RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 19/536 en AWB 19/537 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaken tussen [X] te [Z] , eiser (gemachtigde: [A] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2013 en 2014 navorderingsaanslagen (aanslagnummers [xxx] en [xxxx] inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 42.106 en € 44.
(2013)en specifieke zorgkosten (2013 en 2014). Eiser heeft erkend dat hij het recht op deze aftrek niet (meer) kan onderbouwen en heeft ook erkend dat verweerder in die gevallen kan navorderen. 12. Volgens eiser heeft verweerder echter een ambtelijk verzuim gepleegd, doordat verweerder vanaf begin 2015 en zeker vanaf eind april 2015 op de hoogte moest zijn geweest van de onderzoeksconclusies en de aanslag over 2014 van 6 juni 2015 toen nog niet was vastgesteld. Voor het jaar 2014 ontbreekt daarom volgens eiser het nieuwe feit tot navorderen. 13. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van ambtelijk verzuim. Zoals hierboven onder punt 2 is vermeld, heeft verweerder begin 2015 een mogelijk verhoogd risico bij de gemachtigde geconstateerd naar aanleiding van een algemene analyse naar diverse adviseurs waaronder de gemachtigde van eiser. Deze analyse is voor verweerder de aanleiding geweest op 30 juni 2015 een beperkt onderzoek te starten naar 173 cliënten van de gemachtigde om te kijken of inderdaad sprake was van een verhoogd risico. Na dit onderzoek is uiteindelijk besloten om het onderzoek naar aangiften van de gemachtigde uit te breiden en kan ook pas vanaf dat moment van een mogelijk ambtelijk verzuim sprake zijn. De aanslag IB/PVV 2014 is op 6 juni 2015 vastgesteld, zodat in dit geval geen sprake is van een ambtelijk verzuim. In zoverre verschilt deze situatie met die van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:366 (overwegingen 4.7 en 4.8), omdat daarin de gemachtigde vóór vaststelling van de aanslag ervan werd verdacht op grote schaal onjuiste aangiften te hebben ingediend, terwijl in dit geval enkel een verhoogd risico was geconstateerd. Correctiebeleid en het gelijkheidsbeginsel 14. Eiser heeft bij zijn beroepschrift het zogenoemde correctiebeleid van verweerder overgelegd. In dit correctiebeleid staat vermeld: “Correctiebeleid Versie 2.1 Uitsluitend voor intern gebruik 30 maart 2011 1. Context In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve1 correcties (op de grondslag) op te leggen, die slechts “een gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt. Hier kan gesproken worden van een bepaalde irritatiegrens bij belastingplichtige die invloed kan hebben op zijn compliant gedrag. Zeker als het “bedrag” voor de belastingplichtige in geen verhouding staat tot de administratieve gevolgen van de correcties. (…) 2. Correctiebeleid Een bedrag van niet meer dan € 225 kan als een “gering bedrag” beschouwd worden. Op basis hiervan geldt het volgende correctiebeleid:2 1. Een te hanteren bedrag aan (minimaal) te betalen belasting naar aanleiding van correcties van € 225 per individuele belastingaanslag, dus per middel en belastingplichtige; 2. (…) 3. (…) 4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden. Dit conform de toezegging in 2009 aan de Tweede Kamer in het kader van de discussie over het ‘nieuw feit’; 5. (…) 6. (…) 7. (…) 8. Op grond van zijn professional judgement beoordeelt de medewerker of zodra in één van de behandelde jaren de correctiegrens wordt overschreden, ook de andere behandelde jaren gecorrigeerd moeten worden. Een correctie van relatief geringe omvang kan in dit geval een argument zijn om de correctie achterwege te laten; 9. In die gevallen dat belastingplichtige inspeelt op dit interne correctiebeleid is het mogelijk dat hiervan afgeweken kan worden. Bijvoorbeeld dat de belastingplichtige door het verstrekken van onjuiste gegevens inspeelt op het correctiebeleid. (…)” 15. De rechtbank stelt vast dat voor het jaar 2013 het correctiebeleid niet van toepassing is, omdat de correctie meer dan € 1.000 bedraagt en er dus geen sprake is van een gering bedrag. Dat ter zitting een compromis is bereikt over de kosten voor ROW, maakt dit niet anders, omdat vast staat dat de totale in aftrek gebrachte kosten (zowel voor ROW als specifieke zorgkosten) voor een bedrag van minstens € 1.000 niet (meer) door eiser aannemelijk kon worden gemaakt en verweerder ook om andere redenen deels is tegemoetgekomen. 16. Met betrekking tot 2014 is voor de tweede keer de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd en is dus sprake geweest van repeterende onjuistheden. Gelet hierop is ook voor dit jaar het correctiebeleid in beginsel niet van toepassing. Eiser heeft echter aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat ook buiten, of in aanvulling op, het correctiebeleid sprake is van een begunstigende behandeling van met eiser vergelijkbare gevallen. De gemachtigde van eiser heeft ter onderbouwing van deze stelling brieven overgelegd met betrekking tot 28 andere belastingplichtigen. Uit die brieven volgt volgens eiser een gedragslijn waarbij om redenen van coulance ten gunste van belastingplichtigen is afgezien van navordering of correcties, terwijl niet was voldaan aan het correctiebeleid. 17. Met dit betoog stelt eiser dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door in zijn geval wel een navorderingsaanslag op te leggen, terwijl hij daar in vergelijkbare gevallen van heeft afgezien. Als een belastingplichtige in het kader van een beroep op niet gepubliceerd begunstigend beleid, waarvan te zijnen aanzien zou zijn afgeweken, wijst op gevallen waarin met hem vergelijkbare belastingplichtigen een gunstiger behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf ondervindt, dan ligt het op de weg van verweerder om die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid (vgl. Hoge Raad 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8260). 18. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van gelijke gevallen als sprake is van (
- a)(mogelijke) correcties met betrekking tot specifieke zorgkosten (
- b)in het jaar 2013 of 2014, waarbij (
- c)sprake is van repeterende onjuistheden, dus waar (mogelijke) correcties voor meerdere jaren zijn gecontroleerd. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank in de door de gemachtigde van eiser overgelegde stukken in bijlage A6 bij het beroepschrift de volgende vergelijkbare gevallen aangetroffen: brief van 2 maart 2018, kenmerk [a] waarbij verweerder aankondigt geen navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2012 en 2013 op te leggen ondanks dat is vastgesteld dat niet alle opgevoerde specifieke zorgkosten aftrekbaar zijn; brief van 2 maart 2018, kenmerk [b] , waarbij verweerder aankondigt geen navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2012 en 2014 op te leggen ondanks dat is vastgesteld dat niet alle opgevoerde specifieke zorgkosten aftrekbaar zijn; brief van 12 februari 2018, kenmerk [c] , waarbij verweerder aankondigt geen navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2013 en 2014 op te leggen, ondanks dat is vastgesteld dat niet alle specifieke zorgkosten zijn aangetoond; brief van 22 januari 2018, kenmerk [d] , waarbij verweerder aankondigt geen navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2014 en 2015 op te leggen, ondanks dat de specifieke zorgkosten niet zijn onderbouwd (hetgeen ook blijkt uit de bijgevoegde brief van gemachtigde van 9 augustus 2017). 19. De rechtbank stelt vast dat naast deze vier geheel gelijke gevallen in een aantal andere gevallen eveneens sprake is geweest van repeterende onjuistheden en niet-onderbouwde aftrekposten. Daarbij is echter sprake van andere aftrekposten dan specifieke zorgkosten of kan uit de stukken niet worden afgeleid om welke aftrekposten het gaat. Ook in die gevallen heeft verweerder afgezien van correcties. 20. Verweerder heeft geen verklaring gegeven waarom in de door eiser aangedragen vergelijkbare gevallen niet is nagevorderd. Verweerder heeft op deze gevallen niet gereageerd in de uitspraak op bezwaar, niet in het verweerschrift en desgevraagd ook niet op zitting. Evenmin heeft verweerder gesteld of aannemelijk gemaakt dat in al deze gevallen sprake is geweest van in de uitvoeringssfeer gemaakte fouten. Gelet hierop moet de conclusie zijn dat er kennelijk sprake is (geweest) van begunstigend beleid of in ieder geval van een min of meer stelselmatige begunstiging in de hierboven beschreven groep vergelijkbare gevallen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, had verweerder eiser gelijk moeten behandelen en moeten afzien van navordering over het jaar 2014. Het beroep is in zoverre gegrond en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 moet worden vernietigd. Conclusie 21. De conclusie is dat de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 en 2014 gegrond moeten worden verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2013 dient te worden verminderd naar € 41.356 (€ 42.106 – € 750). De navorderingsaanslag IB/PVV 2014 wordt vernietigd. 22. Omdat eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen belastingrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte belastingrente voor 2013 dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. 23. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1, omdat sprake is van minder dan vier samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.356; - vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig; - vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2014; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.532; - gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 47 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, rechter, in tegenwoordigheid van S. Lensink MSc, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.