← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2019:2123

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/3751 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser, en het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 mei 2018 heeft verweerder met een verkeersbesluit een ligplaatsverbod in de vaargeul van een deel van de Buiten-Giessen en Binnen-Giessen ingesteld. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart

  1. Tegelijk met deze zaak zijn de samenhangende zaken met nummers 18/3583, 18/3584, 18/3585 en 18/3756 behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, M.Y.M. Roetman, F. Muller, F.A. Remmerswaal, J.W. Sterk en S. Verhulst. Overwegingen Inleiding
  2. Eiser woont op het perceel [adres] te [woonplaats]. Zijn perceel ligt aan de rivier de Binnen-Giessen. De rivier is ter hoogte van zijn perceel ongeveer 10 meter breed. Tegenover zijn perceel wordt aan de zuidzijde van de rivier het nieuwbouwproject “Forte” gerealiseerd.
  3. In het verkeersbesluit heeft verweerder voor de vaargeul een ligplaatsverbod ingesteld. Deze vaargeul is weergegeven op de kaart bij het verkeersbesluit. Ter hoogte van het perceel van eiser is een vaargeulbreedte van 7 meter gehanteerd. Verweerder heeft aangegeven dat de afstand van de vaargeul tot de insteek van de oever (dus exclusief aanlegsteiger) ter hoogte van het perceel van eiser ongeveer 2,40 meter bedraagt.
  4. Eiser geeft aan dat de vaargeul ter hoogte van zijn perceel een “knik” maakt, waardoor bij zijn perceel minder ligplaatsruimte resteert. Hij wil graag een ligplaats met een breedte van 3 meter zodat hij een vaartuig kan afmeren. Volgens eiser hebben de eigenaren van het nieuwbouwproject “Forte” bij de aankoop van hun percelen ingestemd met een afmeerverbod, zodat ruimte aanwezig is om de vaargeul verder naar het zuiden te verschuiven. Volgens eiser is een vaargeul van 6 meter ook breed genoeg. Het is eiser onduidelijk waar de vaargeulbreedte van 7 meter op is gebaseerd.
  5. De rechtbank overweegt dat het aan verweerder is om de betrokken belangen tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in de Scheepvaartverkeerswet vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen als dit ligplaatsverbod. De rechtbank dient de uitkomst van die afweging door het bestuursorgaan te respecteren, tenzij geoordeeld moet worden dat verweerder daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen. Vergelijk rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
  6. Breedte vaargeul
  7. De Binnen- en Buiten-Giessen zijn doorgaande vaarroutes. Op het smalste deel (de Binnen-Giessen) zijn op grond van de “Algemene regels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014” vaartuigen met een breedte van 4 meter toegestaan. In de toelichting bij het verkeersbesluit heeft verweerder aangegeven dat, uitgaande van de ter plaatse maximaal toegestane vaartuigbreedte van 4 meter en 1,5 meter manoeuvreerruimte aan beide zijden, een vaargeulbreedte van 7 meter voldoende breed is voor de doorgaande scheepvaart. Gelet op het algemene belang van de doorvaart en de veiligheid van het scheepvaartverkeer heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid uit mogen gaan van deze vaargeulbreedte van 7 meter. De beroepsgrond slaagt niet. Ligging vaargeul
  8. In bijlage 2 bij het verkeersbesluit zijn de uitgangspunten opgenomen voor het intekenen van de vaargeul. Onder 1.3 en 1.5 is aangegeven dat de vaargeul is ingetekend door het midden te bepalen van de watergang zoals deze is weergegeven in de Legger wateren in
  9. Aan beide zijden van de middenlijn is een zone van 3,5 meter gehanteerd. Bij het intekenen is rekening gehouden met het verbreden van de watergang door het nieuwbouwproject “Forte” aan de Uranusstraat. In het verkeersbesluit is de vaargeul ten opzichte van het ontwerpbesluit naar het zuiden verplaatst.
  10. De rechtbank begrijpt dat eiser gebaat is bij het verder verleggen van de vaargeul naar de zuidzijde, gelet op de “knik” ter hoogte van zijn perceel. Verweerder heeft echter uniforme uitgangspunten gehanteerd bij het intekenen van de vaargeul. Deze uitgangspunten acht de rechtbank niet onredelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op deze uitgangspunten de vaargeul dan ook in redelijkheid op de huidige plek op de kaart kunnen intekenen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie
  11. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzitter, mr. drs. M.S.T. Belt en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.