met een donker blad) destijds privé heeft gekocht. Dit geldt ook voor de kantinetafels. Deze zaken vallen dus buiten de verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen. De tafels met een licht blad behoren in eigendom toe aan [naam verweerder] . De rest van de tafels met een donker blad dienen bij helfte tussen [naam eiseres] en [naam verweerder] te worden verdeeld, aldus [naam eiseres] . 4.26.d. Met betrekking tot de verdeling van de klanten stelt [naam eiseres] dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat als eerste uitgangspunt wordt genomen wie van partijen de desbetreffende klant heeft ingebracht. Dit betreft dan klanten die één van partijen uit zijn/haar op het moment van starten van [naam vof] al bestaande netwerk heeft ingebracht in de beginperiode van de vennootschap, bedrijven waarmee hij/zij nauwe contacten onderhield voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Aan de zijde van [naam eiseres] gaat het daarbij om de navolgende klanten: [namen klanten] . De resterende klanten kunnen vervolgens worden onderverdeeld in actieve klanten en overige niet actieve klanten. De actieve klanten krijgen de gelegenheid aan te geven welke partij hun voorkeur heeft. Bij geen voorkeur wordt het geschatte aantal fte genoteerd en op basis van het aantal daar werkzame personen gelijkelijk verdeeld. Voor wat betreft de overige niet actieve klanten stelt [naam eiseres] voor geen verdeling te maken. Het staat partijen vrij voor zover van toepassing in de toekomst met deze klanten nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan. 4.27. De rechtbank stelt vast dat [naam verweerder] in zijn antwoordakte eiswijziging niet is ingegaan op het nadere voorstel tot verdeling van [naam eiseres] , zoals hiervoor weergegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [naam verweerder] in dit verband nog wel een voorbehoud gemaakt, omdat [naam verweerder] niet de tijd heeft gehad om op het voorstel van [naam eiseres] in de antwoordakte te reageren, maar de rechtbank heeft daarop geantwoord dat er sinds het wisselen van de stukken volop gelegenheid is geweest om met [naam verweerder] de wijze van verdeling te bespreken. Vervolgens is [naam verweerder] tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld aan te geven welke verdeling volgens hem de juiste zou zijn. [naam verweerder] heeft slechts verwezen naar zijn voorstel op pagina 35 van het verweerschrift, maar daartegenover heeft [naam eiseres] een ander voorstel gedaan, geconcretiseerd met namen van klanten en het verzoek aan [naam verweerder] ook zo’n overzicht te maken. Dat heeft [naam verweerder] niet gedaan. Evenmin heeft hij het voorstel van [naam eiseres] gemotiveerd weersproken. Hij heeft zelfs aangegeven dat de klanten voor hem niet eens heel belangrijk zijn en dat zij uiteindelijk zelf maar moeten bepalen waar ze naar toe willen. 4.28. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdeling van de vermogensbestanddelen van [naam vof] zal moeten plaatsvinden overeenkomstig het (aangepaste) voorstel van [naam eiseres] , een en ander zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 4.24.a, 4.24.b, 4.24.c, 4.24.e, 4.26.a, 4.26.b, 4.26.c en 4.26.d is opgenomen. Het gevorderde onder 3.1 sub 5 ligt derhalve voor toewijzing gereed. 4.29. Ten aanzien van de vordering onder 3.1 sub 6 om aan de vennootschap te restitueren een bedrag van € 37.244,51 wordt het volgende overwogen. 4.30. [naam eiseres] stelt dat [naam verweerder] zonder medeweten en toestemming van [naam eiseres] op 7 en 8 november 2017 het saldo op de zakelijke betaalrekening van [naam vof] (met rekeningnummer [rekeningnr. 1] 749) heeft overgeboekt naar zijn privérekening. Ook heeft [naam verweerder] klanten van de vennootschap aangeschreven met de mededeling dat het bankrekeningnummer zou zijn gewijzigd en dat betalingen van op dat moment openstaande facturen dienden plaats te vinden op zijn privébankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] . Daarbij werd expliciet aangegeven dat het ging om een wijziging van de zakelijke rekening van de vennootschap. In ieder geval twee klanten hebben aan dit verzoek voldaan en op 10 november en 1 december 2017 een bedrag van in totaal € 3.009,88 overgemaakt op de privérekening van [naam verweerder] . [naam eiseres] stelt dat beide partijen echter zijn gerechtigd tot de saldi van de zakelijke rekeningen van [naam vof] . Zij verzoekt de rechtbank [naam verweerder] daarom te veroordelen aan de vennootschap te restitueren een bedrag van € 37.244,51 uit hoofde van de overgeboekte gelden van 8, 9 en 10 november 2017, alsook 1 december 2017, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente. 4.31. [naam verweerder] voert aan dat het batig bedrijfssaldo van [naam vof] nimmer buiten de vennootschap is gebracht. Ingevolge artikel 6 lid 1 van de overeenkomst is [naam verweerder] immers bevoegd gelden van de vennootschap voor haar te ontvangen en uit te geven, als dit met het doel van de vennootschap in verband staat. Volgens [naam verweerder] is dat het geval, nu hij het batig bedrijfssaldo heeft veiliggesteld in het belang van [naam vof] . Van restitutie kan dan ook geen sprake zijn, aldus [naam verweerder] . 4.32. De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst daarvoor naar hetgeen zij hiervoor onder 4.18 heeft overwogen. Het gevorderde onder 3.1 sub 6 is toewijsbaar. Dit geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 november 2017, nu [naam verweerder] blijkens productie 32 van [naam eiseres] op 13 november 2017 is gesommeerd de gelden van [naam vof] uiterlijk 17 november 2017 te restitueren en gesteld noch gebleken is dat [naam verweerder] aan deze sommatie gehoor heeft gegeven. 4.33. [naam eiseres] stelt verder dat ter bepaling van de omvang van de rechtstreekse betalingen van klanten van [naam vof] aan [naam verweerder] door [naam verweerder] inzage dient te worden verschaft in de bij- en afschrijvingen van zijn privérekening, respectievelijk alle overige door hem ten behoeve van de vennootschap ontvangen bedragen. Het gevorderde onder 3.1 sub 7 ziet hierop. 4.34. Deze vordering is in het verlengde van het voorgaande eveneens toewijsbaar. [naam eiseres] heeft als medevennoot van [naam vof] recht op en belang bij bedoelde inzage. Dit geldt te meer nu [naam eiseres] onweersproken heeft gesteld dat [naam verweerder] sinds december 2017 op geen enkele wijze meer verantwoording heeft afgelegd en [naam verweerder] ook tijdens de mondelinge behandeling niet heeft willen aangeven waar het batig bedrijfssaldo is gebleven. De in dit verband gevorderde dwangsom is toewijsbaar en zal worden gemaximeerd. De rechtbank overweegt ten aanzien van het tweede deel van deze vordering nog dat bij een veroordeling tot betaling aan de zakelijke rekening van de VOF [naam eiseres] niet kan overgaan tot gewone executie door executoriaal beslag en zij mitsdien belang heeft bij de mogelijkheid door een indirect executiemiddel, oplegging van een dwangsom, die betaling af te dwingen. 4.35. Ten slotte stelt [naam eiseres] dat [naam verweerder] begin 2018 de toegang van [naam eiseres] tot haar e-mailaccount alsook haar agenda van de vennootschap heeft geblokkeerd door haar wachtwoord eenzijdig te wijzigen. Hetzelfde heeft [naam verweerder] gedaan ten aanzien van de systeembeheerder van [naam vof] , te weten Vendeez B.V. te Nootdorp. Ook deze had vanaf begin januari 2018 ineens geen toegang meer tot het zakelijke account van [naam vof] bij Microsoft. [naam eiseres] verwijst naar productie 63. Dit betreft een e-mailbericht van 9 januari 2018 van de heer [naam werknemer klant] van [naam bedrijf] . alsook een screenshot van Microsoft. Uit het screenshot volgt dat [naam verweerder] het aan het account van [naam vof] gekoppelde e-mailadres heeft gewijzigd naar [e-mailadres] . Dit betreft het nieuwe e-mailadres van [naam verweerder] van zijn eenmanszaak Meerconsult. Als gevolg van de blokkering door [naam verweerder] kan [naam eiseres] niet meer bij haar e-mails van de vennootschap, ook niet die uit het verleden. E-mails die naar haar oude adres ( [naam eiseres] @ [naam vof] .
- nl)worden toegezonden, worden wel afgeleverd, maar daar kan [naam eiseres] niet bij. Hetzelfde geldt voor haar agenda. Een en ander is zeer onpraktisch in verband met het nalezen van eerdere rapportages. Bij e-mail van 13 januari 2018 heeft [naam eiseres] [naam verweerder] gesommeerd haar weer toegang te verschaffen tot haar e-mailaccount en agenda. [naam verweerder] heeft niet aan deze sommatie voldaan. 4.36. [naam verweerder] erkent dat hij de e-mailaccounts alsook de agenda’s van [naam vof] per 1 januari 2018 heeft opgeheven, omdat, zo stelt hij, in ieder geval per 1 januari 2018 [naam vof] is opgezegd en onduidelijk is of en zo ja op welke wijze [naam vof] is voortgezet. Indien [naam eiseres] meent nog steeds aanspraak te kunnen maken op het gebruik van een en ander, zal zij eerst een duidelijk standpunt moeten innemen dat strookt met haar gedragingen. [naam verweerder] betwist verder dat de systeembeheerder van [naam vof] [naam bedrijf] . zou zijn. Dat blijkt nergens uit. Volgens [naam verweerder] volgt uit productie 12 van [naam eiseres] juist dat het bedrijf [naam bedrijf] van de heer [naam 5] de systeembeheerder is. 4.37. De rechtbank is van oordeel dat [naam eiseres] recht heeft op en belang heeft bij toegang tot haar eigen e-mailaccount en agenda. In het midden kan daarbij blijven of het e-mailaccount en de agenda (tijdelijk) zijn opgeheven dan wel of het wachtwoord daarvan is gewijzigd, nu uit de stellingen van partijen in ieder geval volgt dat [naam verweerder] verantwoordelijk is voor het feit dat [naam eiseres] niet meer bij haar eigen e-mailaccount en agenda kan. Opmerkelijk – want anders dan uit de processtukken volgt – is dat [naam verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij op 2 november 2017 het wachtwoord heeft gewijzigd, dat hij [naam eiseres] daarop ook heeft gewezen en dat hij haar het nieuwe wachtwoord heeft toegestuurd. Dit zou moeten blijken uit enkele aan [naam eiseres] verzonden e-mails. Des te opmerkelijker is het dan ook dat ondanks een grote hoeveelheid in het geding gebrachte stukken deze e-mails ontbreken, te meer daar [naam eiseres] in de processtukken nadrukkelijk heeft gesteld dat zij steeds heeft gevraagd om het wachtwoord, maar dat zij die niet kreeg. Het voert te ver om in dit stadium van de procedure [naam verweerder] nog in de gelegenheid te stellen die bewuste e-mails alsnog over te leggen. Met betrekking tot de systeembeheerder heeft [naam eiseres] ten slotte tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat het om twee verschillende dingen gaat. [naam bedrijf] . beheerde de accounts, terwijl [naam bedrijf] verantwoordelijk was voor de website van [naam vof] . 4.38. Alles overziend dient [naam verweerder] naar het oordeel van de rechtbank [naam eiseres] en [naam bedrijf] . onbeperkte toegang te verlenen en te blijven verlenen tot het zakelijke (internet)account van de vennootschap. Het gevorderde onder 3.1 sub 8 zal derhalve worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd. 4.39. De slotsom van al het voorgaande is dat alle vorderingen van [naam eiseres] zullen worden toegewezen, een en ander zoals hierna in het dictum is bepaald. 4.40. [naam eiseres] vordert [naam verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 861,11 voor verschotten en € 695,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 695,00). 4.41. [naam verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet in de proceshouding of de standpunten die [naam verweerder] heeft betrokken geen aanleiding voor een veroordeling in de volledige proceskosten. De kosten aan de zijde van [naam eiseres] worden derhalve begroot op: - procesinleiding € 101,05 - griffierecht € 883,00 - salaris advocaat € 1.737,50 (2,5 punt × tarief € 695,00) Totaal € 2.721,55 van de tegenvordering 4.42. [naam verweerder] stelt het volgende. Op 4 oktober 2017 heeft [naam ondernemer] aan [naam verweerder] medegedeeld dat zij