RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 18/4169, 18/4170, 18/4171 en 18/4173 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 juni 2019 in de zaken tussen Stichting [X] , te [Z] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] RB), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder. Procesverloop Met dagtekening 26 oktober 2017 is aan eiseres over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag loonheffingen (LH) opgelegd ten bedrage van € 23.129. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 4.438. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 2.167. Met dagtekening 27 oktober 2017 is aan eiseres over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag LH opgelegd ten bedrage van € 13.433. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.358. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 462. Met dagtekening 19 januari 2018 is aan eiseres over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag LH opgelegd ten bedrage van € 1.964. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 491. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 242. Met dagtekening 19 januari 2018 is aan eiseres over de periode 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 een naheffingsaanslag LH opgelegd ten bedrage van € 12.623. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.155. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 1.054. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 juni 2018 de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 juli 2018, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en één verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2019. Namens eiseres is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] . Beide partijen hebben op de zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is op [2013] opgericht door [C] ( [C] ). [C] was tot 1 januari 2017 enig bestuurder van eiseres. Hij vervulde de functies van voorzitter, secretaris en penningmeester en was zelfstandig bevoegd namens eiseres te handelen. Hij was tevens de leidinggevende. Er was in de jaren 2013 tot en met 2016 geen raad van toezicht. [C] had de beschikking over het geld van eiseres. Vanaf 1 januari 2017 is [D] bestuurder van eiseres. 2. De activiteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van een zorgbureau. Er wordt zorg verleend aan cliënten met een persoonsgebonden budget. Het gaat hierbij voornamelijk om persoonlijke verzorging en begeleiding en in sommige gevallen om het zoeken van huisvesting voor cliënten. 3. Vanaf 1 januari 2014 heeft eiseres personeel in dienst. Daarnaast heeft eiseres voor verrichte werkzaamheden betalingen gedaan aan [E] ( [E] ), [F] ( [F] ) en [G] ( [G] ). Deze betalingen zijn geboekt op respectievelijk de grootboekrekeningen “4003 inhuur personeel” en “4002 inhuur deskundigen”. [E] en [F] hebben declaraties / facturen uitgeschreven aan eiseres voor de werkzaamheden. Op de facturen stonden geen bedrijfsnaam / logo en KvK-nummer en de facturen waren niet genummerd. De gegevens van [G] zijn onbekend. Eiseres beschikte niet over een VAR‑verklaring van [E] , [F] en [G] . 4. Verder heeft eiseres ten aanzien van een aantal personen de zogenoemde vrijwilligersregeling van artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) toegepast. Eiseres heeft over de aan deze personen gedane betalingen geen loonheffingen ingehouden. Overzichten van de betalingen in 2014 tot en met 2016 behoren tot de stukken van het geding. 5. Tot de stukken van het geding behoort een "Vrijwilligersovereenkomst". Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “1. De Werkzaamheden 1.1 De vrijwilliger zal ten behoeve van de organisatie met ingang van 01-12-2014 de volgende werkzaamheden verrichten: het ondersteunen van een medewerker. 1.2 De partijen kunnen de werkzaamheden in onderling overleg wijzigen. 1.3 Voor het inwerken en de begeleiding zal de heer [C] zorgdragen. 1.4 De werkzaamheden vinden plaats gedurende 6 uren per week. 2. Onkostenvergoeding 2.1 De vrijwilliger ontvangt geen beloning voor de door hem verrichte werkzaamheden. 2.2. De vrijwilliger ontvangt een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten. Vergoeding vindt alleen plaats na overlegging van een betalingsbewijs. De organisatie zal de vergoeding maandelijks/per kwartaal overmaken op de bank/girorekening van de vrijwilliger.” 6. In een e-mail van 24 november 2016 heeft [H] ( [H] ), namens eiseres, hierover aan verweerder het volgende geschreven: “Naar aanleiding van uw onderzoek m.bt. de vrijwilligers het volgende: op de contracten van zowel [X] als (…) staan geen uren vermeld. Ik heb u verteld dat ze gemiddeld 6 uur werkten. Echter met uw benadering praat u over uren en ik heb de mensen uitbetaald vanaf 1 juli 2015 tot het maximum wat wettelijk mocht. Het is dus maar hoe iemand kijkt en rekent.” 7. Eiseres had de beschikking over twee personenauto’s, die door het personeel en de onder 3. en 4. genoemde personen (hierna samen: het personeel) werden gebruikt. Van de auto met kenteken [00-AA-BB] is onbekend wie van de personeelsleden de auto in de periode 19 februari 2014 tot 1 januari 2015 gebruikte. Er is geen kilometerregistratie bijgehouden. Van de auto met kenteken [01-AA-BB] is wel een kilometerregistratie bijgehouden. 8. De loonadministratie werd verzorgd door [I] ( [I] ). De voor de verloning benodigde gegevens werden aangeleverd door [H] . [I] zorgde voor de verwerking hiervan en heeft de aangiften loonheffingen ingevuld en ingediend. 9. De financiële administratie van eiseres werd achteraf opgemaakt door [J] ( [J] ) aan de hand van bankstukken, facturen, bonnen etc. [J] heeft ook de jaarrekening samengesteld en daarbij een samenstellingsverklaring afgegeven. 10. In november 2016 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen van eiseres over de periode [2013] tot en met 30 juni 2016. Ook is beoordeeld of eiseres in die periode belastingplichtig was voor de vennootschapsbelasting en of sprake was van een transparante stichting. 11. Verweerder heeft zijn voorlopige bevindingen van het boekenonderzoek neergelegd in een concept-rapport van 17 mei 2017. In het rapport heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres als transparant moet worden aangemerkt. Verder heeft verweerder medegedeeld dat [E] , [F] en [G] als werknemer moeten worden aangemerkt, de vrijwilligersregeling ten onrechte is toegepast en ten onrechte een bijtelling voor privégebruik van de auto met kenteken [00-AA-BB] achterwege is gebleven. Verweerder heeft aangekondigd dat daarom voor wat betreft [E] en [F] de verplichting wordt opgelegd om correctieberichten in te dienen en voor de overige punten naheffingsaanslagen LH zullen worden opgelegd. Daarbij heeft verweerder aangekondigd dat mogelijk naar aanleiding van de correctieverplichting een verzuimboete wordt opgelegd, maar dat die achterwege blijft als tijdig correctieberichten worden ingediend en betaald. 12. Bij e-mail van 5 september 2017 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld dat ten onrechte in het concept-rapport niet is vermeld dat vergrijpboetes van 25% van de boetegrondslagen zullen worden opgelegd. Ter zake van de betalingen verricht aan [E] , [F] en [G] wordt eiseres grove schuld verweten en ter zake van de toepassing van de vrijwilligersregeling opzet. 13. Op 7 september 2017 is het definitieve rapport opgesteld. Vervolgens zijn op 26 en 27 oktober 2017 overeenkomstig dat rapport naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen belastingrente opgelegd. Op grond van door eiseres naar aanleiding van het rapport ingediende correctieberichten zijn op 19 januari 2018 de andere naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen belastingrente opgelegd. Geschil 14. In geschil is of de naheffingsaanslagen LH terecht en tot de juiste bedragen aan eiseres zijn opgelegd. Ten eerste is in geschil of sprake is van een dienstbetrekking tussen eiseres en het personeel. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is ten aanzien van de naheffingsaanslagen met dagtekening 26 en 27 oktober 2017 in geschil of verweerder terecht toepassing van de vrijwilligersregeling heeft geweigerd en of een bijtelling vanwege privégebruik van de auto in aanmerking moet worden genomen voor de auto met kenteken [00-AA-BB] . Daarnaast zijn alle boetebeschikkingen in geschil. 15. Tussen partijen is de berekening van de correcties niet in geschil. Beoordeling van het geschil Dienstbetrekking 16. Eiseres kan slechts gehouden zijn om loonheffingen in te houden op de betalingen aan het personeel als de personeelsleden als werknemers tot eiseres in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staan (artikel 2, eerste lid, van de Wet LB). Aangezien geen sprake is van een publiekrechtelijke dienstbetrekking, kan het slechts gaan om een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Daarvoor moet onder meer zijn voldaan aan de voorwaarde dat tussen de werkgever en de werknemer een gezagsverhouding bestaat. 17. Verweerder heeft zich naar aanleiding van het boekenonderzoek op het standpunt gesteld dat eiseres in de jaren 2014 tot en met 2016 als transparante stichting moet worden aangemerkt en de resultaten van eiseres daarom moeten worden toegerekend aan [C] . De resultaten worden dan bij [C] belast in de inkomstenbelasting. Eiseres stelt dat hieruit eveneens volgt dat de gezagsverhouding met het personeel bestond met [C] als zelfstandig ondernemer en niet met eiseres. Van een dienstbetrekking en dus de verplichting tot inhouding van loonheffing kan dan voor eiseres geen sprake zijn, zo vindt eiseres. 18. Hoewel eiseres dit standpunt pas voor het eerst op de zitting heeft ingenomen, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet tardief, omdat dat het standpunt voortbouwt op de door verweerder ingenomen standpunten en verweerder op de zitting in staat was op het standpunt te reageren. 19. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar standpunt. De bepaling wie als belastingplichtige of inhoudingsplichtige wordt aangemerkt, dient voor elke belastingsoort apart te worden bepaald en kan per belastingsoort verschillen. Zo is bijvoorbeeld de vennootschap onder firma inhoudingsplichtige en belastingplichtige voor de loonbelasting respectievelijk de omzetbelasting, terwijl voor de inkomstenbelasting de firmanten van de vennootschap onder firma als belastingplichtige worden aangemerkt. Dat eiseres voor de belasting over het resultaat als transparant wordt gezien, wil dus nog niet zeggen dat zij voor toepassing van de loonbelasting geen realiteitswaarde heeft en niet (langer) kan worden aangemerkt als inhoudingsplichtige. De werkgever van het personeel is inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. In dit geval is het personeel niet in dienst bij [C] , maar heeft de werkrelatie altijd bestaan met eiseres. Eiseres heeft de overeenkomsten met het personeel gesloten en zich gedragen als werkgever. 20. Partijen zijn het eens dat als eiseres de werkgever is, een gezagsverhouding bestond tussen eiseres en het personeel en ook aan de overige voorwaarden van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan. Daarom is het personeel op grond van artikel 2, eerste lid, van de LB aan te merken als werknemer van eiseres. Omdat tegen de naheffingsaanslagen LH met dagtekening 19 januari 2018 geen andere gronden zijn aangevoerd, betekent dit dat de beroepen tegen deze naheffingsaanslagen ongegrond zijn. Toepassing van de vrijwilligersregeling 21. Artikel 2, eerste lid, van de LB is niet van toepassing op personen die als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld (artikel 2, zesde lid, van de Wet LB; tekst 2014 tot en met 2016). 22. Het geschil gaat onder meer over de vraag of eiseres kwalificeert voor de zorgvrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb) en om die reden is aan te merken als een lichaam dat is vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of eiseres voldoet aan de voor de zorgvrijstelling geldende voorwaarde dat de winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van een op grond van dat artikel vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971; het Uitvoeringsbesluit). 23. De rechtbank stelt voorop dat in beginsel kenmerkend is voor een stichting dat deze beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken. Dit neemt echter niet weg dat om in aanmerking te komen voor de zorgvrijstelling de winst ook daadwerkelijk overeenkomstig de winstbestemmingseis moet worden aangewend. Eiseres had in de jaren 2014 tot en met 2016 een bestuur dat slechts bestond uit één bestuurder, zijnde [C] , waarbij deze bestuurder over de gelden, winsten en overschotten van eiseres kon beschikken. Dit is ook de reden geweest dat eiseres voor de winstbelasting als transparant is aangemerkt. Er was geen onafhankelijk orgaan ingesteld, zoals een raad van toezicht, en niet is gesteld of gebleken dat op andere wijze toezicht op de bestuurder bestond. Gelet hierop acht de rechtbank eiseres niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd dat ook feitelijk aan de winstbestemmingseis is voldaan. Daarvoor is onvoldoende dat de winsten in de financiële administratie van eiseres werden verwerkt. 24. Eiseres voert verder (subsidiair) aan dat zij geen winsten heeft behaald omdat deze volledig zijn toegerekend aan [C] . Voor zover eiseres hiermee heeft bedoeld te stellen dat zij om die reden aan de winstbestemmingseis heeft voldaan, slaagt dit niet. Vaststaat immers dat met de door eiseres ontplooide activiteiten winsten zijn behaald. Als ervan wordt uitgegaan dat deze toerekenbaar zijn aan [C] volgt daaruit juist het tegendeel, namelijk dat niet aan de winstbestemmingseis is voldaan. 25. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet aannemelijk geworden dat eiseres kwalificeert voor de zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Ook is niet gesteld of gebleken dat eiseres een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam is dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of op andere gronden daarvan is vrijgesteld. De vrijwilligersregeling is daarom niet van toepassing en er is terecht LH over de betalingen nageheven. De overige geschilpunten over de vrijwilligersregeling hoeven niet meer te worden behandeld. Correctie wegens privégebruik auto 26. Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt een voordeel als loon in aanmerking genomen (ook genoemd: de bijtelling vanwege privégebruik van de auto). De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt (artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB). Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil (artikel 13bis, derde lid (tekst 2015 en 2016) / vierde lid (tekst 2014), van de Wet LB). 27. Niet in elk geval waarin een werknemer een auto van zijn werkgever heeft bestuurd, kan gezegd worden dat die auto aan de werknemer ter beschikking is gesteld. Zo is van een dergelijke terbeschikkingstelling geen sprake in een geval waarin een of meer werknemers die auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren, zodat de feitelijke beschikkingsmacht over de auto bij de werkgever of een met deze verbonden lichaam blijft berusten (zie Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1360). 28. De bewijslast dat de auto met kenteken [00-AA-BB] aan (een) werknemer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.