vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/351533 / KG ZA 19-123 Vonnis in kort geding van 6 mei 2019 in de zaak van
(2019)wellicht tot een verkoop had kunnen worden gekomen als er een onderhandeling over de prijs had kunnen ontstaan, maar hiervoor was noodzakelijk dat een uiterste opleveringsdatum kon worden genoemd. Dat wilde de heer [naam] niet omdat hij nog geen vervangende woonruimte had gevonden. 3Het geschil 3.1. [naam eiseres 1 en bewindvoerder] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad zover de wet zulks toelaat: I. toepassing geeft aan artikel 3:300 BW en derhalve (onvoorwaardelijke) vervangende toestemming verleent aan [naam eiseres 1 en bewindvoerder] , om alle noodzakelijke rechtshandelingen te kunnen verrichten namens de heer [naam] , teneinde de verkoop en levering van de woning en inschrijving van de levering van het registergoed in de openbare registers te kunnen bewerkstelligen, zulks tegen een in onderling overleg tussen [naam eiseres 1 en bewindvoerder] en makelaar Bram Heezen & Paul Jansen Makelaardij (Dorpstraat 86, 6661 BP Elst, gemeente Overbetuwe), te bepalen verkoopprijs en (op)leveringsvoorwaarden en bepaalt dat de uitspraak in de plaats van de (verkoop)akte(
- n)c.q. overeenkomst(
- en)en/of (een) de(e)l(
- en)daarvan zal/zullen treden; II. de heer [naam] veroordeelt om de woning binnen drie weken na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis met al diegenen die, en datgene dat zich daarin of daarop vanwege de heer [naam] bevindt, volledig en behoorlijk te ontruimen en met afgifte van alle sleutels in behoorlijke staat ter vrije beschikking van [naam eiseres 1 en bewindvoerder] te stellen en vervolgens ontruimd te houden, zulks met machtiging van [naam eiseres 1 en bewindvoerder] bij gebreke van volledige voldoening hieraan, deze ontruiming en dit ontruimd houden zelf te bewerkstelligen op kosten van de heer [naam] , bij gebreke waarvan wordt verzocht tenuitvoerlegging van lijfsdwang (met behulp van de sterke arm van politie en justitie) te gelasten alsmede de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang toe te wijzen, ingaande op de tweeëntwintigste dag na betekening van het onderhavige vonnis en voor de duur van een maand, met de bepaling dat tenuitvoerlegging van lijfsdwang telkens opnieuw zal worden toegepast voor de duur van een maand, voor iedere maal dat de heer [naam] zich toegang tot de woning poogt te verschaffen, dan wel lijfsdwang ingaande op zodanig moment en voor zodanige duur en frequentie als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren; III. de heer [naam] veroordeelt in de kosten van het geding. 3.2. De heer [naam] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vorderingen gegeven. Het spoedeisend belang is voorts niet door of namens de heer [naam] betwist. 4.2. [naam eiseres 1 en bewindvoerder] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat mevrouw [naam] uit onverdeeldheid met de heer [naam] wil raken. Volgens [naam eiseres 1 en bewindvoerder] handelt de heer [naam] onrechtmatig door zijn medewerking niet te verlenen aan de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap. Mevrouw [naam] woont al geruime tijd niet meer in de woning. Mevrouw [naam] loopt toeslagen en vergoedingen mis omdat zij over vermogen, de onverdeelde helft van de woning, beschikt, terwijl zij hier niet bij kan. Zij kan haar betalingsverplichtingen niet nakomen, waardoor haar schulden oplopen. Ook is het gelet op het medisch perspectief van mevrouw [naam] zaak dat de woning spoedig wordt verkocht. In januari 2019 is er een bod van € 215.000,00 op de woning uitgebracht, maar de heer [naam] heeft geweigerd mee te werken aan de verkoop. Omdat de heer [naam] , ondanks de afspraken die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van 16 april 2018 en het veroordelende vonnis van 10 oktober 2018 niet meewerkt aan de verkoop, terwijl mevrouw [naam] belang heeft bij spoedige verkoop, vordert [naam eiseres 1 en bewindvoerder] met toepassing van artikel 3:300 BW aan [naam eiseres 1 en bewindvoerder] vervangende toestemming te verlenen tot het verrichten van alle noodzakelijke rechtshandelingen voor de verkoop van de woning en te bepalen dat de uitspraak in de plaats zal treden van, naar de rechtbank begrijpt, de medewerking van de heer [naam] aan (een deel van) de (verkoop)akte(
- n)c.q. overeenkomst(en). Omdat het niet aannemelijk is dat de heer [naam] vrijwillig zijn medewerking verleent aan (vervolg) bezichtigingen van de woning door aspirant kopers en het tijdig ontruimen en ontruimd houden van de woning wanneer deze moet worden opgeleverd, vordert [naam eiseres 1 en bewindvoerder] dat de heer [naam] wordt veroordeeld de woning binnen drie weken te ontruimen en ontruimd te houden, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie en uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang. 4.3. Namens de heer [naam] is betwist dat hij niet meewerkt aan de verkoop van de woning. Voordat hij over een prijs gaat onderhandelen en een opleveringsdatum vaststelt, wil de heer [naam] echter wel eerst een vervangende (huur)woning vinden en dat is hem tot op heden nog niet gelukt. 4.4. Vooropgesteld wordt dat het uitgangspunt van de wet is dat elke deelgenoot te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen, waarbij de rechter, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend een vordering tot verdeling voor een bepaalde tijd kan uitsluiten (artikel 3:178 BW). Het is daarom de vraag of hiertoe gelet op de bedoelde belangenafweging aanleiding bestaat. 4.5. Op de mondelinge behandeling van 16 april 2018 hebben de heer [naam] en [naam eiseres 1 en bewindvoerder] in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van mevrouw [naam] afgesproken dat de woning zou worden verkocht dan wel dat de heer [naam] de woning zou overnemen. In het verstekvonnis van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat de heer [naam] zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden en is hij veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan een bemiddelingsovereenkomst met de makelaar ten aanzien van de woning. Verkoop van de woning is daarom in ieder geval vanaf 10 oktober 2018 het uitgangspunt. De woning is vervolgens ook te koop gezet bij de makelaar. 4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op een belangenafweging tussen partijen, de onder I. gevorderde toestemming aan [naam eiseres 1 en bewindvoerder] om alle noodzakelijke (rechts)handelingen te kunnen verrichten namens de heer [naam] ter zake de verkoop en levering van de woning moet worden toegewezen. Hiertoe wordt het volgende in aanmerking genomen. 4.7. Mevrouw [naam] heeft een groot financieel belang bij verkoop van de woning. Zij bewoont de woning immers niet meer maar is wel aansprakelijk voor alle woonlasten, terwijl zij zelf over onvoldoende financiële middelen beschikt om aan haar eigen betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, te meer omdat zij, gelet op haar vermogen in de vorm van de onverdeelde helft van de woning, geen aanspraak kan maken op toeslagen en vergoedingen. Door [naam adviseur gedaagde] is op de mondelinge behandeling aangevoerd dat de heer [naam] altijd netjes heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning. De makelaar heeft immers aan haar bevestigd (zie 2.8.) dat aan de heer [naam] nooit een verkoopakte ter ondertekening is aangeboden en dat hij nooit heeft gezegd dat de heer [naam] niet meewerkt aan de verkoop. Uit de betreffende e-mail van de makelaar blijkt dat echter dat verkoop van de woning, zonder een opleveringsdatum te kunnen vaststellen, volgens de makelaar niet mogelijk is. Dit volgt ook met zoveel woorden uit het door [naam adviseur gedaagde] aangehaalde e-mailbericht van 16 april jl., waarin de makelaar te kennen geeft dat de woning in januari 2019 had kunnen worden verkocht, maar dat daarvoor in ieder geval de vaststelling van een uiterste opleveringsdatum noodzakelijk was, waartegen de heer [naam] zich op dat moment heeft verzet. [naam adviseur gedaagde] heeft in dit verband betoogd dat de heer [naam] pas met een bepaalde opleveringsdatum akkoord kan gaan als hij een nieuwe huurwoning in [woonplaats] heeft gevonden, maar op de mondelinge behandeling heeft zij desgevraagd toegelicht dat de heer [naam] in de loop van meer dan een jaar tijd slechts op drie huurwoningen heeft gereageerd en enkel binnen [woonplaats] . Gelet op de huidige krapte op de (huur)woningmarkt en de nijpende (financiële) situatie van mevrouw [naam] , had van de heer [naam] mogen worden verwacht dat hij ook in de (al dan niet nabije) omgeving van [woonplaats] naar een nieuwe woning had gezocht. Aangezien de makelaar met zoveel woorden te kennen heeft gegeven dat het niet kunnen vaststellen van een opleveringsdatum de verkoop van de woning in de weg staat, en de heer [naam] op dit punt reeds gedurende een lange periode geen duidelijkheid verschaft, werkt hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende mee aan de verkoop van de woning. Daarnaast is in het kader van deze belangenafweging van belang dat de woning vrij van hypotheek is en dat bij verkoop van de woning ook voor de heer [naam] een flink bedrag vrijkomt. De voorzieningenrechter kan begrijpen dat hij liever in de woning zou blijven wonen, aangezien het zijn ouderlijk huis betreft, maar aangezien de heer [naam] op dit moment zelf ook over beperkte financiële middelen beschikt, en van mevrouw [naam] (niet langer) gevergd kan worden dat zij alle woonlasten voldoet, is het ook in zijn belang om de woning te (laten) verkopen door [naam eiseres 1 en bewindvoerder] . Onder de genoemde omstandigheden van het geval dient het belang van mevrouw [naam] bij verkoop van de woning boven het belang van de heer [naam] te prevaleren. 4.8. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan de toegewezen toestemming om (rechts)handelingen te verrichten namens de heer [naam] ter zake de verkoop en levering van de woning een minimaal te verkrijgen verkoopprijs te verbinden, nu [naam eiseres 1 en bewindvoerder] als gevolg hiervan bevoegd is om, samen met de makelaar, de verkoopprijs vast te stellen en de woning te verkopen. Deze minimale verkoopprijs zal worden bepaald op € 190.000,00, mede in aanmerking genomen de onderhoudstoestand van de woning en het reeds eerder uitgebrachte bod van € 215.000,00. Mocht na verloop van tijd blijken dat de woning niet kan worden verkocht voor een minimumprijs van € 190.000,00 dan staat het [naam eiseres 1 en bewindvoerder] vrij in een nieuw kort geding verlaging van voornoemd bedrag te vorderen. 4.9. [naam eiseres 1 en bewindvoerder] heeft verder gevorderd dat de heer [naam] binnen drie weken na betekening van dit vonnis de woning moet ontruimen. Dit betekent dat de heer [naam] de woning hoogstwaarschijnlijk al vóór de verkoop daarvan moet verlaten. [naam eiseres 1 en bewindvoerder] heeft in dit verband toegelicht dat niet te verwachten valt dat de heer [naam] vrijwillig zal meewerken aan a. (vervolg) bezichtigingen van de woning dan wel b. het tijdig ontruimen en ontruimd houden van de woning om deze te kunnen opleveren. Verder moet de woning grondig worden schoongemaakt ten behoeve van bezichtigingen en moet (uitvoerig) onderhoud worden uitgevoerd. Namens de heer [naam] is in dit verband aangevoerd dat hij wel mee wil werken aan bezichtigingen en ontruiming maar dat hij wel eerst een nieuwe woning wil vinden. 4.10. Voorop wordt gesteld dat de onderhoudstoestand van de woning slecht is en dat deze grondig moet worden schoongemaakt ten behoeve van bezichtigingen van aspirant kopers. Daarnaast moet de woning voor de makelaar beschikbaar zijn om deze bezichtigingen te kunnen uitvoeren en moeten wellicht onderhoudswerkzaamheden worden verricht. De voorzieningenrechter constateert dat er in dit verband geen sprake is van onwil aan de zijde van de heer [naam] maar van onmacht. Ook nadat de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling heer [naam] heeft voorgehouden wat het gevolg is van toewijzing van de vorderingen van [naam eiseres 1 en bewindvoerder] , is de ernst van de situatie niet tot hem doorgedrongen. [naam adviseur gedaagde] blijft zich namens de heer [naam] immers op het standpunt stellen dat hij eerst een nieuwe (huur)woning wil vinden alvorens hij meewerkt aan de verkoop van zijn huidige woning. Zoals hiervoor is overwogen kan dit echter niet langer van mevrouw [naam] worden gevergd. In het licht van deze omstandigheden van het geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding de onder II. gevorderde ontruiming van de heer [naam] toe te wijzen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn op twee maanden zal worden gesteld, zodat de heer [naam] nog voldoende tijd heeft om vervangende woonruimte te vinden. Voor zover nodig mag [naam eiseres 1 en bewindvoerder] als gevorderd de ontruiming ten uitvoer laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie; dit vloeit voort uit het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv. Zij zal daarom overeenkomstig worden gemachtigd. 4.11. [naam eiseres 1 en bewindvoerder] heeft verder gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, voor het geval de heer [naam] de woning niet zal ontruimen dan wel ontruimd zal houden. Volgens [naam eiseres 1 en bewindvoerder] is te verwachten dat de heer [naam] weer zal terugkeren naar de woning en zichzelf weer toegang tot de woning zal (proberen
- te)verschaffen, ook als hij (al dan niet met behulp van de sterke arm van politie en justitie) al ontruimd is. De gevorderde tenuitvoerlegging bij lijfsdwang is daarom nodig om de woning in onbewoonde staat te verkopen, zo stelt [naam eiseres 1 en bewindvoerder] 4.12. Op grond van artikel 587 Rv zal een vonnis alleen dan uitvoerbaar bij lijfsdwang worden verklaard, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. De gevorderde lijfsdwang zal worden afgewezen, nu de rechtvaardiging voor een dergelijke ingrijpende maatregel door [naam eiseres 1 en bewindvoerder] onvoldoende is onderbouwd. Op de mondelinge behandeling heeft [naam eiseres 1 en bewindvoerder] weliswaar toegelicht dat van de uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang vooral een afschrikwekkende werking uitgaat, hetgeen in het onderhavige geval noodzakelijk is, maar dit is onvoldoende om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang toe te wijzen. Zonder nadere toelichting, die ook op de mondelinge behandeling niet is gegeven, valt namelijk niet in te zien waarom niet met een minder verstrekkend middel kan worden voorkomen dat de heer [naam] na ontruiming terugkeert naar de woning dan wel dat hem dit wordt bemoeilijkt. Zo kunnen bijvoorbeeld de sloten van de woning worden vervangen en verder kan [naam eiseres 1 en bewindvoerder] de heer [naam] , wanneer hij zich toch toegang zou proberen te verschaffen tot de woning, wederom met behulp van de sterke arm van politie en justitie laten verwijderen. Gelet op het hiervoor overwogene is de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang niet proportioneel en zal dit deel van de vordering onder II. worden afgewezen. 4.13. De heer [naam] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit geding worden veroordeeld op de wijze zoals hierna volgt, nu mevrouw [naam] op basis van een toevoeging procedeert. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de door de griffier voorgeschoten exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk. De kosten aan de zijde van [naam eiseres 1 en bewindvoerder] worden begroot op: - griffierecht 81,00 - salaris advocaat 980,00 Totaal € 1.061,00 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. verleent [naam eiseres 1 en bewindvoerder] vervangende toestemming om namens de heer [naam] alle noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten teneinde de verkoop en levering van de woning, staande en gelegen aan de Julianastraat 23, 6851 KJ te [woonplaats] , en inschrijving van de levering van het registergoed in de openbare registers te kunnen bewerkstelligen, tegen een in onderling overleg tussen [naam eiseres 1 en bewindvoerder] en makelaar Bram Heezen & Paul Jansen Makelaardij te Elst te bepalen verkoopprijs van ten minste € 190.000,00 en (op)leveringsvoorwaarden, en bepaalt dat het vonnis zo nodig op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van de medewerking van de heer [naam] aan de (verkoop)akte(
- n)c.q. overeenkomst(
- en)en/of (een) deel/delen daarvan; 5.2. veroordeelt de heer [naam] de woning binnen twee maanden na betekening van dit vonnis met al diegenen die, en al datgene dat zich daarin of daarop vanwege de heer [naam] bevindt, volledig en behoorlijk te ontruimen en met afgifte van alle sleutels in behoorlijke staat ter vrije beschikking van [naam eiseres 1 en bewindvoerder] te stellen en vervolgens ontruimd te houden; 5.3. machtigt [naam eiseres 1 en bewindvoerder] om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van de veroordeling onder 5.2. te bewerkstelligen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv, indien de heer [naam] in gebreke blijft aan het onder 5.2. van dit vonnis bepaalde te voldoen; 5.4. veroordeelt de heer [naam] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres 1 en bewindvoerder] tot op heden begroot op € 1.061,00, waarin begrepen € 980,00 aan salaris advocaat, en bepaalt dat de heer [naam] deze kosten dient te voldoen aan de advocaat van [naam eiseres 1 en bewindvoerder] ; 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2019.