← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2019:2830

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Noord-Holland, Haarlemmermeer (Justitieel Complex Schiphol) te Badhoevedorp. Parketnummers : 05/780056-17, 05/780093-17 en 05/780085-17 (gev. ttz. 7 december 2017) Datum uitspraak : 26 juni 2019 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaken van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1990 te [geboorteplaats 1] , wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te HvB Ooyerhoekseweg te Zutphen, raadsman: mr. S.L.J. Janssen, advocaat te Rotterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 september 2017, 7 december 2017, 5 februari 2018, 10 april 2018, 27 juni 2018, 24 september 2018, 13 december 2018, 11 maart 2019, 14 mei 2019, 21 mei 2019, 22 mei 2019, 27 mei 2019, 28 mei 2019, 29 mei 2019 en 26 juni

  1. De inhoud van de tenlastelegging [verdachte] wordt onder parketnummer 05/780056-17 (Bosnië) – kort gezegd – verweten dat hij op 31 december 2015 in Kerkdriel samen met een ander of anderen of alleen met voorbedachten rade [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht, dan wel dat hij dit feit heeft uitgelokt. Indien dit niet kan worden bewezen, wordt [verdachte] verweten dat hij aan dit feit medeplichtig is geweest (feit 1); hij op 31 december 2015 in Kerkdriel samen met een ander of anderen of alleen geprobeerd heeft [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] met voorbedachten rade om het leven te brengen, dan wel dat hij dit feit heeft uitgelokt. Indien dit niet kan worden bewezen, wordt [verdachte] verweten dat hij aan dit feit medeplichtig is geweest (feit 2). [verdachte] wordt onder parketnummer 05/780093-17 (Brandberg) – kort gezegd – verweten dat hij op 7 november 2015 in Krommenie samen met een ander of anderen of alleen met voorbedachten rade [slachtoffer 4] om het leven heeft gebracht, dan wel dat hij dit feit heeft uitgelokt. Indien dit niet kan worden bewezen wordt [verdachte] verweten dat hij aan dit feit medeplichtig is geweest. [verdachte] wordt onder parketnummer 05/780085-17 (IJshamer) – kort gezegd – verweten dat hij op 3 april 2016 in Amsterdam samen met een ander of anderen of alleen geprobeerd heeft [slachtoffer 5] en een onbekend gebleven persoon met voorbedachten rade om het leven te brengen, dan wel dat hij dit feit heeft uitgelokt. Indien dit niet kan worden bewezen wordt [verdachte] verweten dat hij aan dit feit medeplichtig is geweest. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Bewijsverweren inzake Ennetcom Het standpunt van de verdediging Door de verdediging is aangevoerd dat de inhoud van de e-mailberichten en de notities afkomstig van de Ennetcom-server (verder gezamenlijk aangeduid als Ennetcom-data) door technische omstandigheden zouden kunnen zijn aangetast of door menselijk ingrijpen zouden kunnen zijn vervalst. Dit maakt dat de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de Ennetcom-data feitelijk en juridisch niet kan worden gecontroleerd. Daartoe is aangevoerd dat: voor Ennetcom B.V. meerdere werknemers werkten die toegang hadden tot de servers. Zo ook bij de door Ennetcom ingehuurde bedrijven [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V., de resellers van de PGP-telefoons en [bedrijfsnaam] , de verhuurder van de server in Canada. Wie er allemaal over de wachtwoorden kon beschikken is onduidelijk, maar alle Ennetcom-data konden worden benaderd en ontsleuteld als men de beschikking had over al de benodigde wachtwoorden. Na de ontsleuteling kunnen berichten worden gelezen, gekopieerd, verplaatst en aangepast; door het retentiebeleid op de [naam 13] -server grote hoeveelheden e-mailberichten zijn bewaard, terwijl deze berichten na korte tijd automatisch zouden worden verwijderd; de eigenaar en bestuurder van Ennetcom door het Openbaar Ministerie wordt verdacht van het onderhouden van nauwe relaties met bekende criminelen en criminele organisaties; er hardnekkige geruchten zijn dat Ennetcom gefinancierd is door partijen die stevig verankerd zijn in het internationale drugsmilieu en dat deze partijen een stevige vinger in de pap hebben gehouden bij het bedrijf om informatie te krijgen over anderen in het criminele milieu en om zelf een sturende rol te kunnen spelen; uit de beschikbare Ennetcom-data blijkt dat er beveiligingsproblemen waren bij Ennetcom, te weten bij de behandeling van kopieer- en wipe verzoeken, dat het “stelen” van een Ennetcom-adres mogelijk was en dat e-mails werden ontvangen die niet bestemd waren voor de ontvanger; beheer en manipulatie van versleutelde communicatie voor criminele groeperingen aantrekkelijk is, wat volgt uit het [naam 4] -onderzoek waar de criminele groepering over een eigen reseller (van PGP-telefoons) zou kunnen beschikken en men probeerde om de schuld van een vergismoord bij [verdachte] te leggen. Daarom dient bij de controle van de authenticiteit van de Ennetcom-data ervan uit te worden gegaan dat (onbekende) derden toegang tot de (key)servers hadden en het oogmerk hadden om informatie te manipuleren. Door deze kwetsbaarheid en de manipuleerbaarheid van het Ennetcom-systeem moeten voorafgaand aan de interpretatie van de Ennetcom-data de volgende vragen gesteld worden: is de inhoud van de tekst van de e-mailberichten en notities authentiek; zijn de tijdstippen en de data van verzending en ontvangst wel correct (geregistreerd); zijn de e-mails en notities wel afkomstig van de geregistreerde afzender en zijn deze teksten wel ontvangen door de geregistreerde ontvanger. Artikel 344 lid 5 Sv De informatie afkomstig van de Ennetcom-server dient juridisch gezien gekwalificeerd te worden als “andere geschriften” als bedoeld in artikel 344 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en kunnen slechts als bewijsmiddel gelden “in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen”. Voorts is de bewijskracht van de Ennetcom-data door de kwetsbaarheid en de manipuleerbaarheid zwakker dan de bewijskracht die volgens de CAG bij het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO9193 aan door verbalisanten uitgewerkte tapverslagen kan worden toegekend. Daarbij komt dat de Ennetcom-berichten en notities regelmatig afkomstig zijn van onbekend gebleven personen en in gevolge het bepaalde in artikel 344a derde lid Sv slechts voor het bewijs mogen worden gebruikt: als het geschrift in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal; waarbij de rechter in gevolge het bepaalde in artikel 360 Sv het gebruik van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een onbekend gebleven persoon moet motiveren. Gelet op jurisprudentie van het EHRM en de toetsing van het ter beschikking stellen van de Ennetcom-data door de rechter-commissaris die in strijd is met artikel 1 Sv, mogen deze schriftelijke bescheiden slechts voor het bewijs worden gebruikt wanneer de inhoud voldoende steun vindt in andersoortige, los van deze schriftelijke bescheiden staande bewijsmiddelen die zien op het daderschap van verdachte. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie kan zich niet verenigen met het standpunt van de verdediging over het gebrek aan integriteit en beveiliging van het Ennetcom-systeem. Het Openbaar Ministerie baseert zich daarbij op de volgende punten. Het Ennetcom-systeem is ontwikkeld om betrouwbaar te zijn, om communicatie af te schermen en geheim te houden. Als bekend zou worden dat het systeem ondeugdelijk was, zou dat funest zijn voor de bedrijfsvoering. Voorts volgt uit het dossier dat er binnen de Ennetcom-organisatie zorg werd besteed aan het bewaken van de integriteit en dat er werd opgetreden in het geval van bedreiging daarvan. Anders dan de verdediging suggereert, staat niet vast dat hele groepen personen van verschillende bedrijven toegang hadden tot cruciale delen van de servers. Medewerkers van [naam 2] en Ennetcom hadden beheerderstoegang tot bepaalde servers, maar zij konden de versleutelde e-mails niet lezen. Verder is uit de verhoren bij de rechter-commissaris niet gebleken dat iemand voor zijn werkzaamheden toegang had tot de keyserver en de zich daarop bevindende private keys. Voor het werk van [naam 3] B.V. was geen toegang tot de server nodig. [naam 5] ( [bedrijfsnaam] ) was de verhuurder van de servers. Om de data te kunnen veranderen is naast toegang tot de servers middels de wachtwoorden ook (algemene) kennis nodig over Microsoft Exchange en de BlackBerry Enterprise Servers en specialistische kennis over de wijze waarop de sleutels opgeslagen waren op de [naam 13] server, omdat hiervoor niet was gekozen voor een standaard IT-oplossing. Hoewel het onderzoek van de server niet gericht was op het vinden van sporen die er op duiden dat de Ennetcom-servers gehackt of gemanipuleerd waren, zijn er geen aanwijzingen gevonden dat hiervan sprake was. Op basis van de voorgaande argumenten mag de rechter ervan uit gaan dat bestanden die zijn aangetroffen in een digitale omgeving, daar geplaatst zijn door de gebruiker van die digitale omgeving. Een bewezenverklaring op basis van de data is mogelijk, zelfs als deskundigen in het algemeen of theoretisch niet kunnen uitsluiten dat er is gehackt. Dit is pas anders als aannemelijk is dat de integriteit van de data is aangetast. Overige onderzoeksresultaten valideren de integriteit van de Ennetcom-data. Context-informatie uit andere onderzoeksresultaten valideren de integriteit en authenticiteit van de Ennetcom-data, bijvoorbeeld als via een Ennetcom-account wordt gemaild over een afspraak bij de reclassering en de gebruiker van dat account een afspraak met de reclassering heeft. De communicatie tussen de Ennetcom-accounts verloopt adequaat. Het Openbaar Ministerie kan zich niet verenigen met het standpunt van de verdediging over de bewijswaarde van de Ennetcom-berichten en volgt de vergelijking met de unus testis rechtspraak niet op grond van het volgende: uit het arrest van de Hoge Raad van 2004 volgt dat “andere geschriften”, inhoudende de weergave van telefoontaps, kunnen worden bevestigd door de weergave van andere telefoontaps, ook zijnde “andere geschriften” in de zin van artikel 344 Sv. Dit geldt ook voor de weergave van Ennetcom-berichten. de Ennetcom-berichten zijn middels processen-verbaal van bevindingen in het dossier gevoegd, en de inhoud van deze berichten wordt in deze processen-verbaal bevestigd door andere bewijsmiddelen. er daarom geen sprake is van een situatie waarin het unus-testis beginsel geldt, het gaat immers niet om het aannemen van een gebeurtenis op basis van één getuigenverklaring. ook uit de unus-testis jurisprudentie volgt niet dat sprake moet zijn van twee bewijsmiddelen die de verdachte als dader aanwijzen. Toestemming gebruik Ennetcom-data niet in strijd met artikel 1 Sv Voorts is er geen sprake van een onrechtmatige/buitenwettelijke toetsing door de rechter-commissaris nu de Canadese rechter het speelveld heeft bepaald en de Nederlandse opsporingspraktijk dit heeft gerespecteerd in het kader van de beginselen van internationaal recht door te toetsen aan artikel 126ng Sv, de zwaarste toets binnen de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, een toetsing die in de lijn is van het smartphone-arrest van de Hoge Raad (net als in de zaak Tandem, r.o.
  2. 4 .1). Beoordeling door de rechtbank Voordat de rechtbank de verweren zal behandelen, zal zij in het algemeen ingaan op de Ennetcom-data en het gebruik daarvan in de onderzoeken Bosnië, Brandberg en IJshamer. De Ennetcom-data Het Nederlandse bedrijf Ennetcom B.V. verkocht “Pretty Good Privacy telefoons” (verder PGP-telefoons) waarmee alleen versleutelde e-mails konden worden verstuurd en ontvangen en waarmee notities konden worden opgeslagen. De e-mailadressen bestonden uit een willekeurige, niet tot een persoon te herleiden, combinatie van cijfers en letters. De e-mailadressen werden door de gebruikers op de “telefoons” opgeslagen onder door hen gebruikte en bij hen bekende bijnamen. Door de versleuteling konden derden de e-mailberichten niet lezen en door het gebruik van bijnamen bleven de verzender en de ontvanger van de berichten voor derden anoniem. Ennetcom maakte gebruik van BlackBerry Enterprice Servers (verder: BES) gehuurd bij het bedrijf [bedrijfsnaam] in [plaatsnaam 1] , Canada. Ongeveer 19.000 mensen maakten gebruik van deze dienst van het bedrijf Ennetcom B.V. [slachtoffer 1] werd op 31 december 2015 te Kerkdriel geliquideerd. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] raakten gewond maar overleefden de aanslag. Uit de historische verkeersgegevens van een zendmast in de directe omgeving van de plaats delict, bleek dat deze mast in de periode van deze aanslag en in de dagen daarvoor werd aangestraald door een PGP-toestel voorzien van het telefoonnummer eindigend op [nummer 2] met het bijbehorende IMEl-nummer [nummer 1] . Uit gegevens gevorderd van BlackBerry Nederland bleek dat het toestel gebruik maakte van het e-mailadres beginnende met [naam 6] . Naar aanleiding van deze liquidatie werd een strafrechtelijk onderzoek opgestart onder de naam Bosnië. Uit dit onderzoek kwamen de volgende deelonderzoeken voort: Brandberg, naar de liquidatie van [slachtoffer 4] op 7 november 2015 te Krommenie; IJshamer, naar een poging tot liquidatie van [slachtoffer 5] op 3 april 2016 te Amsterdam; Maan, naar voorbereidingshandelingen voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] op 20/21 november 2015 te Utrecht. Toestemming gebruik Ennetcom-data in strijd met artikel 1 Sv In het strafrechtelijk onderzoek [naam 7] , naar de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie en witwassen door het Nederlandse bedrijf Ennetcom en zijn directeur [naam 8] , is op 8 april 2016 een rechtshulpverzoek gedaan aan de bevoegde autoriteiten in Canada om forensische kopieën te maken van de data op de BES-server(s) in [plaatsnaam 1] , Canada. Aan dit verzoek is mede ten grondslag gelegd dat in drie andere Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken het ernstige vermoeden is gerezen dat personen die betrokken zijn bij liquidaties gebruik maakten van PGP-telefoons die geleverd zijn door Ennetcom B.V. Op 19 september 2016 heeft het Superior Court of Justice in [plaatsnaam 1] een zogenoemde “sending order” uitgegeven, waarbij is bepaald dat alle in beslag genomen data aan Nederland worden overgedragen. Dit onder de voorwaarden dat de Ennetcom-data alleen mogen worden gebruikt voor onderzoek en vervolging van strafbare feiten als deelneming aan criminele organisatie, moord, doodslag, witwassen, brand /ontploffing, alsmede pogingen en voorbereidingshandelingen daartoe, die direct verband houden met de onderzoeken [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 7] , tenzij hiervoor van tevoren een gerechtelijke machtiging door het Koninkrijk der Nederlanden is afgegeven. De Canadese rechter heeft dus geen toestemming verleend voor het gebruik van de Ennetcom-data in de strafrechtelijke onderzoeken Bosnië, IJshamer, Brandberg en Maan, maar heeft deze beslissing overgelaten aan een Nederlandse rechter. Om te voldoen aan de voorwaarden van de Canadese rechter, moest een Nederlandse rechter toestemming geven voor het gebruik van de Ennetcom-data in de onderhavige opsporingsonderzoeken. Met de verdediging en de officieren van justitie stelt de rechtbank vast dat het Wetboek van Strafvordering, noch enige andere wet, een procedure kent tot het afgeven van een machtiging, zoals door de Canadese rechter wordt geëist. Daarom heeft het Openbaar Ministerie voor de vorm waarin het onderzoek plaatsvindt, gekozen voor een vordering aan de rechter-commissaris tot het verrichten van onderzoekshandelingen aan de Ennetcom-data, onderzoekshandelingen die de rechter-commissaris heeft gedelegeerd aan verbalisanten (artikel 181 jo. artikel 179 Sv). Voor de inhoudelijke toetsing van de vordering heeft de rechter-commissaris aansluiting gezocht bij artikel 126ng Sv, de bepaling die vordering van digitale gegevens van Nederlandse telecommunicatie-aanbieders mogelijk maakt. Dit artikel bepaalt dat de rechter-commissaris aan de volgende drie vereisten moet toetsen: het moet gaan om een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan en dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert; het belang van het onderzoek moet dringend vorderen dat toegang tot de gegevens wordt verkregen, en het moet gaan om gegevens die klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of met betrekking tot welke gegevens klaarblijkelijk het strafbare feit is gepleegd. Artikel 1 Sv luidt: “Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien”. In deze bepaling is het legaliteitsbeginsel voor het strafprocesrecht vastgelegd. De overheid wordt bij het maken van inbreuk op vrijheden of rechten van haar burgers gebonden aan de wet. De uitvoerende macht, politie en het Openbaar Ministerie, en de rechterlijke macht mogen geen nieuwe opsporingsbevoegdheden scheppen, waardoor inbreuken op rechten en vrijheden van burgers mogelijk worden. Hieronder valt ook de inbreuk op het recht op privacy. Zoals hiervoor reeds is vermeld, kent de Nederlandse wet geen bepaling die is geschreven voor de toetsing die de Canadese rechter als voorwaarde stelt aan het gebruik van Ennetcom-data in andere strafzaken. Voor de beantwoording van de vraag of artikel 1 Sv zo strikt moet worden uitgelegd dat daarom het onderzoek aan de Ennetcom-data in deze strafzaken onrechtmatig is geweest, vindt de rechtbank het volgende van belang: De Canadese rechter heeft nadrukkelijk de mogelijkheid opengelaten dat ook in andere strafrechtelijke onderzoeken naar ernstige misdrijven gebruik werd gemaakt van de Ennetcom-data, en waarbij de toetsing daarvan wordt overgelaten aan een Nederlandse rechter. Als de Ennetcom-servers in Nederland hadden gestaan, dan was de inbeslagneming van de Ennetcom-data in de opsporingsonderzoeken [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 7] volgens artikel 126ng Sv mogelijk geweest en had de officier van justitie toestemming kunnen verlenen om deze informatie ook in andere opsporingsonderzoeken te gebruiken. Ook als de Canadese rechter voorafgaand aan het gebruik van de Ennetcom-data in andere strafzaken geen toets door een rechter had geëist, had de officier van justitie toestemming kunnen verlenen om deze informatie ook in andere strafzaken te gebruiken. Uit het stelsel van de wet volgt dat bij een inbreuk op de vrijheden of rechten van burgers de autoriteit die toestemming moet verlenen, hoger moet zijn als de ernst van de inbreuk toeneemt (bij een beperkte inbreuk is bevoegdheid verleend aan alle verbalisanten en naar mate de ernst van de inbreuk toeneemt, is de bevoegdheid verleend aan respectievelijk een hulpofficier van justitie, een officier van justitie of een rechter-commissaris). Toestemming voor ernstige inbreuken op vrijheden of rechten kan alleen worden verleend voor de opsporing van zware misdrijven (het proportionaliteits-beginsel). Ook wordt alleen toestemming verleend als het doel niet op andere wijze dan door een inbreuk op rechten of vrijheden kan worden bereikt (het subsidiariteits-beginsel). Onder andere door de snelle technische ontwikkelingen in de afgelopen decennia is in de rechtspraktijk het bewustzijn ontstaan dat niet elk strafvorderlijk handelen van een functionaris gebaseerd kan zijn op een expliciet in de wet geformuleerde bevoegdheid. Zo bepaalde de Hoge Raad in het Zwolsman-arrest dat opsporingsmethoden alleen bij ernstige of stelselmatige inbreuken op grondrechten een expliciete wettelijke basis in de zin van artikel 1 Sv nodig hebben. Lichtere inbreuken op grondrechten vallen onder de algemene bevoegdheidstoewijzing van artikel 3 van de Politiewet. Ook heeft de wetgever het in de rechtspraktijk ontwikkelde toetsingskader voor de inbreuk op grondrechten gelegaliseerd. Een deel van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (verder: Wet BOB) is hier een voorbeeld van. Ennetcom B.V. is een Nederlands bedrijf met deels Nederlandse klanten. De PGP-telefoons van Ennetcom B.V. maakten gebruik van mobiele telecommunicatie via het internet. In de praktijk betekent dat de servers, de hardware benodigd voor deze vorm van communicatie, zich overal ter wereld konden bevinden, zolang men ter plaatse maar beschikte over elektriciteit en een snelle internetverbinding. Ook onderhouds- en beheersactiviteiten op de servers door Ennetcom B.V. waren vanaf elke plaats ter wereld mogelijk. Dit is een technische ontwikkeling waarvan de juridische implicaties bij de totstandkoming van de Wet BOB niet zijn voorzien. Ook kon niet worden voorzien dat een buitenlandse rechter toetsing door een Nederlandse rechter zou eisen voorafgaand aan het verdere gebruik van de in het buitenland in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek in beslaggenomen data. De rechtbank vindt dat het ontbreken van een expliciet juridisch kader a priori niet in de weg mag staan aan opsporing en vervolging van ernstige misdrijven als moord, poging tot moord of de voorbereiding van moord. De volgende vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of andere feiten of omstandigheden in de weg staan aan het gebruik van de Ennetcom-data in de onderhavige strafzaken. Voor de inhoudelijke toetsing van de beschikbaarstelling van de Ennetcom-data heeft de rechter-commissaris gekozen voor artikel 126ng Sv. De toets in dit artikel ligt bij de rechter-commissaris, de hoogste toetsingsfunctionaris binnen de Wet BOB. De rechter-commissaris heeft zijn toestemming verleend op basis van een plan van aanpak waarin de zoektermen zijn opgenomen waarmee de Ennetcom-data zullen worden doorzocht. De strafbare feiten die onderzocht werden in de opsporingsonderzoeken Bosnië, Brandberg en IJshamer vallen binnen de voorwaarden die door de Canadese rechter en artikel 126ng Sv worden gesteld. Uit het omvangrijke dossier volgt dat er weinig ander bewijs is dat kon leiden tot de identificatie van de daders. Daarom vindt de rechtbank dat de gekozen werkwijze en het toetsingskader past in het stelsel van de Nederlandse wet, maximale waarborgen bieden om een onnodige inbreuk op de privacy van andere Ennetcom-gebruikers te voorkomen zonder dat dit strijd oplevert met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat toetsing ex de artikelen 181 jo. 177 Sv en artikel 126ng Sv niet in strijd met artikel 1 Sv is. Het enkele feit dat voor deze unieke situatie geen expliciete wettelijke bepaling is, maakt dus niet dat het gebruik van de Ennetcom-data onrechtmatig is. De rechtbank verwerpt het verweer. De betrouwbaarheid en authenticiteit van de Ennetcom-data De rechtbank stelt voorop dat Ennetcom B.V. de communicatie met PGP-telefoons heeft ontwikkeld om anonieme en versleutelde communicatie tussen de gebruikers mogelijk te maken. Verdachte ontkent dat hij een PGP-telefoon in zijn bezit heeft gehad. De rechtbank merkt op dat de verdediging als zij spreekt over de betrouwbaarheid en authenticiteit van de Ennetcom-data vaak de woorden “het valt niet uit te sluiten” en “het is niet ondenkbaar” gebruikt of woorden met een soortgelijke betekenis. Met de verdediging en de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat kan worden gesteld dat van geen enkel ICT-systeem dat verbinding heeft met het internet “valt uit te sluiten” dat het systeem kan worden gehackt of dat data op andere wijze door technische omstandigheden zouden kunnen zijn aangetast of door menselijk ingrijpen zouden kunnen zijn vervalst. Iedereen die het nieuws volgt, weet bijvoorbeeld dat zelfs computers van het Amerikaanse ministerie van defensie zijn gehackt en dat een containeroverslagbedrijf in de Rotterdamse haven is lamgelegd door een computervirus. Echter, voor een bewezenverklaring die mede gebaseerd is op de Ennetcom-data hoeft de rechtbank geen “bewijsmiddelen” op te nemen waaruit volgt dat de theoretische mogelijkheid is uitgesloten dat de Ennetcom-data zijn aangetast of vervalst. De rechtbank moet beoordelen of de verweren van de verdediging hierover voldoende aannemelijk zijn geworden. Het is aan de verdediging om aannemelijk te maken dat de Ennetcom-data zijn aangetast of vervalst door deze stelling met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Bij de beoordeling van de verweren mag de rechter volgens vaste jurisprudentie, naast de weerlegging in de bewijsmotivering, ook de onwaarschijnlijkheid, onaannemelijkheid en/of de ongeloofwaardigheid van alternatieve scenario’s in zijn oordeelsvorming betrekken. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank -behoudens aanwijzingen van het tegendeel- als uitgangspunt neemt dat Ennetcom-berichten of notities aangetroffen in het account van een gebruiker, afkomstig is van deze gebruiker of aan hem zijn verzonden en dat deze berichten of notities niet zijn aangetast of vervalst. Met betrekking tot de aangevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt.  Het enkele feit dat het bedrijf Ennetcom B.V. en de eigenaar zijn vervolgd wegens witwassen en deelneming aan een criminele organisatie of dat er volgens de verdediging “hardnekkige geruchten” zijn dat Ennetcom B.V. is gefinancierd door een partij die stevig verankerd is in het internationale drugsmilieu, is onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat het Ennetcom-systeem zo was ingericht dat de Ennetcom-data konden worden aangetast of vervalst, en zeker niet voor de verweren dat dit daadwerkelijk is gebeurd in de onderhavige strafzaken.  Ennetcom B.V. had ongeveer 19.000 gebruikers. Dit betekent dat er accounts moesten worden geactiveerd en verwijderd, dat er onderhoud aan het systeem moest worden verricht en service aan de gebruikers moest worden verleend. Daarvoor moesten helpdesk- en onderhoudsmedewerkers van Ennetcom (beperkte) toegang hebben tot de Ennetcom-servers. Ook medewerkers van de serververhuurder [bedrijfsnaam] zullen werkzaamheden op de servers hebben moeten verrichten en daartoe (beperkt) toegang hebben gehad tot de servers. Dat deze medewerkers ook toegang hadden tot de keyserver en de kennis hadden om (metadata van) de Ennetcom-berichten en notities aan te aanpassen, is onvoldoende onderbouwd. Dit volgt ook niet uit de verhoren van verbalisanten, noch uit de verhoren van andere getuigen en de deskundige [naam 12] . De theoretische mogelijkheid dat één of meer personen beschikten over de benodigde wachtwoorden en daarbij ook de kennis hadden om daarmee de Ennetcom-data te vervalsen, betekent nog niet dat aannemelijk is dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Dit geldt te meer nu op de Ennetcom-servers de personalia van de gebruikers niet aan hun accounts zijn gekoppeld. De verdediging heeft gesteld dat uit het [naam 4] -onderzoek is af te leiden dat een criminele organisatie [verdachte] de schuld probeerde te geven van een vergismoord. Als deze stelling al waar is, volgt uit hetgeen de verdediging ter onderbouwing heeft aangevoerd enkel dat hierover is gecommuniceerd met PGP-telefoons, niet dat de valse beschuldiging tot stand is gekomen door het vervalsen van PGP-berichten. De verdediging heeft gewezen op communicatie tussen gebruikers en helpdeskmedewerkers van Ennetcom, waaruit zou volgen dat data van het ene naar het andere account konden worden gekopieerd, er fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van wipe-verzoeken en een gebruiker e-mails heeft ontvangen die niet voor hem bestemd waren. Dit is onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat het gehele Ennetcom-systeem onbetrouwbaar is. Ten eerste kende Ennetcom ongeveer 19.000 gebruikers en het gaat slechts om enkele voorbeelden. Ten tweede kan sprake zijn van menselijke fouten van een of meer gebruikers en een of meer helpdeskmedewerkers. De PGP-communicatie die via de [naam 13] -server verliep, kende een retentiebeleid waarbij berichten automatisch na één dag werden verwijderd. Als berichten werden verplaatst naar een andere map op de server, was dit retentiebeleid niet meer van kracht. Door een bericht handmatig te wissen, werd dit bericht naar de map “prullenbak” verplaatst. Ook door de “verplaatsing naar de prullenbak” werd het bericht niet meer automatisch en definitief gewist. Anders dan de verdediging gaat de rechtbank uit van een systeemfout en niet van boze opzet om berichten tegen de zin van de gebruiker te bewaren. Dit omdat: o dit retentiebeleid gold voor alle gebruikers van PGP-toestellen die via de [naam 13] -server communiceerden, niet voor slechts enkele accounts; o de informatie hierdoor slechts gefragmenteerd beschikbaar kwam, immers alleen handmatig “gewiste” informatie bleef op de server achter; o en de informatie versleuteld werd bewaard. Het dossier bevat daarnaast informatie, die de betrouwbaarheid en authenticiteit van de Ennetcom-data bevestigt. De rechtbank wijst hiervoor op de volgende punten die verder zullen worden uitgewerkt bij het linken van de PGP-accounts aan de verschillende gebruikers:  Onderzoeksgegevens uit andere bronnen valideren de integriteit en authenticiteit van de Ennetcom-data. Het gaat hier bijvoorbeeld om: o reizen van de gebruiker van de PGP-telefoon waarbij de PGP-telefoon lijkt mee te reizen met een gewone telefoon of de auto van de gebruiker; o het aanstralen van telefoonmasten in de directe omgeving van Schiphol door de PGP-telefoon, op de momenten dat de gebruiker aankomt in Nederland of vanaf Schiphol vertrekt; o afspraken en gebeurtenissen waarover wordt gemaild en waarvan uit andere onderzoeksgegevens blijkt dat die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden; o berichten over en notities van telefoonnummers van familie en/of de vriendin van de gebruikers. De berichtenuitwisseling tussen de verschillende gebruikers van de PGP-telefoons verloopt adequaat. Ondanks dat e-mailberichten slechts gedeeltelijk zijn bewaard, valt uit de bewaarde data te concluderen dat men weet met wie men mailt en (een deel) van de berichten sluit op elkaar aan. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, wordt een deel van de berichten gerelateerd aan gebeurtenissen die bevestigd worden door andere onderzoeksresultaten. Hierdoor wordt het account niet alleen gelinkt aan een gebruiker, maar wordt ook het tijdstip en de datum van verzending bevestigd. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de Ennetcom-data voldoende betrouwbaar zijn. Het beroep op artikel 344 lid 5 Sv De rechtbank overweegt hierover als volgt. Zoals de verdediging terecht opmerkt kan “het andere bewijsmiddel” dat het gebruik van “andere geschriften” voor het bewijs mogelijk maakt, ook “een ander geschrift” zijn. Gelet op de vaststelling hiervoor dat de rechtbank de berichten in beginsel als betrouwbaar heeft beoordeeld, hoeft hier niet terughoudend mee om te worden gegaan. De inhoud van de Ennetcom-data is vaak opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen waarin, naast de inhoud van de Ennetcom-data, vaak ook andere feiten en omstandigheden zijn opgenomen. Het gaat dan niet meer om een schriftelijk bescheid, maar om een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Voor zover de Ennetcom-data in de vorm van een schriftelijk bescheid voor het bewijs zijn opgenomen, gaat het om e-mailverkeer tussen twee of meer gebruikers van PGP-telefoons. Zelfs als de gebruiker of gebruikers van deze telefoons niet bekend zijn geworden, is geen sprake van een schriftelijk bescheid inhoudende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet is gebleken, als bedoeld in art 344a lid 3 Sv. Het gaat immers om de tekst van een e-mailwisseling, niet om de verklaring van één anonieme getuige. De unus-testis jurisprudentie is dan ook niet van toepassing. Gelet op de vaststelling hiervoor dat de rechtbank de berichten als betrouwbaar heeft geoordeeld, hoeft hier niet terughoudend mee om te worden gegaan. Het beroep op artikel 344 lid 5 wordt daarom verworpen. Onderzoek Bosnië (05/780056-17) Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat verdachte een motief heeft gehad voor de aanslag op de gebroeders [naam 14] en dat de betrouwbaarheid van het Ennetcom-systeem als geheel wordt bevestigd door externe gegevens en door het feit dat op de accounts [naam 15] en [naam 16] persoonlijke gegevens van familie en vrienden van [verdachte] zijn opgeslagen. Op grond van het zich in het dossier bevindende wettige bewijs is het Openbaar Ministerie tot de overtuiging gekomen dat [verdachte] kan worden veroordeeld voor het medeplegen van: de moord op [slachtoffer 1] op 31 december 2015 te Kerkdriel, en de poging tot moord op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] op 31 december 2015 te Kerkdriel. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de liquidatie van [slachtoffer 1] en de poging tot liquidatie op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Daartoe is onder meer aangevoerd dat [naam 17] of een soortgelijke bijnaam niet de bijnaam van [verdachte] was, deze bijnaam door meerdere mensen werd gebruikt, de afkorting [afkorting] veelvuldig door anderen werd gebruikt, het account [naam 16] ook werd gebruikt door een Spaanstalig persoon en de inhoud van de berichten van de [naam 16] op verschillende momenten niet past bij de verblijfplaats van [verdachte] . Als al zou kunnen worden bewezen dat [verdachte] op enig moment de gebruiker was van de [naam 15] en [naam 16] , betekent dit niet dat hij de enige gebruiker was. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de rol van [verdachte] van zodanig gewicht is geweest dat sprake is van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] dan wel de pogingen hiertoe op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Evenmin kan worden bewezen dat sprake is geweest van het opdracht geven tot de (pogingen tot) moord. Beoordeling door de rechtbank Vooraf De rechtbank zal de bewijsverweren van de verdediging -voor zover de aannemelijkheid daarvan kan worden getoetst- bespreken tijdens de behandeling van de bewijsmiddelen. Wat verder door en namens verdachte is aangevoerd ter ondersteuning van de Ennetcom-verweren en de overige bewijsverweren, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen of hoeft niet besproken te worden omdat het verweer onvoldoende is onderbouwd en/of omdat de verdediging niet heeft aangegeven welk rechtsgevolg aan het verweer dient te worden verbonden. De feiten Op 31 december 2015 om 18:14 uur vertrokken [slachtoffer 3] (achterin), [slachtoffer 2] (bijrijder) en [slachtoffer 1] (bestuurder) van de camping in Kerkdriel. Ze verbleven pas maximaal drie weken, vanaf na Sinterklaas, in het chalet van [naam 18] (rechtbank: [naam 18]). Ze reden naar de slagboom. De slagboom ging open en [slachtoffer 3] hoorde knallen. Zijn broertje [slachtoffer 1] schreeuwde, hij was geraakt. Er waren twee schutters. Ze werden van rechts en van voren beschoten. [slachtoffer 3] zag een schutter voor hem staan. Er ging door het portier een kogel langs zijn hoofd. [slachtoffer 2] zag een schutter recht voor hem. Het was een getinte man van ongeveer 1.83 meter met een normaal dan wel slank postuur, een zwarte hoodie, een korte jas tot aan de heupen en gezichtsbedekkende kleding van kin tot neus. De man begon gericht te schieten. [slachtoffer 2] dook weg. Hij ging in een foetushouding zitten en hoorde knallen van rechts. Hij werd door een kogel via de bijrijdersdeur geraakt. Dit was rechts boven zijn bil, in zijn onderrug. De schoten waren heel snel achter elkaar. Hij hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat hij ook was geraakt en zag bloed op zijn T-shirt. Niettemin reed [slachtoffer 1] door. Ze sloegen bij de uitgang van de camping links af en vervolgden hun weg via de dijk. [slachtoffer 1] hield het vervolgens niet meer vol en [slachtoffer 3] nam het stuur vanuit de achterbank over. Samen met [slachtoffer 2] bracht hij het voertuig tot stilstand, waarna [slachtoffer 1] achterin werd gelegd en [slachtoffer 3] verder reed. Een paar minuten later kwamen ze aan bij een woning waar [slachtoffer 2] aanbelde. Aan de [adres 2] werd tussen 18:15 uur en 18:20 uur getoeterd door een auto. De bewoners van nummer 4 , waaronder [naam 19] , zagen ineens een vrij nieuwe [getuige 5] [merk auto 1] met kenteken [kenteken 1] op hun oprit staan. Deze auto was met grote snelheid aan komen rijden. Er werd geroepen dat ze beschoten waren en er een ambulance gebeld moest worden. De jongen (rechtbank: [slachtoffer 3]) haalde daarop een gewonde man, zijn broertje (rechtbank: [slachtoffer 1]), uit de auto. De derde betrokken persoon (rechtbank: [slachtoffer 2] ) – met een verwonding aan zijn heup – belde bij de overburen aan, waar hij vervolgens in elkaar zakte. De melding luidde vervolgens als volgt: “M: Goedendag met [naam 19] (de rechtbank begrijpt: [naam 19] ), [adres 2] . Ik heb met spoed een ambulance nodig. (…) De zijn mensen hier melden zich bij mij die zijn beschoten. Ik heb een gewonde man op straat en de bestuurder is ook gewond. De man vertelt over 3 man, 3 man die gewond zijn. (…) 3 gewonden waarvan 1 man op straat ligt te kermen. (…) A: zijn de daders daar nog mijnheer? M: nee hun zijn weggereden. (…) Ik geef u even 1 van de gewonden. NM1: hij krijgt moeilijk adem. Moet ik hem optillen of laten liggen? A: laten liggen mijnheer. NM1: Ok laten liggen. Hij krijgt moeilijk adem wat moet ik dan? A: U kunt hem het beste even op de zij draaien. Lukt dat? NM1: Op de zij, ga maar op je zij liggen [slachtoffer 1] . A: Luister eens. Hij is beschoten zegt u? NM1: hij is beschoten in zijn buik. A: in zijn buik geschoten. NM1: Ja ik ben in mijn hoofd geraakt. A: U in uw hoofd geraakt en die ander? NM1: die ander is ook geraakt. (…) Ik weet niet waar mevrouw. Mevrouw wilt u aub. Mijn broertje is even belangrijker op dit moment. (…) NM1; Hoe laat zijn ze hier denkt u. Mevrouw ik kan daar niet over beginnen. Alleen mijn broertje. weet u hoe lang ze hier zijn? Ik ben geraakt in mijn gezicht volgens mij. Hij krijgt moeilijk adem. A: Ademt diegene nog wel? NM1: Ja je ademt toch nog een beetje [slachtoffer 1] . Je ademt nog. (…)NM1: ja er komt bloed uit de buik. Moet ik me hand daar houden? (…) NM1: Ja ik weet het niet mevrouw. Ik voel geen pijn, maar ik ben wel geraakt. Paar keer in mijn gezicht volgens mij.(…)”. De politie kwam na de melding van omstreeks 18:19 uur ter plaatse bij de [adres 2] aan. Midden op de weg lag een man op zijn linkerzij. Er was bloed op zijn borst te zien. Een ander slachtoffer, met zijn hele hoofd onder het bloed, hing over hem heen. Hij vertelde dat ze beschoten waren op de camping bij de grote sporthal en sportschool. Het was de verbalisant ambtshalve bekend dat de sporthal de [naam 20] zich nabij camping [naam 21] aan de [adres 3] bevond. Het slachtoffer gaf zijn eigen en zijn broers personalia door, [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 5] ) en [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 4] ). Het derde slachtoffer lag in de voortuin, rechts naast een voordeur, op de grond. Deze persoon, [slachtoffer 2] , hield een doek op zijn rechterbil vast en zei dat hij was beschoten. Vervolgens werden alle slachtoffers de ambulance in geholpen en naar het ziekenhuis gebracht. Verder werden de [getuige 5] [merk auto 1] met kenteken [kenteken 1] met diverse schotbeschadigingen en bloedvegen -en spatten, en de bebloede [getuige 5] toegangspas in de berm veiliggesteld. [slachtoffer 1] werd tussen 19:00 en 19:10 uur op de SEH van het UMCU binnengebracht met vele kogelverwondingen. Er was sprake van ernstig inwendig bloedverlies. Om 19: 28 uur werd [slachtoffer 1] officieel als overleden beschouwd. Er werd dan ook sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] verricht. Er waren totaal ongeveer 27 perforaties, grotendeels het gevolg van schotletsels. Het betrof zowel directe als indirecte schotletsels, al dan niet via het afketsen van kogels dan wel ook door uiteenspattende munitiedelen, losgeschoten autodelen en/of losgeschoten botdelen. Er bevonden zich circa 15 projectiel(delen) in het lichaam. Alle schotletsels en schotkanalen bevonden zich aan de rechterzijde van het lichaam. Als gevolg van de schotverwondingen was massaal bloedverlies en algehele orgaanschade door zuurstofgebrek opgetreden. De patholoog concludeerde: “ [slachtoffer 1] , 27 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen schotverwondingen”. [slachtoffer 3] werd op 31 december 2015 ook in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht behandeld aan zijn verwondingen. Het ging daarbij om een schotwond aan de linkerzijde van de borstkas, een schotwond aan het onderbeen rechts en tot slot een schampwond van een kogel op de bovenzijde van het hoofd. Bij [slachtoffer 2] werden op 31 december 2015 twee huiddefecten in de bilregio waargenomen. Daarbij was sprake van ernstig bloedverlies. Beelden Van de schietpartij zijn camerabeelden beschikbaar, die door de politie zijn bekeken. Op de beelden is te zien dat er om 17:35 uur een donkerkleurige auto, type stationwagen, met dimlicht over de [adres 3] komt aanrijden en op de parkeerplaats van camping [naam 21] parkeert (met de achterzijde richting de dijk). De auto wordt vervolgens, zodra mogelijk, twee keer dichterbij de ingang van de camping geparkeerd. Om 18:14 uur is te zien dat er een lichtgekleurde personenauto stopt voor de slagboom. Het logo van het automerk [merk auto 1] wordt herkend. De bestuurder steekt zijn arm uit in de richting van de detectiepaal. Op dat moment komt vanuit de donkerkleurige personenauto schutter 1 ( [naam 22] ) over de stoep aangerend. De slagboom gaat omhoog en rechtsvoor van de [merk auto 1] komt een capuchon dragende (met bontkraag en verder schoenen met anders gekleurde neuzen) schutter 1 aangerend in de richting van de [merk auto 1] . Schutter 1 schiet vervolgens gericht, op ongeveer een afstand van twee meter, op de [getuige 5] [merk auto 1] in de richting van de bestuurder. Terwijl de slagboom verder omhoog gaat, blijft schutter 1 in de richting van de [merk auto 1] schieten. Rechtsachter schutter 1 is schutter 2 ( [naam 23] met een jas met een horizontale reflecterende streep op borsthoogte) te zien. De [getuige 5] [merk auto 1] rijdt onder de slagboom door, in de richting van de uitgang, terwijl schutter 1 doorgaat met schieten. Wanneer de auto ter hoogte van schutter 2 is, vuurt deze schutter voor de eerste keer in de richting van de [merk auto 1] . Schutter 1 en 2 blijven op de [getuige 5] [merk auto 1] schieten, terwijl het voertuig verder richting de uitgang rijdt. De [merk auto 1] rijdt met hoge snelheid het parkeerterrein van de camping af, links de [adres 3] op in de richting van [plaatsnaam 2] . Op de beelden is gezien (en geteld) dat schutter 1 en 2 allebei meer dan 10 keer hebben gevuurd. Omstreeks 18:15 uur stappen de schutters in een donkerkleurige auto, type stationwagen, en rijden weg richting sporthal de [naam 20] . Camping De politie heeft op 31 december 2015 ter plaatse op de camping aan de [adres 3] , gemeente Maasdriel, nader onderzoek verricht. Voor het bedrijfsgebouw op de camping – waarin de receptie, het eetcafé [naam 24] en de cafetaria [naam 25] zijn gevestigd – langs loopt de toegangsweg naar het campingterrein. Deze toegangsweg is versperd door één slagboom. Bij het onderzoek zijn (in)schotbeschadigingen in het bedrijfsgebouw, waaronder in een ruit die behoorde tot de receptie van de camping en een ruit die behoorde tot de cafetaria (met ook een dergelijke beschadiging in de reclamepop die buiten in de hoek voor cafetaria [naam 25] stond), waargenomen. Op het wegdek van het parkeerterrein zijn verder 17 hulzen aangetroffen. Alle aangetroffen hulzen op de parkeerplaats (AAIP8573NL, - 74NL, -75NL, - 76NL, -77NL, - 78NL, - 79NL, -80NL, -81NL, -82NL, -83NL, -84NL, -85NL, -86NL, -87NL, -88NL, -89NL) en op de tafel – welke al door de beheerder waren opgeveegd en daar waren neergelegd – in de receptie (AAIP8563NL, - 62NL, -61NL, -60NL, -59NL en -58NL) zijn veiliggesteld. [merk auto 2] Op 31 december 2015 is vervolgens omstreeks 18:24 uur een autobrand ter hoogte van de [adres 4] gemeld. Op het moment dat de brandweer arriveert, staat de auto al helemaal in brand. Nadat de brandweer rondom de auto hulzen en kogels vindt, wordt de politie ingeschakeld. Het kenteken van de auto is [kenteken 2] , aldus de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] van de brandweer. De vraag is of dit ook het echte kenteken van de auto betreft en zo ja aan wie deze auto toebehoort. Daartoe is onder meer onderzoek gedaan naar het chassisnummer. Op de rechter schroefveerkoker onder de motorkap is chassisnummer [nummer 4] aangetroffen, een nummer dat behoort bij een personenauto van het merk [merk auto 2] , type [type 1] , kleur zwart met kenteken [kenteken 3] . Dit voertuig staat sinds 23 oktober 2015 als gestolen geregistreerd. Sinds 10 januari 2014 is [naam 26] de eigenaar van dit voertuig. Het kenteken [kenteken 2] hoort, aldus navraag bij het RDW, bij een [merk auto 2] van het type [type 2] , kleur blauw met chassisnummer [nummer 5] en staat sinds 19 april 2015 op naam van [naam 27] . Hieruit volgt dat een gestolen voertuig en valse/van diefstal afkomstige kentekenplaten zijn gebruikt. De politie heeft ook de inhoud van de auto en de omgeving rondom de auto onderzocht. In een straal van ongeveer twintig meter bevonden zich restanten van munitie. Deze munitie bestond uit losse onderdelen (hulzen, kogelpunten en manteldelen) van geëxplodeerde geweerpatronen, wat onder meer kan plaatsvinden in geval van hitte-inwerking zoals bijvoorbeeld door een brand. In het voertuig zelf werden voor de bijrijdersstoel verbrande resten van twee wapens aangetroffen. De wapens (SIN [nummer 6] en [nummer 7]) konden aan de hand van nader onderzoek worden aangemerkt als automatische wapens van het merk [merk 1] , type [type 3] met kaliber 7,62 mm. Vervolgens werd onderzoek gedaan naar een mogelijk verband tussen de schietpartij en de negen minuten later aangetroffen [merk auto 2] in Zaltbommel. Hiervoor is onder meer gekeken naar uiterlijke overeenkomsten tussen foto’s van de [merk auto 2] [type 4] in originele en uitgebrande staat en vervolgens de donkerkleurige personenauto op de camerabeelden van camping [naam 21] . Bij de vergelijking zijn overeenkomsten aangetroffen qua: Merk/Type: [merk auto 2] type 5 serie; Model [model] (stationwagen); Donkerkleurig/zwart carrosserie; Lijn van de koplichten behorende bij het model; Dakrails; Shadowline zijraam lijsten kleur zwart; Derde remlicht in achterruit; GPS antenne op het dak (driehoekige vorm); Naar binnen gebogen achterlichten; Richtingaanwijzer op spatschermen voor; Originele [merk auto 2] lichtmetalen velgen (dubbelspaak). Vervolgens zijn de twee (verbrande) automatische wapens met de aangetroffen hulzen op de camping (en later ook in het lichaam van [slachtoffer 1] ) vergeleken. Bij dit onderzoek zijn naar aanleiding van alle veiliggestelde hulzen twee groepen gevormd, waarbij beide groepen hulzen bestaan uit zowel hulzen van de parkeerplaats als hulzen van de tafel op de camping. Deze hulzen zijn vergeleken met de twee automatische wapens. Het NFI-concludeert dat het meer dan één miljoen keer waarschijnlijker is (rechtbank: hoogste gradatie van het NFI) dat de hulzen uit groep І (AAIP8558NL, -60NL, -61NL, -62NL, -63NL, -81NL, -82NL, -86NL, -87NL, -88NL en -89NL) zijn verschoten met het geweer [nummer 7] dan dat zij zijn verschoten met één of meer vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Hetzelfde geldt vervolgens voor de hulzen van groep ІІ (AAIP8559NL, -73NL, -74NL, -75NL, -76NL, -77NL, -78NL,-79NL, -80NL, -83NL, -84NL en -85NL), waarvan ook wordt geconcludeerd dat het meer dan één miljoen keer waarschijnlijker is (rechtbank: hoogste gradatie van het NFI) dat zij zijn verschoten met het geweer [nummer 6] dan met één of meerdere wapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Verder zijn 12 kogels dan wel delen van munitie uit het lichaam van [slachtoffer 1] veiliggesteld (SIN: [nummer 8]). Daarvan wordt geconcludeerd dat het 10 tot 100 keer waarschijnlijker is dat de kogelmanteldelen ( #8.1 en -#11) zijn afgevuurd uit de loop van het geweer [nummer 7] dan uit het geweer [nummer 6] of een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde kenmerken. Gelet op deze resultaten van het vergelijkend onderzoek in samenhang met de genoemde overeenkomsten tussen de auto op de beelden van de camping en het voertuig aan de [adres 4] , acht de rechtbank bewezen dat deze wapens door de schutters op de camping zijn gebruikt en dat de auto is gebruikt voor de vlucht vanaf de camping naar Zaltbommel. Voorbereiding Zoals overwogen, verbleven de broers [achternaam slachtoffers] pas hooguit drie weken in het chalet op de camping in [plaatsnaam 3] . Het gaat hierbij om chalet [nummer 9] , waarvan de sleutel ook aan de sleutelbos in de [merk auto 1] [type 7] met kenteken [kenteken 1] is aangetroffen. Het chalet ligt aan het water, een eind van het hoofdpad af. Eén van de buurtbewoners noemt de waterscooter van [naam 18] van chalet [nummer 9] . Over het chalet heeft [slachtoffer 3] verklaard dat het moeilijk te vinden is. Je moet echt weten om welk chalet het gaat. [slachtoffer 2] bevestigt dat ze verbleven aan een huisje aan het einde van een pad. Hij verklaart: “het is aan het water ongeveer 300 of 400 meter en dan ga je naar rechts en dan zie je een huisje met een terras”. De [getuige 5] [merk auto 1] hebben ze ook maar maximaal drie weken in hun bezit gehad. Daarvoor is het een [merk auto 3] geweest. De getuige [getuige 3] verklaart dat hij één-twee dagen voor de schietpartij rond 19:00 uur met zijn [merk auto 4] de camping op reed en werd aangesproken door twee Marokkaanse jongens. Eén van de jongens vroeg waar chalet [nummer 10] was. De getuige had geantwoord dat dit ongeveer in het midden was. De andere jongen liep door, de camping af, en riep tegen de jongen die bij de getuige stond dat hij moest opschieten. De jongen gaf vervolgens aan hij weg moest en liep achter hem aan. De jongen die de getuige aan had gesproken, was begin twintig, mager en ongeveer 1.90 meter lang. Verder had hij een licht getinte huidskleur, kort zwart haar, en droeg hij naast donkere kleding een capuchon (zonder verdere kraag) over zijn hoofd. De jongen die door liep, was ook rond de 20 jaar oud. Verder had de jongen een licht getinte huidskleur, donker kort haar, een mager postuur, een lengte van ongeveer 1.80 meter en droeg hij donkere kleding. Chalet [nummer 10] lag net voor het pad dat leidt naar chalet [nummer 9] . Als vanuit het naastgelegen grindpad naar het water werd gelopen, was chalet [nummer 9] goed zichtbaar. Tot slot overweegt de rechtbank dat het chalet een schuiladres was. [naam 167] (rechtbank: [naam 167]) had aangegeven dat hij “die broers” zou gaan pakken. Vanuit de groep van [naam 167] en [naam 29] werden [slachtoffer 3] en zijn broertje [slachtoffer 1] “de [naam 85] ” genoemd. Eerdere bezoeken aan de camping De rechtbank leidt uit dit voorgaande af dat voor wat betreft het achterhalen van de verblijfplaats van de broers [achternaam slachtoffers] een voorbereiding kort voor het feit nodig is geweest. Naast de camerabeelden van 31 december 2015, zijn vervolgens ook de overige camerabeelden bekeken om te onderzoeken of de verdachten dan wel de door hen gebruikte voertuigen, de [merk auto 2] en zoals nog volgt de [merk auto 5] , eerder op de beelden van de camping zijn geregistreerd. Dit heeft geleid tot een beschrijving van vijf bezoeken. Op de beelden van 28 december 2015 (bezoek 1) zijn daarbij de volgende bijzonderheden geconstateerd. Omstreeks 20:38 uur lopen twee onbekende mannen vanaf de [adres 3] richting de ingang van camping [naam 21] . Eén van de personen heeft een capuchon op zijn hoofd en draagt schoenen met verschillende kleuren (persoon 2, [naam 23] ). Deze persoon heeft een vreemd loopje. De andere persoon (persoon 1, [naam 22] ) heeft zijn capuchon met bontkraag niet op zijn hoofd en draagt verder schoenen met anders gekleurde neuzen. Op de hoek van de receptie blijven ze staan. Omstreeks 20:42 uur lopen de twee onbekende personen langs de slagboom in de richting van het campingterrein. Om 20:47 uur rijdt een donkerkleurige [merk auto 4] het terrein op en stopt enkele meters na de slagboom. Omstreeks 20:48 uur is te zien dat de twee onbekende personen het campingterrein af lopen, langs de slagboom, terug in de richting van de parkeerplaats aan de dijk. Gelet op de inhoud van deze beelden in samenhang met de verklaring van de getuige [getuige 3] – in de zin dat hij met zijn [merk auto 4] het terrein is opgereden en vervolgens is gevraagd naar een chalet dichtbij het chalet van de slachtoffers (passend bij een voorbereidend bezoek en waarna de jongens ook snel zijn vertrokken) –, acht de rechtbank bewezen dat de bewoner [getuige 3] getuige is geweest van het laatste deel van het eerste bezoek van de mannen aan de camping. Op 29 december 2015 zijn er meerdere bezoeken waar te nemen, te beginnen met een donkerkleurige personenauto, type stationwagen, die om 03:20-03:21 uur (bezoek 2) over de [adres 3] komt aanrijden uit de richting van Zaltbommel. De auto rijdt het parkeerterrein van camping [naam 21] op en wordt met de achterzijde in de richting van de [adres 3] geparkeerd. Twee onbekende personen stappen uit en lopen via de slagboom het campingterrein op. Wederom gaat het om een persoon met een jas zonder bontkraag (en schoenen met verschillende kleuren, [naam 23] ) en persoon met een jas met bontkraag ( [naam 22] en schoenen met anders gekleurde neuzen). Verder is een op een automatisch vuurwapen gelijkend voorwerp bij [naam 23] te zien. Deze persoon heeft opnieuw een afwijkende manier van lopen. Vervolgens komen de twee onbekende personen om 03:36 uur teruggelopen uit de richting van het campingterrein en stappen in de donkerkleurige personenauto, type stationwagen, die boven aan de [adres 3] rechts in de richting van Zaltbommel rijdt. Later deze dag, om 20:42 uur, is op de beelden waar te nemen dat er twee onbekende personen vanaf de parkeerplaats aan de dijk in de richting van de receptie lopen (bezoek 3). Het betreffen opnieuw twee personen, waarvan één persoon een jas met bontkraag ( [naam 22] ) en de andere persoon een jas zonder bontkraag ( [naam 23] , met verder een afwijkende manier van lopen) draagt. Om 20:53-20:54 uur komen de personen uit de richting van het campingterrein en lopen over de parkeerplaats in de richting van de [adres 3] , waar om 20:55 uur een donkerkleurige stationwagen uit de richting van [plaatsnaam 2] komt rijden en in de richting van Zaltbommel gaat. Het voertuig lijkt op het model en type waarmee de twee verdachten na de schietpartij zijn weggereden. Om 21:30 uur komt vervolgens een donkerkleurige personenauto, type stationwagen, aanrijden over de [adres 3] . De auto komt uit de richting van Zaltbommel, rijdt links het parkeerterrein van camping [naam 21] op en parkeert daar met de achterzijde in de richting van het watersportcentrum. De bestuurder van de donkerkleurige personenauto ( [naam 22] ) en de bijrijder ( [naam 23] ) stappen om 22:11 uur uit de auto. Zij passeren de slagboom en lopen in de richting van het campingterrein. Zij dragen dezelfde kleding als eerder deze avond. Om 22:13 uur komen deze personen uit de richting van het campingterrein teruggelopen en stappen de donkerkleurige personenauto weer in. Om 22:35-22:36 uur gaat het autoportier van de bestuurder open en stapt [naam 22] uit de auto. Deze persoon rent – vermoedelijk met een vuurwapen, model automatisch geweer, in zijn linkerhand – in de richting van een kleine lichtkleurige personenauto, merk [merk auto 6] . Nadat er een auto voorbij is gereden, rent [naam 22] terug naar de donkerkleurige personenauto en stapt weer aan de bestuurderszijde in. Om 23:01 uur en 23:03-23:04 uur herhaalt zich dit, waarbij [naam 22] zich de laatste keer ook achter de [merk auto 6] verbergt tot een bestelauto voorbij is gereden. Om 23:06 uur verlaat de donkerkleurige personenauto de parkeerplaats en gaat rechts boven aan de dijk richting Zaltbommel. De auto die op 29 december 2015 is gebruikt, vertoont grote overeenkomsten met de auto waarmee de twee verdachten na het schietincident zijn weggereden, zijnde de [merk auto 2] met kenteken [kenteken 2] . Gelet op de overeenkomsten voor wat betreft de auto en de kleding in de avond, acht de rechtbank bewezen dat in het tijdvak van 20:42 tot 23:06 uur de camping meermalen door dezelfde personen is bezocht. Op 30 december 2015 zijn de volgende bijzonderheden waargenomen. Omstreeks 19:20 uur komen er twee NN-mannen uit de richting van de campinginrit aan de dijk gelopen. Zij lopen met gebogen hoofd en capuchon langs de slagboom het campingterrein op. Daarbij is te zien dat bij het lopen het linkerbeen van één van de mannen een opvallende “zwabberbeweging” maakt. De man ( [naam 23] ) draait zijn linkervoet bij het neerzetten naar “links buiten” (en draagt weer schoenen met verschillende stoffen/kleuren). Omstreeks 19:29 uur komt een fors gebouwde NN-man het campingterrein afgelopen in de richting van het parkeerterrein, gevolgd door de twee NN-mannen. De mannen verdwijnen uit het zicht tot omstreeks 20:44 uur [naam 23] (met dezelfde kleding) weer uit de richting van de campinginrit aan de dijk, langs de slagboom, het campingterrein oploopt. Deze persoon vertoont grote gelijkenis met één van de twee onbekende personen eerder die avond om 19:20 uur. Tien minuten later (20:54 uur) rent [naam 23] terug, het campingterrein af, in de richting van het parkeerterrein. De rechtbank acht ook hier – mede in samenhang met de nog te volgen reisbewegingen – bewezen dat het gaat om dezelfde persoon die deze avond meermalen op de camping is geweest. Vervolgens is gekeken naar de overeenkomsten van deze personen met de verdachten van de schietpartij op 31 december
  3. Daarbij is het volgende naar voren gekomen: “ [naam 22] (rechtbank: schutter 1) Man ongeveer een halve hoofdlengte groter dan [naam 23] (…) Geschatte lengte tussen de 1,70 meter en 1,95 meter Normale manier van lopen Kort geknipt kapsel, vermoedelijk donkerkleurig haar Op 28 -12, 29-12 's nachts en op 31-12 draagt hij een jas met capuchon met daaraan een bontkraag. (…) Op 28 -12, 29-12 ’s nachts en op 31-12 draagt hij schoenen waarvan de neus anders gekleurd is (…) [naam 23] (rechtbank: schutter 2) Man ongeveer een halve hoofdlengte kleiner dan [naam 22] (…) Geschatte lengte tussen de 1,65 meter en 1,85 meter Afwijkende manier van lopen (…) Op 28 , 29 en 30 december draagt hij een jas met capuchon, zonder bontkraag. (…) Schoenen met verschillende kleuren en/of materiaal (…) Op 31 december draagt hij een jas met een horizontale reflecterende streep op borsthoogte. Deze streep is zowel op de voor- als achterkant waar te nemen (…)”. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een vijftal bezoeken. Het gaat om bezoeken op: 28 december 2015 tussen 20:38 uur en 20:48 uur (bezoek 1); 29 december 2015 tussen 03:20 en 03:36 uur (bezoek 2); 29 december 2015 tussen 20:42 en 23:06 uur (bezoek 3); 30 december 2015 tussen 19:20 en 20:54 uur (bezoek 4 ); 31 december 2015 tussen 17:35 uur en 18:15 uur (bezoek 5). Bij deze bezoeken zijn voor wat betreft het signalement op meerdere dagen overeenkomsten waar te nemen. [merk auto 5] Naast de [merk auto 2] die in ieder geval op 31 december 2015 – en zoals ook nog zal volgen op 29 december 2015 – is gebruikt, is sprake geweest van een tweede voertuig waarmee de verdachten zich vanaf de [adres 4] hebben verplaatst. Om te ontdekken welk voertuig dit is geweest, is onderzocht of de [merk auto 2] met (duplicaat) kenteken [kenteken 2] samen reist met een ander voertuig. Hiertoe zijn de geregistreerde kentekens in de periodes van vijf minuten voor en na de registraties van het kenteken [kenteken 2] opgevraagd. Vervolgens is te zien dat het voertuig met het kenteken [kenteken 4] op 29 december 2015 om 02:21:06 uur en de [merk auto 2] met kenteken [kenteken 2] op 29 december 2015 om 02:21:08 uur dezelfde Vialis camera passeren. Er is sprake van een tussenruimte van twee seconden. Dit geldt vervolgens ook voor de registratie van het kenteken [kenteken 4] op 29 december 2015 om 02:21:08 uur en de registratie van de [merk auto 2] ( [kenteken 2] ) op dezelfde dag om 02:21:10 uur door dezelfde ARS-camera aan de [adres 5] richting de ringweg Noord/A10 (richting zuid oost). Tot slot worden de kentekens [kenteken 4] en [kenteken 2] om 02:21:21 uur en 02:21:24 uur – met een tussenruimte van drie seconden – door dezelfde ARS camera op de oprit A10 vanaf de N247 richting [plaatsnaam 4] geregistreerd. Uit dit voorgaande volgt dat de [merk auto 2] en de [merk auto 5] zich in ieder geval op deze momenten in elkaars onmiddellijke nabijheid bevonden en zich in dezelfde richting verplaatsten, waarbij de beide auto’s tenminste éénmaal van rijrichting veranderen. Het kenteken [kenteken 4] is afgegeven voor een groene [merk auto 5] en heeft in de periode van 19 december 2015 tot en met 5 januari 2016 op naam gestaan van [medeverdachte 1] , wonend aan de [appellant] . Kenmerkend voor dit type voertuig is onder meer dat het derde remlicht aan de bovenkant zit, de achterlichten zich redelijk hoog ten opzichte van het nummerbord bevinden en dat de voorlichten – door de gebolde vorm – enigszins uitstralen naar de zijkant. Hierop zijn vervolgens (nogmaals) de beelden van de camera’s op en rond de in-/uitgang van camping [naam 21] bekeken. Op de camerabeelden is zoals voornoemd onder meer te zien dat op 28 december 2015 omstreeks 20:38 uur twee personen de parkeerplaats van de camping op lopen. Zij komen lopend vanaf de [adres 3] (uit de richting van [plaatsnaam 2] ). Gelet daarop is gekeken naar voertuigen die tussen 20: 28 en 20:38 uur over de [adres 3] zijn gereden. Vervolgens zijn aan de hand van kenmerken van het voornoemde type [merk auto 5] – voornamelijk aan de hand van de positionering van de achterlichten en de reflectoren op de achterbumper – drie voertuigen gezien die grote overeenkomsten vertonen met het model van deze [merk auto 5] . Het gaat om een auto om 20:30:02 uur vanuit de richting Zaltbommel in de richting van [plaatsnaam 2] , een voertuig om 20:32:50 uur – beduidend langzamer rijdend dan het overige verkeer – vanuit de richting [plaatsnaam 2] naar Zaltbommel en tot slot een auto om 20:34:58 uur vanuit Zaltbommel naar [plaatsnaam 2] . De vervolgvraag is of dit ook daadwerkelijk de [merk auto 5] met kenteken [kenteken 4] is geweest. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en verwijst hiertoe naar de reisbewegingen van de auto. Op onder meer 28 december 2015 reizen met de auto mee de telefoonnummers [nummer 11] , [nummer 12] en [nummer 13] . Telefoonnummers ten aanzien waarvan de rechtbank – zoals nog volgt – zal overwegen dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest. De reisbewegingen van deze nummers, het nummer [nummer 14] – zoals nog volgt van [medeverdachte 2] – en tot slot de [merk auto 5] zullen nog nader aan de orde komen. [medeverdachte 1] heeft onder meer verklaard dat hij “de auto (…) die jullie aantonen” (de rechtbank begrijpt onder meer de [merk auto 5] met kenteken [kenteken 4]) in gebruik heeft gehad. Hij verklaart echter ook dat hij de auto in de periode van 28 tot en met 31 december 2015 heeft uitgeleend (p. 4270). Deze alternatieve verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank overweegt hiertoe dat, zoals zal volgen, bij alle bezoeken één of meerdere telefoonnummers van [medeverdachte 1] meereizen met de [merk auto 5] . Daar komt nog bij dat [medeverdachte 1] ook meermalen praat over zijn auto (m’n waggie/wakkie), te beginnen op 25 december 2015: Tapgesprek d.d. 25 december 2015 om 16:35 uur van 6666 ( [naam 30] ) naar [nummer 15] ( [medeverdachte 1] ): “(…) H: ... ik ga naar garage, vriend, m'n waggie is kapot (…) H:...ntv...een kleine ... autootje (praten door elkaar) R: wat dan gewoon zo'n wegwerpding? H: juist, zo'n [type 5] , een beetje die nieuwe, je weet toch R: hee man je moet ééntje halen die je kan weggooien soldier, gewoon wegwerp-tielie je weet toch, zo eentje moet je halen.... H: ja he he he (lacht) R: gewoon weggooie-oes, broer, gewoon uitstapp-oes (fon) weggooie-oes, loesoe, rot op, je weet zelf!(…) H: he maar die ...ntv (klinkt als een naam of 'die ander') mag echt niet weten he, dat snap je toch? R ja ja ja nee ik ga hem bellen ik ga zeggen ja man [naam 31] heeft gedaan man, ben je gek, of zo?! H: nee nee, ben je gek, bek je gek, nou maak je niet druk! (…)”. Via stemherkenning is vastgesteld dat de gebruiker van telefoonnummer [nummer 15] [medeverdachte 1] was, die in dit gesprek dus ook [naam 31] werd genoemd. Vervolgens stuurt [medeverdachte 1] als gebruiker van het account [naam 32] aan de gebruiker van account [naam 16] ( [verdachte] ) – waarbij de rechtbank hierna nog op de identificatie zal ingaan – op 1 januari 2016 de volgende berichten: “19:59:25 [naam 32] Bro met die wakkie weggrijden van mij als vluchtauto is ook fuckingg heet he gaan we nooit meer doen man beter huren en op iemand andere naam gooien ofso (…) 20:53:42 [naam 32] Top broo lovee youu bro echt alleen aan wat ik nu denk bro is me wakkie ze kunnen niks doen toch is geen bewijs dat ik daar ben geweest met me wak neetoch (…)”. Uit al dit voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen dat het niet aannemelijk is dat [medeverdachte 1] de auto heeft uitgeleend – hij heeft immers over “die wakkie van mij” en “me wakkie” en zijn telefoons reizen met de auto mee – , maar ook dat deze [merk auto 5] bij de liquidatie als verkennings- en vluchtauto is gebruikt. Reisbewegingen: Vervolgens zal de rechtbank, zoals aangekondigd, ingaan op de reisbewegingen van onder meer de verschillende telefoonnummers van [medeverdachte 1] en het telefoonnummer [nummer 14] , een telefoonnummer van [medeverdachte 2] . Bij de reisbewegingen zullen ook de PGP-toestellen [naam 6] en [naam 33] worden betrokken, de toestellen – zoals de rechtbank later zal concluderen – van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Bezoek 1: maandag 28 december 2015 (op de camping tussen ongeveer 20:38 en 20:48 uur) Telefoonnummer (eindigend op de laatste vier cijfers)/kenteken Tijd Locatie mast / camera en/of bijzonderheden [nummer 2] ( [naam 6] ) 15:40 uur [adres 6] (thuismast) [nummer 15] 15:44 en 16:00 uur [adres 6] (thuismast) [nummer 16] 17:03 uur [adres 7] (thuismast) [nummer 16] vanaf 17:03 uur Meerdere gesprekken naar een taxibedrijf, waarbij om 16:51 uur een taxi is besteld vanaf de [adres 8] . Om 17:03 uur is door de taxichauffeur gebeld naar het telefoonnummer eindigend op [nummer 16] . De taxichauffeur verklaart dat hij heeft gebeld toen hij het adres niet kon vinden en dat de klant op de kruising van de [adres 109] is uitgestapt. Dit is om 17:25 uur geweest, aldus de rittenstaat. [kenteken 4] 17: 28 - 17:31 uur [adres 10] , zijnde in de richting van centrum Rotterdam/ [adres 109] [nummer 2] ( [naam 6] ) 18:27 uur [adres 12] (bij de A59, de snelweg tussen de A16 en Den Bosch) [nummer 16] 18: 28 uur [adres 13] (bij de A59, de snelweg tussen de A16 en Den Bosch) [nummer 16] gebruikt 7x 19:49 - 20:16 uur [adres 14] op 20:15 en 20:16 uur [nummer 17] 20:12 uur [adres 15] [kenteken 4] 20:15:53 20:17:12 20:17:46 A59 van Den Bosch naar Zevenbergen A59 van Zevenbergen naar Den Bosch A59 oprit naar A2, HMP 139,9 richting Noord West [nummer 2] ( [naam 6] ) 20:31 uur [adres 16] (gemeten tijdens netwerkmeting camping) NN1 en NN2 20:38 - 20.48 uur Camping [naam 21] , Kerkdriel IMSI: [nummer 18] (behorend bij IMEI: [nummer 19] en e-mailadres [naam 33] ) 21:13 uur [adres 17] [nummer 2] ( [naam 6] ) 22:01 uur [adres 16] [naam 34] (in gebruik bij [slachtoffer 1] ) 22:05 uur Verlaten camping [naam 21] [nummer 17] 22:18 uur [adres 18] (aan de snelweg A2 tussen Den Bosch en Eindhoven) [naam 34] ( [slachtoffer 1] ) 7x geregistreerd 22:24 – 23:05 uur [adres 19] . [kenteken 4] 6x geregistreerd 22:26 – 23:14 uur Verschillende locaties op [adres 20] (eerste registratie om 22:25 uur net na de afrit van de snelweg A50) [nummer 16] gebruikt 6 x 22:36 – 22:59 uur Eindhoven [nummer 20] ( [slachtoffer 1] ) 3x 23:04 – 23:05 uur [adres 21] [nummer 2] ( [naam 6] ), [nummer 15] en [kenteken 4] 23:17 uur tot 29-12-2015 om 00:43 uur Reisbeweging van Best (een paar kilometer ten noorden van Eindhoven) via Liempde, Enspijk, Beesd, Utrecht en Oudekerk aan de Amstel naar Amsterdam. [nummer 15] 00:40 uur [adres 22] [kenteken 4] 00:43 uur Registratie Amsterdam op ongeveer 5,2 kilometer van de [adres 23] . [nummer 17] 00:48 uur [adres 24] (afstand camera auto [kenteken 4] om 00:48 uur en deze zendmast bedraagt ongeveer 240 meter). Zowel het telefoonnummer eindigend op [nummer 2] als op [nummer 15] straalt voorafgaand aan bezoek 1 de mast aan de [adres 6] aan. Deze zendmast bevindt zich op ongeveer 530 meter afstand van de woning van [medeverdachte 1] aan de [appellant] . Vervolgens is te zien dat het voertuig met het kenteken [kenteken 4] zich vanaf 17: 28 uur voor het eerst – niet eerder in deze stad geregistreerd – in Rotterdam bevindt ( [adres 25] ) en richting het centrum van Rotterdam rijdt ( [adres 26] ). Vanaf het Stadshouderviaduct is het vervolgens 11 minuten rijden naar de kruising [adres 109] , waar [medeverdachte 2] omstreeks 17:25 uur ook uit de taxi is gestapt. Vervolgens worden door de telefoons met de nummers eindigend op [nummer 2] ( [medeverdachte 1] ) en [nummer 16] ( [medeverdachte 2] ) telefoonmasten aangestraald die dichtbij elkaar liggen, zoals Oosterhout om 18:27 uur (nummer [nummer 2] ) en Raamsdonkveer om 18: 28 uur (nummer [nummer 16] ) op hemelsbreed 3,2 kilometer afstand. Vervolgens is het voertuig met kenteken [kenteken 4] om 20:15:53, 20:17:12 en 20:17:46 uur vlakbij de afrit 48 op de A59 en het knooppunt Hintham (snelwegen A59 en A2) geregistreerd. Deze camera’s bevinden zich op vier kilometer afstand van de zendmasten aan de [adres 28] en [adres 29] , waarvan het telefoonnummer eindigend op [nummer 17] (van [medeverdachte 1] ) om 20:12 uur gebruik gemaakt heeft. Voor wat betreft het telefoonnummer eindigend op [nummer 16] , straalt de telefoon om 20:15 en 20:16 uur een mast aan op ongeveer 200 meter afstand van de camera waarmee de auto met het kenteken [kenteken 4] om 20:17:46 uur is geregistreerd. De afstand van deze camera naar de camping in Kerkdriel bedraagt daarna ongeveer 13,6 kilometer, zijnde dertien minuten rijden. Vervolgens straalt het telefoonnummer eindigend op [nummer 2] ( [medeverdachte 1] ) na bijna veertien minuten de mast aan de [adres 52] – welke ook vanuit de camping wordt gebruikt – aan, waarna vervolgens zeven minuten later het eerste bezoek op de camerabeelden is te zien. Tijdens dit bezoek straalt verder de PGP-telefoon met e-mailaccount [naam 33] (en bijbehorend IMSI-nummer [nummer 18] en IMEI-nummer [nummer 21] ) – zoals nog aan de orde komt te relateren aan [medeverdachte 2] – de mast aan de [straatnaam 1] in Kerkdriel aan. De afstand van deze zendmast tot de zendmast aan de [adres 30] is hemelsbreed ongeveer 260 meter. De afstand van de mast aan de [adres 30] tot de ingang van de camping bedraagt hemelsbreed ongeveer 530 meter. Na 22:02 uur is aan de hand van de door de telefoonnummers [nummer 15] , [nummer 16] en [nummer 17] – de telefoonnummers van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – en tot slot de registraties van kenteken [kenteken 4] een reisbeweging naar Eindhoven te zien. Zo straalt bijvoorbeeld de telefoon van [medeverdachte 1] ( [nummer 17] ) om 22:18 uur de mast in Boxtel – op de snelweg van Den Bosch naar Eindhoven – aan en wordt vervolgens de [merk auto 5] ongeveer acht minuten – en 15, 4 kilometer – later (net als ook de auto van [slachtoffer 1] ) in Eindhoven geregistreerd. Vervolgens wordt vanaf 22:36 uur ook door de telefoon van [medeverdachte 2] zesmaal gebruik gemaakt van een mast in Eindhoven. Gelet op al dit voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 28 december 2015 samen – waarbij ook het aanstralen van de PGP-telefoon van [medeverdachte 2] past in de reisbewegingen – met de [merk auto 5] in de richting van Kerkdriel en daarna naar Eindhoven zijn gereisd. Nu verder de [merk auto 5] om 20:17 uur op een afstand van 13 minuten van de camping is geregistreerd, vervolgens vanaf 20:30 uur driemaal een auto wordt gezien met de kenmerken van dit specifieke type [merk auto 5] en tot slot de telefoon van [medeverdachte 1] om 20:31 uur ook gebruik gemaakt van de mast aan de [straatnaam 2] in Kerkdriel, acht de rechtbank bewezen dat niet alleen de telefoons met de gebruikers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maar ook dat de [merk auto 5] omstreeks het tijdstip van het eerste bezoek bij/op de camping is geweest. Bezoek 2: 29 december 2015 (op de camping tussen ongeveer 03:20 uur en 03:36 uur) Telefoon/kenteken Tijd Locatie mast / camera [kenteken 4] Vanaf 00:43 tot 02:01:06 uur Registraties in Amsterdam [kenteken 4] 02:21:06 uur Afrit [straatnaam 16] , Amsterdam (richting NO) [kenteken 2] 02:21:08 uur Afrit [straatnaam 16] , Amsterdam (richting NO) [kenteken 4] 02:21:08 uur Oprit A10 vanaf N247 richting [plaatsnaam 4] [kenteken 2] 02:21:10 uur Oprit A10 vanaf N247 richting [plaatsnaam 4] [kenteken 4] 02:21:21 uur ASR-camera 169-A [kenteken 2] 02:21:24 uur ASR-camera 169-A [kenteken 2] 02:23 uur Amsterdam, Ringweg Oost/A10 NN1 en NN2 03.20 - 03.36 uur Camping [naam 21] , Kerkdriel [nummer 2] ( [naam 6] ) 03:40 uur [adres 31] (gemeten tijdens netwerkmeting camping) [kenteken 4]

(3x)04:33 - 04:45 uur [adres 32] [nummer 15] 04:45 uur [adres 33] [nummer 15] 04:45 - 05:43 uur Verplaatsing van Capelle aan den IJssel naar Amsterdam [kenteken 4] 05:24 uur Bekeurd op de Autosnelweg A2 (Baambrugge), bekeuring betaald door ouders [medeverdachte 1] [kenteken 4] Vanaf 05:30 uur Registraties in Amsterdam [nummer 17] 05:52 uur [adres 34] (220 meter van de woning van [medeverdachte 1] ). [nummer 2] 06:48 uur [adres 35] (530 meter van de woning van [medeverdachte 1] ). Bij dit bezoek komt de [merk auto 2] met kenteken [kenteken 2] – welke kort na de liquidatie brandend is aangetroffen – in beeld. Zoals overwogen worden de [merk auto 2] en [merk auto 5] vervolgens driemaal in elkaars nabijheid (binnen twee tot drie seconden na elkaar op dezelfde locatie) gezien. Vervolgens vindt 57 minuten later het tweede bezoek aan de camping plaats, waarbij de telefoon van [medeverdachte 1] ( [nummer 2] ) ook omstreeks dit bezoek (03:40 uur) een mast aanstraalt die vanuit de camping wordt gebruikt. Vervolgens is zowel via de registraties van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ( [nummer 15] ) als via het kenteken [kenteken 4] (ook op naam van [medeverdachte 1] ) een beweging via Capelle aan den IJssel naar Amsterdam waar te nemen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij in deze periode in de woning aan de [adres 36] sliep. Er is, aldus de verbalisanten, ruimte geweest om tussen de registraties van het kenteken [kenteken 4] in Capelle aan den IJssel langs de [straatnaam 3] te rijden. De rechtbank overweegt dat na het eerste bezoek niet is gebleken van registraties van het telefoonnummer [nummer 16] dan wel van de PGP-telefoon van [medeverdachte 2] onderweg naar dan wel in Capelle aan den IJssel. De verklaring van [medeverdachte 2] hiervoor – een niet goed werkende telefoon met nummer [nummer 16] (en verder het nemen van een taxi) – acht de rechtbank alleen al in verband met het vanaf Rotterdam meereizen met de telefoons van [medeverdachte 1] en de [merk auto 5] niet aannemelijk geworden. Zij acht bewezen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen, met behulp van de [merk auto 5] , hebben gereisd. Uit de historische gegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] en de registraties van het kenteken [kenteken 4] volgt vervolgens dat zij na het eerste bezoek zijn teruggekeerd naar Amsterdam en daar tot omstreeks 02:01 uur zijn gebleven. Daarna vindt er, opnieuw rondom het tijdstip van een bezoek, een reisbeweging naar Kerkdriel plaats, waar de telefoon van [medeverdachte 1] ook omstreeks dit tijdstip gebruik maakt van een mast. Hierna volgt zoals genoemd, via Capelle aan den IJssel, een reisbeweging naar Amsterdam. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit laatste punt dat de route van Kerkdriel ( [adres 3] ) via Capelle aan den IJssel naar Amsterdam ( [straatnaam 4] ) ruim vijftig minuten langer in beslag neemt (bron: Google maps) dan de rechtstreekse route van de camping naar de woning van [medeverdachte 1] . Gelet op al dit voorgaande, in onderlinge samenhang en in samenhang met de genoemde overeenkomsten in de signalementen, zal de rechtbank tot haar uitgangspunt nemen dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] hier alsnog na het tweede bezoek aan de camping thuis heeft afgezet. Bezoek 3: 29 december 2015 (op de camping tussen 20:42 en 23:06 uur) Telefoon/kenteken Tijd Locatie mast / camera [nummer 16] , 3 x contact 18:00 - 18:09 uur [adres 37] [nummer 16] 18:11 - 18:25 uur Reisbeweging naar Delfgauw, Rijswijk en Den Hoorn [nummer 2] ( [naam 6] ) 18:09 uur [adres 6] (op 530 meter afstand van de woning van [medeverdachte 1] ) [nummer 15] 17:48, 18:18 uur [adres 6] 36PTNH 18:23 uur Nieuw Leeuwardenweg in Amsterdam (Noord), richting IJtunnel [nummer 15]
(3x)18:26 -18:29 uur [adres 38] NL601NGB0749424141 18:39 uur Pinbetaling bankrekening [medeverdachte 1] bij tankstation [adres 39] [nummer 15] 18:41-19.23 uur Reisbeweging van Amsterdam naar Delft (Hoofddorp, Hoogmade, Zoeterwoude, Den Haag, Rijswijk en tot slot Delft). Past bij een reisbeweging over de A4 en A13. [kenteken 4] 19:23 uur Kruithuisweg in Delft (iets ten westen van afrit A13) [kenteken 4] 19:26 uur Oprit A13 richting Rotterdam [nummer 15] 3x 19:27-19:32 uur [adres 40] in Delft [nummer 15] 7x 19:33-19.39 uur Masten in Rotterdam [nummer 2] ( [naam 6] ) 20:35 uur [adres 41] (gemeten tijdens netwerkmeting plaats delict) [nummer 15] 20:40 uur Voicemail, toestel mogelijk uitgeschakeld. NN1 en NN2 20:42 - 23:06 uur Camping [naam 21] . [nummer 2] ( [naam 6] ) 21:26 uur [adres 16] (gemeten tijdens netwerkmeting plaats delict) [nummer 16] 21:40 en 21:41 uur [adres 42] (uit - en ingaand SMS-bericht van/aan [naam 35] ) [nummer 2] ( [naam 6] ) 23:09 uur [adres 41] (gemeten tijdens netwerkmeting plaats delict). [nummer 15] 30-12-2015, vanaf 00:33 - 01:13 uur Reisbeweging vanaf Enspijk naar Capelle aan den IJssel (Enspijk, Sliedrecht en Capelle aan den IJssel, met drie contacten met [naam 35] ). [nummer 15] 00:48 uur Hardinxveld-Giessendam [kenteken 4] 01:08 uur Bekeurd op de [straatnaam 5] (ter hoogte van perceel 399) te Capelle aan den IJssel, betaald vanaf de rekening van de ouders van [medeverdachte 1] . [nummer 2] ( [naam 6] ) 01:09 uur Hardinxveld-Giessendam [nummer 15] 01:13 uur [adres 43] (gesprek met [naam 35] ) [kenteken 4] 01:21 uur [adres 44] [nummer 16] 01:50 - 03:23 uur [adres 7] (thuismast), contacten met [naam 62] en [naam 35] . [nummer 15] 01:46 - 02:27 uur Reisbeweging via Utrecht naar Amsterdam (Utrecht, Vinkeveen en Amsterdam). [nummer 52] 01:58 uur Pinbetaling bankrekening [medeverdachte 1] [naam 36] , A2, Breukelen. [nummer 15] 01:13-02:27 uur Reisbeweging van Capelle a.d. IJssel via Utrecht naar [adres 45] (thuismast). [kenteken 4] 02:15 en 02:16 uur Ringweg Noord A10 en de [adres 5] (passend bij een route over de A20, A12 en A2 van Capelle naar Amsterdam) [nummer 15] 02:27 uur [adres 6] (530 meter van de woning van [medeverdachte 1] ) [nummer 2] ( [naam 6] ) 03:09, 05:09 en 07:09 uur. [adres 46] (aan de A2 tussen Breukelen en Vinkeveen) [nummer 2] ( [naam 6] ) 07:53 uur [adres 6] [nummer 17] 01:04 en 03:50 uur [adres 47] (niet meegereisd). Uit het voorgaande volgt dat de telefoon met het nummer eindigend op [nummer 2] ( [naam 6] ) rond 18:09 uur de thuismast aanstraalt en zowel voor (zeven minuten ervoor), tijdens als na het derde bezoek (drie minuten erna) masten gebruikt die binnen de netwerkmeting van de camping naar voren zijn gekomen. De telefoon met nummer [nummer 15] straalt om 17:48 uur en 18:18 uur de thuismast in Amsterdam aan en reist daarna via Delft naar Rotterdam. Om 18:39 uur vindt een pinbetaling plaats van de bankrekening van [medeverdachte 1] bij tankstation [adres 39] . Om 20:40 uur is het telefoontoestel met nummer [nummer 15] mogelijk uitgeschakeld. Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte 1] tussen ongeveer 18:23 uur en 20:35 uur met de [merk auto 5] vanaf Amsterdam via Delft/Rotterdam naar camping [naam 21] is gereisd. Op grond van al dit voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat in ieder geval [medeverdachte 1] , als gebruiker van de PGP-telefoon ( [naam 6] ), omstreeks het tijdstip van het derde bezoek op de camping is geweest. Gelet op de voorgaande reisbewegingen, waarbij in de nacht van 29 december 2015 de [merk auto 2] (samen met de [merk auto 5] ) is gesignaleerd en waarbij bij het bezoek aan de camping in de avond ook meermalen een donkerkleurige stationwagen – met grote overeenkomsten met de auto op 31 december 2015 op de camerabeelden – is gezien, acht de rechtbank bewezen dat bij dit derde bezoek gebruik is gemaakt van de [merk auto 2] . Bezoek 4 : 30 december 2015 (op de camping tussen 19:20 en 20:54 uur) Telefoon/kenteken Tijd Locatie mast / camera [nummer 15] 14:46 uur [adres 48] [nummer 15] Vanaf 15:06 uur Geen contacten met een mast tot 21:58 uur [nummer 2] ( [naam 6] ) 15:15 - 16:45 uur 6 contacten met thuismast, [adres 49] [kenteken 4] 17:23 uur Vialis camera, de nieuwe Leeuwardenweg, Amsterdam [nummer 16] , 14 x contact 15:24 - 16:57 uur [straatnaam 3] 5, Capelle aan den IJssel (thuismast) [nummer 16] 17:41 - 18:05 uur Reisbeweging via Rotterdam naar Delft ( [adres 50] en vervolgens tweemaal [adres 51] ). Vervolgens geen registraties meer tot 21:42 uur [nummer 2] ( [naam 6] ) 19:15 uur [adres 52] (tijdens netwerkmeting gemeten) NN1 en NN2 19:20 - 20:55 uur Camping [naam 21] [nummer 2] ( [naam 6] ) 19:38 en 20:41 uur Contact met masten aan [adres 41] en de [adres 52] (gemeten in netwerkmetingen bij de camping). [nummer 16] 21:42 uur Vanaf dit tijdstip een reisbeweging van Herwijnen naar Capelle aan den IJssel, eerste mast: [adres 53] . [nummer 16]
(2x)21:44 uur [adres 54] [nummer 16] 21:49 uur [adres 55] [nummer 16] 3x 21:55, 21:56 en 22:00 uur Rijksweg A15, Hardinxveld-Giessendam (beweging van mast eindigend op 485 naar 487) [nummer 15] 3x 21:58 - 21:59 uur Rijksweg A15, Hardinxveld-Giessendam (beweging van mast eindigend op 485 naar 487) [nummer 16] 22:04 uur [adres 56] [nummer 16] 22:15 uur [adres 57] [nummer 16] 22:16 uur [adres 58] [nummer 16] 2x 22:16 en 22:17 uur [adres 59] [nummer 16] 22:19 uur [adres 60] [kenteken 4] 22:19 uur [straatnaam 5] in Capelle aan den IJssel [nummer 16] 22:20 uur [adres 61] [nummer 16] 2x 22:25 - 22:26 uur [adres 33] [nummer 16] Vanaf 22:26 uur (onder meer ook 22:30 uur) [straatnaam 3] 5, Capelle aan den IJssel (thuismast) [nummer 15] 22:30 uur [adres 7] [nummer 15] 22:31 uur [adres 33] (uitgaand gesprek naar de moeder van [medeverdachte 1] ) [kenteken 4] 22:33 - 22:35 uur [adres 62] . [kenteken 4] 22:40 uur Capelle aan den IJssel, oprit A16 (vanaf [straatnaam 6] ), vervolgens drie seconden later op [adres 63] . [kenteken 4] 22:57 uur Den Haag, Oprit A4 vanaf A12 [kenteken 4] 22:58 uur [adres 64] [nummer 15] 23:05 uur [adres 65] [nummer 15] 23: 28 uur [adres 66] [kenteken 4] 23:32 uur [adres 67] [nummer 2] ( [naam 6] ) 31-12-15, vanaf 02:42 uur-03.36 uur 3 contacten via de mast aan de [adres 6] (op 530 meter afstand van de woning van [medeverdachte 1] ). Om 03:56 uur wordt ook contact gemaakt met een mast, maar hiervan zijn geen gegevens bekend [nummer 15] 03:58 uur [adres 68] Uit het voorgaande volgt dat het PGP-toestel van [medeverdachte 1] ( [nummer 2] ) zowel voor als tijdens het bezoek (tweemaal) masten heeft aangestraald, die vanuit de camping worden gebruikt. De toestellen [nummer 15] (vanaf 15:06 uur) en [nummer 16] (vanaf 18:05 uur) zijn op dit moment van de radar verdwenen en maken pas vanaf 21:42 en 21:58 uur weer gebruik van masten. Wat opvalt, is dat de eerste masten (485 en 487 in Hardinxveld-Giessendam) die de telefoon met het nummer eindigend op [nummer 15] gebruikt dezelfde masten zijn als van het nummer eindigend op [nummer 16] (om 21:55, 21:56 en 22:00 uur). Daarbij is ook dezelfde beweging van oost naar west te zien. Vervolgens vindt ook een verdere beweging naar het westen plaats, namelijk naar Rotterdam en Capelle aan den IJssel, waar vervolgens niet alleen de [merk auto 5] meermalen (waaronder wederom aan de [straatnaam 5] en de [straatnaam 6] ) wordt geregistreerd, maar ook de telefoons eindigend op de nummers [nummer 15] en [nummer 16] op hetzelfde tijdstip de mast aan de [straatnaam 3] 4 in Capelle aan den IJssel (thuismast [medeverdachte 2] ) aanstralen. Binnen de registraties van de [merk auto 5] (om 22:19 uur en 22:33 uur) is er ruimte geweest om langs de [straatnaam 3] in Capelle aan den IJssel te rijden. Uit dit voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank – na een bezoek aan de camping waar de PGP-telefoon van [medeverdachte 1] ook voor en tijdens het bezoek masten in Kerkdriel en Velddriel aanstraalt – opnieuw dat sprake is geweest van een samen reizen van de gebruikers van de telefoonnummers eindigend op [nummer 15] ( [medeverdachte 1] ) en [nummer 16] ( [medeverdachte 2] ) in combinatie met de [merk auto 5] . De dag wordt vervolgens afgesloten met een reisbeweging naar Amsterdam, waar de toestellen eindigend op [nummer 2] (eerstvolgend na Kerkdriel) en [nummer 15] , aansluitend op elkaar de thuismast van [medeverdachte 1] gebruiken. Gelet op de gezamenlijke reisbewegingen van telefoonnummer [nummer 16] ( [medeverdachte 2] ) samen met de telefoon eindigend op nummer [nummer 15] ( [medeverdachte 1] ) en de [merk auto 5] in samenhang met het daarvoor door toestel [nummer 2] ( [naam 6] ) tussentijds (voor en tijdens het bezoek) aanstralen van masten in de nabijheid van de camping en tot de slot het (gezamenlijke) gebruik van masten die naar het oordeel van de rechtbank passen bij een route vanaf de camping naar Capelle aan den IJssel, acht de rechtbank niet alleen bewezen dat de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen hebben gereisd maar ook dat daar een gezamenlijk bezoek aan de camping aan vooraf is gegaan. Bezoek 5: 31 december 2015 (op de camping tussen 17:35 uur en 18:15 uur) Telefoon/kenteken Tijd Locatie mast / camera [nummer 16] 12:27, 13:19 uur [adres 69] [nummer 15]
(4x)12:55-13:23 uur [adres 68] (thuismast) [nummer 2] (gb16) 13:02-13:15 uur [adres 70] [nummer 16] (20
  1. x)13:23-15:14 uur Masten in Rotterdam [kenteken 4] 14:56 uur [adres 5] [nummer 15] 13:57-15:02 uur [adres 71] , met om 15:01 en 15:02 uur uit -en inkomende gesprekken met/van de moeder van [medeverdachte 1] [nummer 16] 15:19-15:36 uur Reisbeweging via Delft naar Den Haag, masten aangestraald aan de [adres 40] Delft, [adres 72] (15:29 uur), [adres 73] (bij centraal station Den Haag). [nummer 2] 15:34 uur [adres 78] [nummer 2] Vanaf 15:34 uur Reisbeweging, waarbij enkel van het aanstralen om 15:46 uur mastgegevens bekend zijn ( [adres 74] , vlakbij de A4 van Amsterdam naar Den Haag). [nummer 15] 15:47 uur Geen contact met een telecomnetwerk [nummer 16] 16:06, 17:08 uur Geen contact met een telecomnetwerk [nummer 2] ( [naam 6] ) 17:33 uur [adres 30] Kerkdriel (gemeten binnen netwerkmeting plaats delict) IMEI: [nummer 19] en IMSI: [nummer 18] ( [naam 33] ) 17:33 uur [adres 30] Kerkdriel Auto schutters (donkerkleurige stationwagen) 17:35 uur De auto rijdt, aldus de camerabeelden, de camping op en wordt vervolgens met de achterkant naar de dijk geparkeerd. [nummer 16] 17:37 en 17:52 uur Geen contact met een telecomnetwerk [nummer 15] 17:47 uur Geen contact met een telecomnetwerk Auto schutters (donkerkleurige stationwagen) 18:15 uur Verlaat de camping en gaat vervolgens rechts de dijk op, richting Sporthal de [naam 20] . [merk auto 2] 18:24 uur Melding brandende auto aan de [adres 4] [nummer 16] 18:40 -19:32 uur Reisbeweging van Schelluinen naar Rotterdam/Capelle aan den IJssel, via [adres 75] en vervolgens vanaf 18:53 uur diverse masten in Rotterdam (en één mast aan de [adres 76] om 18:55 uur). Hierbij 1 inkomend SMS-bericht om 19:09 uur van telefoonnummer [nummer 15] ( [medeverdachte 1] ) via de mast [adres 77] (voorafgaand aan deze registratie en daarna, onder meer ook om 19:11 uur aan de [straatnaam 7] ). Betreffen diverse in -en uitgaande gesprekken van/naar [naam 35] . [kenteken 4] 5x 18:56-19:00 uur [straatnaam 6] in Capelle aan den IJssel, [straatnaam 8] in Rotterdam (3
  2. x)en de Jacques Dutilhweg. [nummer 15] 19:09 uur Uitgaand SMS-bericht naar het nummer [nummer 16] via de zendmast [straatnaam 7] , Rotterdam (eerste contact [nummer 15] en [nummer 16] ). [nummer 15] 5 x 19:44-19:58 uur Masten aan de [adres 82] (om 19:44 uur een uitgaand gesprek naar [nummer 16] , 19:54 uur en 19:58 uur), de [adres 80] (19:46 en 19:58 uur). [nummer 16] 19:44-20:15 uur Masten aan de [adres 82] om 19:46 uur, [adres 81] om 20:06 uur en aan de [adres 40] in Delft om 20:15 uur (bij inkomend gesprek van telefoonnummer [nummer 15] om 19:44 uur is geen mast bekend). [nummer 15] vanaf 20:20 uur Reisbeweging via Schiphol (20:20 uur), Badhoevedorp (20:21 uur) naar Amsterdam (22:43 uur). [nummer 16] 20:26 - 21:04 uur Reisbeweging naar Rotterdam en Capelle aan den IJssel (mast [straatnaam 3] 5, thuismast). Uit het voorgaande volgt dat de telefoons met de nummers eindigend op [nummer 15] en [nummer 16] vanaf 15:47 uur ( [nummer 15] ) en 16:06 uur ( [nummer 16] ) geen contact meer maken met een telecomnetwerk, wat erop duidt dat de toestellen zijn uitgeschakeld. Na het bezoek aan de camping maken de telefoons weer gebruik van masten, namelijk vanaf 18:40 uur ( [nummer 16] ) en 19:09 uur ( [nummer 15] ), waarbij dit eerste contact van het telefoonnummer eindigend op [nummer 15] met het nummer [nummer 16] is. Zij stralen hierbij ook omstreeks hetzelfde tijdstip dezelfde mast in Rotterdam aan ( [straatnaam 7] ). Verder is niet alleen te zien dat de telefoons in Rotterdam aanstralen (en de telefoon met nummer [nummer 16] binnen dit tijdvak eenmaal in Capelle aan den IJssel), maar ook dat de [merk auto 5] zich vanaf 18:56 uur in Capelle aan den IJssel en Rotterdam bevindt. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij tegelijk, samen, met [medeverdachte 1] in Rotterdam ( [straatnaam 9] ) is geweest en zij samen naar Delft zijn gereisd. [medeverdachte 1] heeft daar de [merk auto 7] laten staan. Om 19:44 uur stralen ze opnieuw omstreeks hetzelfde tijdstip de mast aan de [adres 82] aan. Hierna lopen de reisbewegingen uiteen, naar Amsterdam en Capelle aan den IJssel, zoals overwogen de woonplaatsen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Naast deze reisbewegingen die na het bezoek duiden op het (gedeeltelijk) samen reizen van de telefoonnummers eindigend op [nummer 15] ( [medeverdachte 1] ) en [nummer 16] ( [medeverdachte 2] ) met de [merk auto 5] tot Delft, is er het gebruik door de PGP-telefoons [naam 6] en [naam 33] van de mast aan de [adres 52] , van welke telefoons de rechtbank ook zal concluderen dat deze aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toebehoren. Deze telefoons maken, slechts twee minuten – op precies hetzelfde tijdstip – voordat de auto van de schutters op de camerabeelden van de camping is te zien, gebruik van de mast die (ook) vanuit de camping wordt aangestraald. Dit duidt daarmee op gezamenlijke aanwezigheid op de camping omstreeks het tijdstip dat de schutters op de camping arriveren. De rechtbank zal later nog terugkomen op de inhoud van de berichten tussen onder meer de PGP-telefoons met de e-mailadressen [naam 6] en [naam 33] . Conclusies Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende uit de reisbewegingen worden geconcludeerd dat: de gebruikers van de telefoons, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op 28 december 2015 met behulp van de [merk auto 5] samen naar Kerkdriel zijn gereisd en daar omstreeks het tijdstip van het eerste bezoek allebei op de camping zijn geweest; [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een paar uur later op 29 december 2015 (’s nachts) wederom samen naar Kerkdriel afreizen en daar – gelet op de registratie van de telefoon van [medeverdachte 1] – opnieuw de camping hebben bezocht; in ieder geval de gebruiker van de PGP-telefoon met account [naam 6] , [medeverdachte 1] , zowel voor, tijdens als enkele minuten na het tijdstip van het derde bezoek op de camping aanwezig is geweest; bij bezoek 4 de gebruikers van de telefoons, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , opnieuw samen hebben gereisd en omstreeks het tijdstip van het bezoek (vanaf vijf minuten ervoor) de camping hebben bezocht; en de gebruikers van de PGP-telefoons, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , omstreeks het tijdstip van aankomst van de schutters opnieuw op de camping aanwezig zijn geweest en tot slot (gedeeltelijk) samen terug reizen. Signalementen Uit het voorgaande volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de dagen voorafgaand aan de schietpartij en op de dag van de schietpartij zelf omstreeks de tijdstippen van de bezoeken op de camping zijn geweest. Zoals overwogen, is ook naar de camerabeelden van deze bezoeken gekeken, waarbij ook voor wat betreft de signalementen van de bezoekers op de verschillende dagen overeenkomsten zijn waar te nemen. Daarmee duiden niet alleen de reisbewegingen maar ook deze overeenkomsten op het door dezelfde personen bezoeken van de camping. De vervolgvraag is of [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] passen in deze signalementen en de beschrijving van de getuige [getuige 3] van de mannen tijdens het eerste bezoek. De signalementen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn als volgt: [medeverdachte 1] : een manpersoon met een Noord-Afrikaans/Arabisch uiterlijk; destijds 21 jaar; tenger postuur; lengte 1.79 centimeter kort zwart haar; zwarte/bruine ogen. [medeverdachte 2] ; een manspersoon met een Noord-Afrikaans/Arabisch uiterlijk; destijds 25 jaar; Breed/krachtig postuur; Lengte 1.85 centimeter; Kort/zwart haar; Zwarte/bruine ogen. Voor wat betreft [medeverdachte 1] is verder van belang dat hij in december 2015 mank liep. De getuige [getuige 4] van de reclassering heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zich vanaf 17 december 2015 met deze klacht afmeldde. Het was alsof hij door zijn been zakte, aldus de getuige die [medeverdachte 1] ook zelf op 24 december 2015 mank zag lopen. Gelet op al dit voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] passen in de beschrijvingen van de mannen tijdens de bezoeken – waarbij ook een verschil van lengte tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bestaat en [medeverdachte 1] in deze periode een afwijkende manier van lopen had (zoals schutter 2/ [naam 23] tijdens alle bezoeken) – en de signalementen zoals door de getuige [getuige 3] genoemd. PGP-telefoons Naast onder meer de camerabeelden en reisbewegingen – naar aanleiding waarvan het onderzoek naar de eerste PGP-telefoon met account [naam 6] is gestart –, spelen in deze zaak verder de ontsleutelde berichten van dit account en de accounts die in het onderzoek verder naar voren zijn gekomen een rol. Naar aanleiding van deze berichten is in relatie tot [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook de verdachte [verdachte] in beeld gekomen. Het gaat in onderzoek Bosnië om de accounts: [naam 32] , [naam 33] , [naam 37] , [naam 16] en [naam 15] (proces-verbaal Ennetcom, p. 7442 e.v.). Voorafgaand aan de bespreking van de inhoud van deze berichten zal worden ingegaan op de identificatie van de gebruikers van deze accounts. Identificatie van de Ennetcom-accounts De accounts van [medeverdachte 1] ( [naam 6] en [naam 32] ) [medeverdachte 1] erkent dat hij de telefoons met de telefoonnummers eindigend op [nummer 15] , [nummer 17] en [nummer 2] in gebruik had. Aan het telefoonnummer [nummer 2] is een Ennetcom-account gekoppeld met bijbehorend e-mailadres [e-mailadres 1] (hierna te noemen: [naam 6]). De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van Ennetcom-account [naam 6] en dat alle e-mailberichten met betrekking tot dit account aan [medeverdachte 1] zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [naam 6] aanduiden als [medeverdachte 1] . Ennetcom e-mailadres [e-mailadres 2] (hierna: [naam 32] ) Op 31 december 2015 is het Ennetcom-account [naam 6] van [medeverdachte 1] voor het laatst gebruikt. [medeverdachte 1] wordt door anderen in hun accounts opgeslagen onder de contactnaam ‘ [naam 38] ’
(2x), ‘ [naam 39] ’
(3x), ‘ [naam 40] ’, ‘ [naam 38] ’, ‘ [naam 41] ’, ‘ [naam 42] ’, ‘ [naam 43] ’ en ‘ [naam 44] ’. Vanaf 1 januari 2016 zijn e-mailberichten van en naar het Ennetcom-account met e-mailadres [e-mailadres 2] (hierna te noemen: [naam 32]) beschikbaar en wordt [naam 32] ook in andere accounts opgeslagen. De contactnamen waaronder dit is gebeurd zijn ‘ [naam 45] ’, ‘ [naam 46] ’, ‘ [naam 38] ’, ‘ [naam 39] ’
(2x), ‘ [naam 47] ’, ‘ [naam 40] ’, ‘ [naam 48] ’, ‘ [naam 43] ’, ‘ [naam 49] .’, ‘ [naam 50] ’, ‘ [naam 51] ’, ‘ [naam 52] ’, ‘ [naam 42] ’ en ‘ [naam 53] ’. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit er op dat het account [naam 32] de opvolger is van de [naam 6] , in gebruik bij [medeverdachte 1] . De vraag is dus of [medeverdachte 1] ook de gebruiker is geweest van de [naam 32] . De rechtbank overweegt hierover als volgt. De bijnamen ‘ [naam 54] ’ en ‘ [naam 51] ’ De bijnaam ‘ [naam 54] ’ of varianten daarop wordt – zoals hiervoor vermeld – door anderen toegeschreven aan [medeverdachte 1] . Ook in het herkenningsdienstsysteem van de politie staat als bijnaam van [medeverdachte 1] ‘ [naam 54] ’ vermeld. De bijnaam ‘ [naam 51] ’ en varianten daarop komen voor het eerst voor in de [naam 32] . Volgens [medeverdachte 2] wordt [medeverdachte 1] ‘ [naam 51] ’ genoemd. In een gesprek tussen hen noemt [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] ‘groot hoofd’, waarop [medeverdachte 1] antwoordt ‘nou eh groot hoofd de tweede’. Op 25 december 2015 geeft [naam 55] het telefoonnummer van [medeverdachte 1] door en vermeldt daarbij ‘is nummer van [naam 31] ’. Op 20 mei 2016 wordt [medeverdachte 1] gebeld door een onbekende man. [naam 56] neemt ook deel aan dit gesprek met een ander telefoonnummer en hij noemt [medeverdachte 1] ‘ [naam 51] ’. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat ook de naam ‘ [naam 51] ’ of varianten daarop bijnamen zijn voor [medeverdachte 1] . Snackbar [naam 57] Op 1 januari 2016 vindt de volgende berichtenwisseling tussen [naam 32] en [e-mailadres 3] (hierna te noemen: [naam 16] ) plaats: 19:04:17 uur [naam 32] : Ben net klar met eten bij [naam 57] daar Op 1 januari 2016 maakt het telefoonnummer [nummer 15] van [medeverdachte 1] om 18:58, 19:01 en 19:30 uur gebruik van de zendmast aan de [adres 83] . De snackbar [naam 57] , [adres 84] , ligt in de zendrichting van deze zendmast, op hemelsbreed 220 meter afstand. De gebruiker van [naam 32] mailt bovendien in de periode dat de [nummer 15] een zendmast aanstraalt in de directe omgeving van de snackbar [naam 57] , [adres 84] . De auto van [medeverdachte 1] Zoals reeds is vastgesteld is de personenauto van het merk [merk auto 5] met kenteken [kenteken 4] gebruikt als vluchtauto bij de liquidatie in Kerkdriel op 31 december 2015. Deze auto stond van 19 december 2015 tot en met 5 januari 2016 op naam van [medeverdachte 1] . Op 1 januari 2016 vindt de volgende berichtenwisseling tussen [naam 32] en [naam 16] plaats: 19:59:25 uur [naam 32] : Bro met die wakkie (de rechtbank begrijpt: auto) weggrijden van mij als vluchtauto is ook fuckingg heet he gaan we nooit meer doen man 20:53:42 uur [naam 32] : Top broo lovee youu bro echt alleen aan wat ik nu denk bro is me wakkie ze kunnen niks doen toch is geen bewijs dat ik daar geweest ben met me wak (de rechtbank begrijpt: auto) neetoch. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat de [naam 32] communiceert over de [merk auto 5] [kenteken 4] , van [medeverdachte 1] als zijnde zijn auto. Afspraken [naam 32] en [medeverdachte 1] Op 5 februari 2016 vindt de volgende berichtenwisseling plaats tussen [naam 32] en [e-mailadres 4] : 11:23:34 uur [naam 32] : Oke ik heb half 2 afspraak bij [naam 59] in noord dan mail ik je Op 29 januari 2016 is namens [naam 58] , medewerkster WPI, een uitnodiging aan [medeverdachte 1] verzonden voor een vervolggesprek op 5 februari om 13.30 uur aan de [straatnaam 10] in Noord. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] en [naam 32] dezelfde afspraak hebben bij de [naam 59] in Amsterdam Noord. Op 14 februari 2016 vindt de volgende berichtenwisseling plaats tussen [naam 32] en [e-mailadres 5] (hierna te noemen: [naam 33]): 19:11:39 uur [naam 32] : heb morgen om 4uur reclaseriingg bulshit ze hebben brief gestuurd naar [naam 60] laatste kans anders moet ik me voorwaardelijke uitzitten (…) Op 15 februari 2016 vindt de volgende berichtenwisseling plaats tussen [naam 32] en [naam 33] : 14:04:45 uur [naam 32] : (…) zo ja snel na die afspraak gaan 14:06:30 uur [naam 32] : (…) [naam 60] ga zo naar keizrgracht 16: 28 :30 uur [naam 32] : Nu west was bij recla net. [naam 61] , medewerkster Reclassering, heeft verklaard dat er een afspraak met [medeverdachte 1] is geweest op 15 februari 2016 tussen 13.00 uur en 15.00 uur op de locatie [straatnaam 11] . [medeverdachte 1] heeft zich op die datum ook gemeld en gesproken met een collega van [naam 61] . De rechtbank leidt hieruit af dat [naam 32] en [medeverdachte 1] beiden rond dezelfde tijd op 15 februari 2016 naar een afspraak met de Reclassering aan de [straatnaam 11] zijn geweest. Conclusie [medeverdachte 1] is ook de gebruiker van [naam 32] Gelet op het voorgaande en in het bijzonder: dat het account van [medeverdachte 1] op 31 december 2015 voor het laatst actief was en [naam 32] op 1 januari 2016 vervolgens actief werd; deze twee e-mailadressen in andere accounts onder soortgelijke namen worden opgeslagen; deze namen grotendeels afgeleid zijn van de bijnamen van [medeverdachte 1] , te weten ‘ [naam 40] ’ en ‘ [naam 51] ’; [naam 32] op 1 januari 2016 mailt dat hij net klaar is met het eten bij snackbar [naam 57] , [adres 84] en de telefoon [nummer 15] van [medeverdachte 1] op hetzelfde moment in de directe omgeving van deze snackbar aanwezig is geweest; [naam 32] een gesprek heeft met [naam 16] over de [merk auto 5] op naam van [medeverdachte 1] , als zijnde zijn auto; [naam 32] en [medeverdachte 1] dezelfde afspraak hadden op 5 februari 2016 bij de [naam 59] in Amsterdam Noord; [naam 32] en [medeverdachte 1] op 15 februari 2016 rond dezelfde tijd naar een afspraak met de reclassering aan de [straatnaam 11] zijn geweest, acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] de gebruiker van het Ennetcom-account met e-mailadres [naam 32] was en dat -zoals hiervoor reeds is overwogen- alle e-mailberichten met betrekking tot dit account aan [medeverdachte 1] zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [naam 32] ook aanduiden als [medeverdachte 1] . De accounts van [medeverdachte 2] ( [naam 33] en [naam 37] ) Zoals reeds is vastgesteld, reisde het telefoonnummer [nummer 16] op meerdere bezoeken aan de camping mee met het nummer [nummer 15] en de [merk auto 5] , beide in gebruik bij [medeverdachte 1] . Dit telefoonnummer – eindigend op [nummer 16] – is van [medeverdachte 2] . In de telefoon van [naam 62] staat dit nummer van [medeverdachte 2] opgeslagen als ‘ [medeverdachte 2] ’. Ook het telefoonnummer [nummer 22] (hierna te noemen: [nummer 22]) was onder die naam opgeslagen. [naam 62] herkent [medeverdachte 2] van een foto als deze [medeverdachte 2] . Zij kent geen andere [medeverdachte 2] . De stem van de gebruiker van [nummer 22] wordt bovendien herkend als zijnde de stem van [medeverdachte 2] . De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat, naast [nummer 16] , ook het telefoonnummer [nummer 22] in gebruik was bij [medeverdachte 2] . Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [nummer 16] en [nummer 22] aanduiden als [medeverdachte 2] . Verkoop van de [merk auto 5] Zoals reeds vastgesteld stond de personenauto van het merk [merk auto 5] met kenteken [kenteken 4] – die is gebruikt als vluchtauto bij de liquidatie in Kerkdriel – van 19 december 2015 tot en met 5 januari 2016 op naam van [medeverdachte 1] . Op 2 januari 2016 vindt een berichtenwisseling plaats tussen [medeverdachte 1] en [e-mailadres 5] (hierna te noemen: [naam 33]). 00:58: 28 uur [naam 33] : Yo [naam 140] bro hoe is het wat moet er gebeuren met die waggie (de rechtbank begrijpt: auto) (…) 01:30:01 uur [naam 33] : (…) hij is gewassen en schoon en hij staat geparkeerd 17:16:21 uur [medeverdachte 1] : ja rustig [naam 63] is er shie koper voor die auto(de rechtbank begrijpt: is er een koper voor de auto?). [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] aan hem vroeg ‘ken je iemand die deze auto – een donkergroene [merk auto 5] [kenteken 4] – wil kopen voor een spotprijsje’. [medeverdachte 2] heeft die auto van [medeverdachte 1] op 5 januari 2016 verkocht aan [naam 64] . De auto werd overgeschreven bij een sigarenboer op de [straatnaam 12] . Dezelfde dag is [medeverdachte 2] naar Amsterdam gereden en heeft hij de papieren bij [medeverdachte 1] opgehaald. [naam 64] kende de persoon van wie hij de auto heeft gekocht als ‘ [naam 65] ’. Naar het oordeel van de rechtbank duidt de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [naam 33] erop dat de [naam 33] betrokken was bij de verkoop van de auto van [medeverdachte 1] en zij ziet zich, mede gelet op de verklaringen van [medeverdachte 2] en [naam 64] , voor de vraag gesteld of [medeverdachte 2] de gebruiker van [naam 33] was. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Bijnamen Het e-mailadres [naam 33] wordt door anderen in hun accounts opgeslagen onder meer onder de accountnamen ‘ [naam 66] ’, ‘ [naam 67] ’, ‘ [naam 68] ’, ‘ [naam 69] ’
(2x), ‘ [naam 70] ’, ‘ [naam 71] ’. De rechtbank stelt vast dat ‘ [naam 71] ’ straattaal is voor Rotterdam. [medeverdachte 2] verbleef aan de [adres 36] , naast Rotterdam. De bijnaam ‘ [naam 71] ’ In verschillende gesprekken tussen [medeverdachte 2] en anderen zegt [medeverdachte 2] : - ‘ ‘Ik ben het van/uit [naam 71] .’ - ´(…) ´(…) zeg tegen hem, [naam 71] is wel teleurgesteld, [naam 71] zegt tegen je euh, je vraagt niet of [naam 71] wat nodig heeft of zo, he! Zeg tegen hem [naam 71] is teleurgesteld.’ - ‘ ‘zeg tegen hem [naam 71] zegt, je staat op [naam 71] verzocht nummer 1!’ De rechtbank concludeert op grond hiervan dat [medeverdachte 2] zichzelf regelmatig ‘ [naam 71] ’ noemt en dat dit een bijnaam van hem is. De bijnaam ‘ [naam 65] ’ [medeverdachte 2] heeft veelvuldig contact met het telefoonnummer [nummer 23] van [naam 72] . Zij had hem in haar telefoon staan als ‘ [medeverdachte 2] ’ en herkent [medeverdachte 2] als deze [medeverdachte 2] . De bijnaam van [medeverdachte 2] was ‘ [naam 65] ’. Ook volgens [naam 73] is de bijnaam van [medeverdachte 2] ‘ [naam 65] ’. In de telefoon van [naam 74] staat [medeverdachte 2] omschreven als ‘ [naam 75] ’. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat de namen ‘ [naam 65] ’ en ‘ [naam 75] ’ en varianten daarop bijnamen zijn voor [medeverdachte 2] . Het kopen van een nieuwe telefoon De telefoon van [medeverdachte 2] straalt op 3 maart 2016 – verkort weergegeven – de volgende zendmasten aan: om 15:05:45 uur [adres 85] in Rotterdam; om 15:21:14 uur [adres 86] in Rijswijk; om 15:24:57 uur [adres 87] in Den Haag; om 16:43:13 uur [adres 88] in Amsterdam; om 18:04:36 uur [adres 89] in Amsterdam; om 20:17:07 uur [adres 90] in Amsterdam. De rechtbank overweegt dat hieruit blijkt dat [medeverdachte 2] op 3 maart 2016 tussen 15:05 uur en 18:04 van Rotterdam via Rijswijk en Den Haag naar Amsterdam is gereisd en dat hij om 15:24 uur in Den Haag was. Op 3 maart 2016 vindt een berichtenwisseling plaats tussen [medeverdachte 1] en [naam 33] : 16:04:51 uur [naam 33] : Yo [naam 140] bro ik vertrek nu van den haag naar [naam 43] (de rechtbank begrijpt: Amsterdam)(…) 16:11:45 uur [naam 33] : Ik moet daar toch zijn want ik moest een nieuwe phonna (de rechtbank begrijpt: telefoon) ophalen dan timer ik gewoon op je want ik [naam 165] niet in [naam 71] meer begrijp je. (…) 16:23:26 uur [naam 33] : Ik ben al onderweg ben daar bijna maar je weet toch die chick van laatst bij jou deur ik ken wehd vriendin van der ik heb er gebeld ze gaat komen ga ik met haar tijd dooien tot [naam 17] reageert. (…) 16:42:59 uur [medeverdachte 1] : Ewa hoelang ben je der ongeveer 16:44:30 uur [naam 33] : Max 10 min. Nu de telefoon van [medeverdachte 2] om 15:24 uur in Den Haag was, de gebruiker van [naam 33] omstreeks 16:04 uur is vertrokken vanuit Den Haag richting Amsterdam, de gebruiker van [naam 33] om 16:42 uur over maximaal 10 minuten in Amsterdam is en [medeverdachte 2] van 16:43 tot en met 20:17 uur gebruik maakt van zendmasten in Amsterdam, stelt de rechtbank vast dat de beweging van [medeverdachte 2] past bij de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [naam 33] . Conclusie [medeverdachte 2] is de gebruiker van [naam 33] Gelet op het voorgaande en in het bijzonder dat: het gesprek tussen de [naam 33] en [medeverdachte 1] erop wijst dat [naam 33] betrokken is bij de verkoop van de [merk auto 5] ; [medeverdachte 2] vervolgens heeft verklaard dat hij de auto van [medeverdachte 1] heeft verkocht aan [naam 64] ; [naam 64] zijn auto heeft gekocht van ‘ [naam 65] ’; [naam 33] in andere accounts grotendeels wordt opgeslagen onder afgeleiden van de bijnamen ‘ [naam 65] ’ en ‘ [naam 71] ’; ‘ [naam 65] ’ en ‘ [naam 71] ’ bijnamen van [medeverdachte 2] zijn, en de [naam 33] vanuit Den Haag naar Amsterdam vertrekt om een nieuwe telefoon te kopen en de reisbeweging van de telefoon van [medeverdachte 2] op dat moment exact daarbij past, acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 2] de gebruiker van het Ennetcom-account met e-mailadres [naam 33] was en dat alle e-mailberichten met betrekking tot dit account aan [medeverdachte 2] zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [naam 33] aanduiden als [medeverdachte 2] . Overgang naar [e-mailadres 6] (hierna te noemen: [naam 37] ) Het e-mailbericht van 3 maart 2016 om 18:39:48 uur, vlak na voormelde aankoop van een nieuwe telefoon, is het laatste bericht dat op het account van [medeverdachte 2] aanwezig is. Op 3 maart 2016, 18:53:50 uur – 14 minuten na het laatste bericht van [medeverdachte 2] – wordt het eerste e-mailbericht vanaf account [naam 37] verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit er op duiden dat [naam 37] de opvolger is van het [naam 76] -account van [medeverdachte 2] . De vraag is of hij dus ook de gebruiker is geweest van [naam 37] . De rechtbank overweegt hierover als volgt. Gegevens uit [naam 37] Zoals reeds vastgesteld, werd [medeverdachte 2] in verschillende accounts opgeslagen onder contactnaam ‘ [naam 66] ’ en ‘ [naam 71] ’ dan wel afgeleiden daarvan. Het account [naam 37] werd met name opgeslagen onder ‘ [naam 69] ’, ‘ [naam 70] ’, ‘ [naam 71] ’, ‘ [naam 69] ’, ‘ [naam 68] ’ en ‘ [naam 77] ’. Hiervan sloegen de accounts [e-mailadres 7] en [naam 16] de [naam 76] van [medeverdachte 2] en [naam 37] onder identieke namen op, te weten ‘ [naam 69] ’ en ‘ [naam 77] ’. De rechtbank concludeert hieruit dat [naam 37] door anderen vrijwel onder dezelfde namen wordt opgeslagen als het account [naam 76] van [medeverdachte 2] en dat deze anderen [medeverdachte 2] en de gebruiker van [naam 37] dan ook kennen onder dezelfde bijnamen. Zoals reeds vastgesteld, noemde [medeverdachte 2] zichzelf regelmatig ‘ [naam 71] ’. Op 3 maart 2016 vindt een berichtenwisseling plaats tussen [naam 37] en [naam 16] : 19:43:49 [naam 37] : Yo bro nieuwe mail [naam 71] . Op 3 maart 2016 vindt ook een berichtenwisseling plaats tussen [naam 37] en [medeverdachte 1] : 19:44:09 [naam 37] : Yo bro nieuwe mail [naam 71] . Conclusie [medeverdachte 2] is ook de gebruiker van [naam 37] Gelet op het voorgaande en in het bijzonder dat: [medeverdachte 2] een nieuwe telefoon gaat halen op 3 maart 2016; 14 minuten na het laatste bericht van [medeverdachte 2] het account [naam 37] in gebruik wordt genomen; op 3 maart 2016 – vlak na het in gebruik nemen van [naam 37] – mails worden verzonden vanaf [naam 37] waarin wordt aangegeven dat het gaat om het nieuwe mailadres van ‘ [naam 71] ’, [medeverdachte 2] zichzelf regelmatig ‘ [naam 71] ’ noemt; [naam 37] onder grotendeels dezelfde contactnamen wordt opgeslagen als het account [naam 76] van [medeverdachte 2] , en twee gebruikers de [naam 37] onder identieke contactnamen opslaan als het account [naam 76] van [medeverdachte 2] , acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 2] , naast [naam 33] , ook de gebruiker van het opvolgende Ennetcom-account met e-mailadres [naam 37] was en dat alle e-mailberichten met betrekking tot dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [naam 37] aanduiden als [medeverdachte 2] . De accounts van [verdachte] ( [naam 15] en [naam 16] ) De accounts [naam 15] en [naam 16] Uit onderzoek naar de e-mailadressen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn, zoals later zal blijken, ook de volgende voor dit vonnis relevante e-mailadressen naar voren gekomen: [e-mailadres 8] (hierna te noemen: [naam 15]); [e-mailadres 3] (hierna te noemen: [naam 16]). Van deze accounts werden het daarbij behorende IMEI- en IMSI-nummer en Sim-ID verkregen. Dit betreffen bij [naam 15] IMEI [nummer 24] (hierna te noemen: IMEI [nummer 24]), IMSI [nummer 25] en Sim-ID [nummer 27] . Voor [naam 16] waren dit IMEI [nummer 26] , IMSI [nummer 25] en Sim-ID [nummer 27] . De rechtbank stelt vast dat de gebruiker van de genoemde accounts gebruik maakt van twee verschillende telefoons (IMEI-nummers), maar van dezelfde SIM-kaart (IMSI en Sim-ID). Bij beide accounts: zijn 61 unieke e-mailaccounts opgeslagen als contact door zowel [naam 15] als [naam 16] ; zijn er van deze 61 unieke e-mailaccounts 53 e-mailaccounts onder een identieke contactnaam opgeslagen door zowel [naam 15] als [naam 16] ; en zijn er in totaal 39 unieke e-mailaccounts waarvan de gebruikers zowel [naam 15] als [naam 16] hebben opgeslagen; zijn er van deze 39 unieke e-mailaccounts 10 e-mailaccounts zijn waarvan de gebruikers een identieke contactnaam hebben gegeven aan zowel account [naam 15] als [naam 16] ; zijn er van deze 39 unieke e-mailaccounts 14 e-mailaccounts waarvan de gebruikers een zeer gelijkende contactnaam hebben gegeven aan zowel account [naam 15] als [naam 16] . De rechtbank concludeert op grond hiervan dat door de [naam 15] en [naam 16] dezelfde e-mailaccounts grotendeels zijn opgeslagen onder een identieke, dan wel gelijkende contactnaam. Bovendien worden [naam 15] en [naam 16] ook door 39 andere e-mailaccounts onder identieke, dan wel zeer gelijkende contactnamen opgeslagen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de gebruikers van [naam 15] en [naam 16] bekend zijn met veelal dezelfde contacten. In de contactenlijst van [naam 15] is op 15 november 2015 het account [naam 16] opgeslagen onder de accountnaam ‘nieuwe’. De laatste opgeslagen verzonden berichten van [naam 15] zijn van 17 november 2015. Op 1 januari 2016 vindt de volgende berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [e-mailadres 9] plaats. 13:41:18 [medeverdachte 1] : Die andere zegt dat hij niks van mij ontvangt heb hem 6x gemald maar er komt niks aan bij hem ben die gozer die net tel bij je heeft gehaald. 13:47:22 2229 : Ooo wacht. Ik heb je denk ik die oude mail van hem gegeven. Zie onderaan. T12:07:18 2229 : [naam 16] [naam 15] Ik denk dat je de bovenste moet hebben. Probeer ze allebei maar. Ik mail hem altijd met die tweede. Tussenconclusie [naam 15] en [naam 16] zijn van dezelfde gebruiker Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat de e-mailaccounts [naam 15] en [naam 16] dezelfde gebruiker hebben. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wie als de gebruiker van deze e-mailaccounts kan worden geïdentificeerd en overweegt hierover het volgende. Het artikel in [naam krant] Naar aanleiding van de liquidatie van [slachtoffer 4] verschijnt op 7 november 2015 een bericht op de internetwebsite van de krant ‘ [naam krant] ’. In dit artikel worden de namen genoemd van de volgende personen: [verdachte] [slachtoffer 4] : vermoord op 7 november 2015; [naam 78] : vermoord op 13 juli 2014; [naam 79] : vermoord op 29 december 2012; [naam 80] : vermoord op 3 september 2014; [naam 81] : vermoord op 18 oktober 2012; [naam 82] : vermoord op 25 mei 2013; [naam 167] . Op 8 november 2015 vindt de volgende berichtenwisseling plaats tussen [naam 15] en [e-mailadres 10] (hierna te noemen: [naam 83] ). [naam 83] : Je naam staat kk heet op parol wtf [naam 15] : Hahahahaha ja man die denken natuurlijk dat ik erachter zit [naam 15] : Ja lekker belangrijk ahahah. Praten mensen op straat? [naam 83] : Nee parol praat madefackers. [naam 167] is naar aanleiding van de moord op [naam 81] veroordeeld en zat ten tijde van de liquidatie van [slachtoffer 4] gedetineerd. Gelet op de door middel van de historische verkeersgegevens verkregen locatiebepalingen van [naam 15] in relatie tot de detentie van [naam 167] kan hij niet de gebruiker zijn van [naam 15] . Immers, de PGP-telefoon voorzien van IMEI-nummer [nummer 24] waarmee de berichten van [naam 15] werden verstuurd, heeft in de periode na 2 november 2015 geen verbindingen afgewikkeld in het Nederlands radionetwerk. Indien er met deze telefoon in de periode van 6 tot en met 11 november 2015 gecommuniceerd zou zijn vanuit de penitentiaire inrichting zou dit in de historische verkeersgegevens zichtbaar zijn geweest. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat enkel [verdachte] en [naam 167] nog in leven zijn van de personen van wie de namen worden genoemd in het artikel in [naam krant] . De opmerking van [naam 83] “je naam staat kk heet op parol wtf” moet dus op één van deze personen betrekking hebben. Gelet op zijn detentie kan [naam 167] niet degene zijn die heeft gecommuniceerd met behulp van het account [naam 15] . Dit wijst er dan ook op dat [verdachte] de gebruiker was van e-mailaccount [naam 15] . Contacten [naam 15] en [naam 16] Op 24 september 2014 is op het account [naam 15] het volgende bericht opgeslagen: ‘ [naam 84] ’. Op 23 januari 2016 werd eveneens een opmerking aangemaakt door de gebruiker van account [naam 16] . Ook daar werd het telefoonnummer [nummer 28] genoemd. Daarnaast werd het telefoonnummer [nummer 29] genoemd. Het telefoonnummer [nummer 28] staat op naam van [naam 85] , met als aansluitingsadres [adres 91] in Amsterdam. In de Gemeentelijke Basis Administratie staat op dit adres [naam 85] ingeschreven, een [naam 85] van [verdachte] . [verdachte] heeft hierover verklaard dat hij zijn [naam 85] opslaat als ‘ [naam 85] ’, ‘ [naam 85] ’ of ‘ [naam 85] ’. Geen van zijn broers heeft een PGP. De ouders van [verdachte] wonen aan de [adres 91] . Het telefoonnummer [nummer 29] staat op naam van [naam 86] , wonende op de [adre

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.