RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/880714-18 Datum zitting : 16 juli 2019 Datum uitspraak: 13 augustus 2019 tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde), geboren op : [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , adres : [adres] , plaats : [plaats] , thans gedetineerd te P.I. Overijssel – HvB Zwolle, raadsman : mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank, conform artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig was geschat op € 785.000,-. 2De procedure Ter terechtzitting van 5 maart 2019 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. Er heeft hierna een schriftelijke ronde plaatsgevonden, waarbij de officier van justitie de vordering heeft gematigd tot een bedrag van € 84.175,-. 3Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 16 juli 2019 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda. De officier van justitie, mr. G.R.G. Nijpels, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering ten bedrage van € 84.175,-. Veroordeelde en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. Veroordeelde en zijn raadsman hebben de hoogte van ontnemingsvordering betwist. Zij hebben betoogd dat veroordeelde hooguit € 6.000,00 heeft verdiend aan het doorspelen van de informatie. Zij hebben op dit moment echter geen bewijzen om hun standpunt te onderbouwen en zich daarom gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4De beoordeling van de vordering Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 26 maart 2019 tegen veroordeelde gewezen vonnis. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De rechtbank volgt de berekening van de officier van justitie zoals opgenomen in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 3 april 2019 (hierna te noemen: het rapport), voor zover hierna niet anders wordt overwogen. Veroordeelde heeft in de periode 1 december 2017 tot en met 20 november 2018 informatie opgezocht in de politiesystemen over specifieke personen. Veroordeelde heeft deze informatie vervolgens aan de betreffende personen doorgespeeld. Veroordeelde heeft onder meer zijn ambtsgeheim geschonden en computervredebreuk gepleegd. Hij heeft informatie over specifieke personen uit het criminele milieu doorgespeeld aan mensen die veroordeelde voor die informatie geld boden of aan wie veroordeelde daarvoor geld heeft gevraagd. Bevragingen unieke KENO-codes en kentekens. De rechtbank overweegt dat veroordeelde buiten diensttijd 623 keer een unieke KENO-code heeft bevraagd. Van deze 623 KENO-codes werden 104 KENO-codes vaker dan één keer (variërend tussen de 2 en 40 keer) bevraagd. In totaal heeft veroordeelde 356 verschillende unieke KENO-codes bevraagd. Ook heeft veroordeelde buiten diensttijd 208 keer een kenteken bevraagd. Van deze 208 kentekens werden 39 kentekens vaker dan één keer (variërend tussen de 2 en 18 keer) bevraagd. In totaal heeft veroordeelde 125 verschillende unieke kentekens bevraagd. De rechtbank zal voor de verdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de enkele en unieke bevragingen, namelijk 356 personen en 125 kentekens. Gehanteerde tarieven Veroordeelde heeft verklaard dat hij 95% van de betaalde bevragingen voor [naam 1] deed en 5% van de betaalde bevragingen voor [voornaam 1] en [voornaam 2] [achternaam] . Op 20 oktober 2018 om 04:48 uur heeft het volgende gesprek tussen veroordeelde en [naam 1] plaatsgevonden: (…) [naam 1] : ‘Maar vriend ik ga jou niet uit mijn eigen zak betalen.’ (…) [naam 1] : ‘Plus ik had een afspraak met jou, dat je met niemand zou werken. Maar dat doe je wel.’ (…) [naam 1] : ‘Jij werkt met [naam 2] (fon). Klopt toch?’ [veroordeelde] : ‘Ik heb met hem zaken gedaan. Nog steeds.’ (…) [naam 1] : ‘Je kan niet zeggen dat ik slecht voor jou ben geweest. Ik heb je altijd betaald.’ [veroordeelde] : ‘Dat weet ik.’ [naam 1] : ‘Ik heb jou in die wereldje gebracht. Ik heb jou altijd twee en half barkie per naam betaald.’ [veroordeelde] : ‘Ik zeg ook niets NTV. Ik zeg eerlijk altijd goed voor mij geweest.’ (…) Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit gesprek genoegzaam dat [naam 1] veroordeelde altijd ‘tweeënhalf barkie per naam’ heeft betaald. Tweeënhalf barkie is € 250,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.